Inhoud

De protestantse partijen

De eerste landelijke partijorganisatie in Nederland was die van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP – 1879). Zij werd opgericht door dr. A. Kuyper, die in de jaren daarvóór leiding had gegeven aan een Anti-Schoolwet Verbond (1872) en aan een massaal volkspetitionnement (1878) gericht tegen het liberale onderwijsbeleid, dat ten nadele werkte van het bijzondere (= op godsdienst gebaseerde) lager onderwijs. In de ARP gingen de plaatselijke anti-revolutionaire kiesverenigingen, die ook de volkspetitionnementsactie hadden gedragen, samen. De term „anti-revolutionair” was enkele decennia eerder geïntroduceerd door mr. G. Groen van Prinsterer, die zich verzette tegen de ideeën van de Franse Revolutie, waarin de rede, de idealen van vrijheid en gelijkheid, het streven naar democratie en de scheiding van Kerk en Staat centraal werden gesteld. Groen stelde: „In plaats van de Revolutie, het Evangelie!”

Onder leiding van Kuyper ontwikkelde de ARP zich tot een krachtige organisatie. Zij zou ruim honderd jaar oud worden en vele afsplitsingen overleven. De fragmentatie van de protestantse partijvorming heeft net als de fragmentatie in andere politieke stromingen te maken met verschillen in inzicht over de te volgen politieke koers op met name sociaal-economisch gebied, maar moet tevens geplaatst worden tegen de achtergrond van de kerkelijke ontwikkelingen, die al vele afsplitsingen hadden laten zien vóórdat er van politieke partijen sprake was.

De eerste breuk in de ARP ontstond na een conflict tussen partijleider Kuyper en parlementair leider Jhr. mr. A.F. De Savornin Lohman. Ook hier was de uitbreiding van het kiesrecht een katalysator. Kuyper was voorstander van een ruimer kiesrecht, waarmee hij de invloed van de „kleine luyden” hoopte ter versterken; de meer conservatieve en aristocratische De Savornin Lohman was hiertegen. Kuyper wenste bovendien een grotere zeggenschap van de partij over haar vertegenwoordigers in het parlement, waartegen De Savornin Lohman zich verzette. In 1898 trad laatstgenoemde uit de partij en vormde met geestverwanten de Vrij-Anti-revolutionairen.

Deze partij fuseerde uiteindelijk in 1908 met enkele kleine christelijke groeperingen (waaronder de Friese Bond onder leiding van ds. Ph.J. Hoedemaker) tot de Christelijk-Historische Unie (CHU), die haar aanhang vrijwel uitsluitend vond in kringen van de Nederlandse Hervormde Kerk. Het merendeel van de ARP-achterban was lid van de Gereformeerde Kerken, die na de Afscheiding in 1834 en de Doleantie in 1886 uit de Nederlandse Hervormde Kerk waren ontstaan. Maar ook Nederlands Hervormden waren lid van de ARP. Vanaf 1908 bestonden de CHU en de ARP naast elkaar, totdat zij in 1980 in het CDA zouden opgaan. Maar met name de ARP zou zowel ter linker- als ter rechterzijde nog vele afsplitsingen meemaken. Ter linkerzijde trad in 1905 uit verzet tegen het beleid van het ministerie-Kuyper een groep uit de ARP, die de Christen-Democratische Partij oprichtte. In de periode rond de Eerste Wereldoorlog ontstonden nog meer progressieve christelijke partijen. De belangrijkste was de Christelijk Democratische Unie (CDU), in 1926 opgericht door progressieve protestanten die met de ARP van dr. H. Colijn braken. In deze partij ging ook de Christen-Democratische Partij op. De CDU streefde naar sociale hervormingen en ontwapening. In 1946 ging zij met onder andere de SDAP en de VDB op in de PvdA (zie paragraaf 2.4).

Ter rechterzijde vond een belangrijke ontwikkeling plaats in 1918 toen door ds. G.H. Kersten de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) werd opgericht. Zij was grotendeels de partijpolitieke neerslag van een richtingenstrijd binnen de wereld van de gereformeerde gezindten, die al eerder tot kerkelijke versplintering had geleid. De SGP verzette zich onder andere tegen de scheiding van Kerk en Staat, tegen „Rome”, tegen de democratie en hiermee tegen vele ideeën van de anti-revolutionair Kuyper. De SGP heeft een interkerkelijk karakter. Zij recruteert haar aanhang bij verschillende kerkgenootschappen: de Gereformeerde Bond binnen de Hervormde Kerk, de Christelijk Gereformeerde kerken en vooral de Gereformeerde Gemeenten. In 1921 werd door enkele Hervormde predikanten de Hervormde (Gereformeerde) Staatspartij (HGS) opgericht, die inhoudelijk vele overeenkomsten met de SGP vertoonde, maar eerder uit verzet tegen de door de CHU gevoerde politiek was ontstaan en bovendien haar leden met name recruteerde uit de confessionele richting in de Hervormde kerk. Van 1925 tot 1937 was de HGS met één zetel in de Tweede Kamer vertegenwoordigd.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werden de grote protestantse partijen, de CHU en de ARP, aldus geflankeerd door de CDU ter linkerzijde en de SGP ter rechterzijde.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog scheidde zich opnieuw een groepering van de grotere Gereformeerde Kerken af: de zogenaamde Vrijgemaakte Gereformeerde Kerken onderhoudende artikel 31 KO. Enkele jaren later leidde dit op partij-politiek gebied tot de oprichting van het Gereformeerd Politiek Verbond (1948), waarin „vrijgemaakte” ARP-ers zich organiseerden. Pas in 1963 zou het GPV zijn eerste kamerzetel behalen.

De ARP en CHU bleven na de Tweede Wereldoorlog voorlopig naast elkaar bestaan, ondanks een poging tot fusie in 1945. De vooroorlogse CDU ging op in de PvdA, waartoe ook individuele CHU-ers zich aangetrokken voelden; de SGP kreeg ter rechterzijde gezelschap van het GPV.

Organisatorisch bleef deze configuratie van protestantse partijen tot in de jaren zeventig bestaan. Maar in de jaren zestig kregen zowel de ARP als de CHU te maken met de gevolgen van de ontzuiling en ontkerkelijking waardoor zij minder vanzelfsprekend als voorheen konden rekenen op een vaste achterban.

De ARP maakte bovendien een evangelische radicalisering door. De verkiezingen van 1967 legden haar geen windeieren, vooral dankzij de populariteit van interim-premier dr. J. Zijlstra. Toen de ARP daarna aan een kabinet met VVD, CHU en KVP deelnam in plaats van samen te werken met de PvdA, deelde een groep AR-radicalen mee spijt te hebben hun stem op de ARP te hebben uitgebracht. Bovendien waren zij verontrust over de gesprekken die inmiddels waren begonnen over een mogelijk samenwerkingsverband van de ARP, de CHU en de KVP.

Een deel van de AR-radicalen verliet in 1970 uiteindelijk de partij (o.a. dr. mr. B. de Gaay Fortman jr.) en sloot zich aan bij de in 1968 opgerichte PPR (zie paragraaf 2.3).

Voor anderen binnen de ARP was de radicalisering van de partij juist veel te ver gegaan. Halverwege de jaren zestig vonden reeds gesprekken plaats tussen verontruste anti-revolutionairen en het GPV. Tot resultaten leidde dit niet door de verschillende kerkelijke achtergronden. In het begin van de jaren zeventig verlieten nog enkele groepen de ARP. Ook voor hen waren de besprekingen tussen KVP, CHU en ARP om te komen tot nauwere samenwerking of zelfs fusie reden tot zorg. In 1975 verenigden zij zich in de Reformatorische Politieke Federatie (RPF), die sinds 1981 in de Tweede Kamer is vertegenwoordigd. De leden van de RPF hebben verschillende kerkelijke achtergronden, hetgeen zoals gemeld – niet geldt voor het GPV. Toch zouden beide partijen – na aanvankelijke aarzelingen – in 1998 besluiten om nauwer te gaan samenwerken, hetgeen tot één gezamenlijke lijst bij de volgende Tweede Kamerverkiezingen moet leiden.

De ARP en de CHU waren inmiddels in 1980, na dertien jaar van besprekingen en onderhandelingen, opgegaan in het nieuwe Christen Democratisch Appèl (CDA), een fusie van de ARP, de CHU en de KVP, nadat deze partijen al vanaf 1975 in federatieverband hadden samengewerkt (Zie ook paragraaf 2.3).

Het uiteindelijk resultaat van deze fusie was voor verschillende progressieve ARP-ers, die na het uittreden van een groep AR-radicalen in 1970 de partij trouw was gebleven, reden om het CDA te verlaten. Samen met de leden van de Evangelische Progressieve Volkspartij, die enkele jaren eerder was opgericht, stichtten zij in 1981 de Evangelische Volkspartij (EVP), die in de periode 1982-1986 met één zetel in de Tweede Kamer vertegenwoordigd was en in 1990 zou opgaan in de nieuwe formatie GroenLinks (zie 2.5).

In bovenvermelde ontwikkelingsgang van de protestantse partijen speel de ARP een cruciale rol. Dit betekent niet dat zich in de CHU of in de SGP nooit spanningen hebben voorgedaan. Zij hebben echter niet geleid tot groepsgewijze uittreding en vorming van nieuwe politieke partijen.

Literatuur over confessionele partijen:

  • P. Luykx en H. Righart (red.), Van de pastorie naar het Torentje: een eeuw confessionele politiek, ’s-Gravenhage, 1991
  • W. Kort – Van Velzen, Christelijke Kamerleden en de vrijheid van meningsuiting: een parlementair-historisch onderzoek, Zwolle, 1994
  • P.R. Meinders et al., Kiezen voor christelijke politiek: principes en praktijk bij CDA, SGP, GPV en RPF, Leiden, 1994
  • G.J.M. van Wissen, De christen-democratische visie op de rol van de staat in het sociaal-economisch leven, Amsterdam, 1982 (behandelt de visies van ARP, CHU, KVP en CDA sedert 1945.)
  • I. Lipschits, De protestants-christelijke stroming tot 1940, Deventer, 1977
  • L.W.G. Scholten e.a., De confessionelen: ontstaan en ontwikkeling van de christelijke partijen, Utrecht, 1968. 

Zie voor historische studies over de Nederlandse christendemocratie ook de serie Studies over de christen-democratie, vanaf 1995 verschenen bij de SDU in Den Haag.

Specifieke literatuur over de AR-richting vindt men onder andere bij:

  • J.P. Stoop, “Om het volvoeren van een christelijke staatkunde. De Anti-Revolutionaire Partij in het interbellum, Hilversum, 2001
  • G. Harinck en R. Kuiper, De Antirevolutionaire Partij, 1829-1980, Hilversum 2001
  • R. Janssens, De opbouw van de Antirevolutionaire Partij 1850-1888, Hilversum, 2001
  • J.-J. van den Berg, Deining. Koers en karakter van de ARP ter discussie, 1956-1970, Kampen, 1999
  • R. Kuiper, Herenmuiterij: vernieuwing en sociaal conflict in de antirevolutionaire beweging 1871-1894, Leiden, 1994
  • R. Kuiper, Zelfbeeld en wereldbeeld: antirevolutionairen en het buitenland, 1848-1905, Kampen, 1992
  • P.L. van Enk, De aftocht van de ARP. Jaren van strijd tussen macht en beginsel. Kampen, 1986. Behandelt de periode 1968-1976
  • C. Bremmer (red.), ARP: personen en momenten uit de geschiedenis van de Anti-revolutionaire partij, Franeker, 1980
  • D. Bosscher, Om de erfenis van Colijn. De ARP op de grens van twee werelden (1939-1952), Alphen aan den Rijn, 1980
  • 100 jaar partij: bezinning en perspectief een anti-revolutionaire bijdrage aan christen-democratische politiek, Franeker, 1979
  • Een kleine eeuw kleine luyden, Grepen uit de geschiedenis van de ARP (opgericht 3 april 1879), ’s-Gravenhage, 1975
  • D.Th. Kuiper, De voormannen. Een sociaal-wetenschappelijke studie over ideologie, conflict en kerngroepvorming binnen de gereformeerde wereld in Nederland tussen 1820 en 1930, Meppel/Kampen, 1972
  • J.A. de Wilde en C. Smeenk, Het volk ten baat. De geschiedenis van de A.R.partij, Groningen, 1949. Erg gekleurde beschrijving door geestverwanten
  • Schrift en historie; gedenkboek bij het vijftigjarig bestaan der georganiseerde Antirevolutionaire Partij, 1878-1928, Kampen, 1928
  • J.C. van der Does, Bijdrage tot de geschiedenis der wording van de Anti-revolutionaire of Christelijke-Historische Staatspartij, Amsterdam, 1925.

Voor specifieke literatuur over de CH-richting, zie onder andere:

  • H. van Spanning, In dienst van de theocratie: korte geschiedenis van de Protestantse Unie en de Centrumgespreksgroep in de CHU, Zoetermeer, 1994
  • H. van Spanning, De Christelijk-Historische Unie (1908-1980): enige hoofdlijnen uit haar geschiedenis, Z.pl., z.j. (1988)
  • J. Wieten, Dagblad en Doorbraak. De Nederlander en De Nieuwe Nederlander, Kampen, 1986
  • A.J. van der Dulst (red.), Herinneringen aan de Unie waarin we ons thuisvoelden, z.pl., 1980
  • De Unie in het vizier: een korte kenschets van de ontwikkelingen in de Christelijk Historische Unie na de Tweede Wereldoorlog, Apeldoorn, 1968. Uitgegeven ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van de CHU
  • H.K.J. Beernink, Geschiedenis en beginsel van de Christelijk-Historische Unie, ’s-Gravenhage, 1953
  • J.J. Schokking, Bijdragen tot de geschiedenis van het ontstaan der CHU, Den Haag, 1938
  • J.R. Snoeck Henkemans, Geschiedenis en beginsel van de CHU, Apeldoorn, 1934
  • A.F. de Savornin Lohman, Bijdragen tot de geschiedenis der Christelijk-Historische Unie, in opdracht van den schrijver verzorgd door H. van Malsen, ’s-Gravenhage, z.j. Twee delen. 

Voor literatuur betreffende de overige protestantse partijen zie onder andere:

  • R. van Mulligen, Radicale protestanten : opkomst en ontwikkeling van de EO, de EH en de ChristenUnie en hun voorlopers (1945-2007), Amsterdam, Buijten en Schipperheijn Motief, 2014 (met samenvatting in het Engels; ook verschenen als proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam)
  • A. de Jong, Meesturen vanaf de achterbank. De SGP als Stille Gedoog Partner, 2010-2012, Apeldoorn, 2012
  • E. Klei, Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek. Een geschiedenis van het gereformeerd politiek verbond, 1948-2003, Amsterdam, 2011
  • B.J. van der Vlies, Gods trouw en goedheid prijzen : SGP-partijredes 1987-2010 : gehouden op de algemene vergaderingen van de Staatkundig Gereformeerde Partij door ir. B.J. van der Vlies, voorzitter van de SGP-fractie in de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 1986 tot 2010, Gouda, 2010
  • J. Hippe en G. Voerman, Van de marge naar de macht. De ChristenUnie, 2000-2010, Amsterdam, 2010
  • H.A. Post, In strijd met de roeping der vrouw. De Staatkundig Gereformeerde Partij en het vrouwenkiesrecht, Heerenveen, 2009
  • J.S. van den Brink, Op weg naar honderd jaar SGP. Missie, identiteit, perspectief, Gouda, 2008
  • W. Fieret (red.), Christelijke politiek in een geseculariseerde samenleving. SGP in de 21e eeuw, z.p., 1999
  • J. de Bas, De muis die even brulde. De Evangelische Volkspartij 1981-1991. Diss., Vrije Universiteit, 1999
  • G. Harinck en R. Janssens (red.), Het Amersfoortse congres van 1948, Z.pl., 1998 (over ontstaan GPV)
  • R. Bisschop, G. Holdijk, A.A. van der Schans, Theocratie. De SGP tussen ideaal en werkelijkheid, z.p., 1997
  • R. Kuiper, Reformatorische Partijvisie, Nunspeet, 1996 (RPF)
  • J. Weggeman, „De uitgebleven toenadering. Een inhoudsanalyse van de verkiezingsprogramma’s van SGP, GPV en RPF (1977-1994)”, in: Jaarboek 1994 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Groningen, 1995, pp. 190-206
  • J. Zwemer, Het gevaar van het hellend vlak: de Gereformeerde Gemeenten en de SGP in historisch perspectief, Kampen, 1994
  • J. Hippe en G. Voerman, „Reformatorisch Staatkundig Verbond? Over de samenwerking tussen RPF, SGP en GPV (1975-1994)”, in: Jaarboek 1993 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Groningen, 1994, pp. 165-199
  • W. Chr. Hovius et al., Van Goedertierenheid en Trouw: 75 jaar Staatkundig Gereformeerde Partij, ’s-Gravenhage, 1993
  • J.P. Zwemer, In conflict met de cultuur: de bevindelijk gereformeerden en de Nederlandse samenleving in het midden van de twintigste eeuw, Kampen, 1992 (van belang voor geschiedenis SGP)
  • A. Rouvoet, Reformatorische Staatsvisie, Nunspeet, 1992 (RPF)
  • J. van der Jagt et al. (red.), Politiek Mozaïek. Opstellen aangeboden aan dr. A.J. Verbrugh, Amersfoort, 1992 (o.a. over Nationaal Evangelisch Verband, één van de voorlopers van de RPF)
  • M. Nieboer en A.P.M. Lucardie, „‘Aanschuren tegen het CDA’ of aansluiten bij klein links”, in: Jaarboek 1991 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Groningen 1992, pp. 149-167
  • Erfgoed. Geschiedenis en gedachtengoed van tien jaar Evangelische Volkspartij, Alsmeer, 1991
  • W. Fieret, De Staatkundig Gereformeerde partij 1918-1948: een bibliocratisch ideaal, Houten, 1990
  • J. van der Jagt, H. Timmermans en A.J. Verbrugh (red.), Gedenkboek 48-88 GPV, Amersfoort, 1988
  • Tj. de Jong, Het beginselprogram van de SGP toegelicht, eerste deel, Z.pl., 1987
  • J.J.B. Stap, De S.G.P. voor 1940, in: Utrechtse Historische Cahiers, 6 (1985), no. 3
  • C.S.L. Janse, Bewaar het pand: de spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijke gereformeerden, Houten, 1985. (SGP)
  • J. Hippe, De Hervormde (Gereformeerde) Staatspartij, in: Jaarboek Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen 1982, Rijksuniversiteit Groningen, 1983, pp. 107-128
  • G. Holdijk (red.), Dominee in de politiek: het Tweede Kamerlid-maatschap van Ds. H. G. Abma 1963-1981, ’s-Gravenhage, 1982. (SGP)
  • Hoort de roede; partijredes uitgesproken door ds. G. Kersten en ds. P. Zandt op de Algemene (Jaar)vergaderingen van de Staatkundig Gereformeerde Partij in de Periode 1926-1961, z.pl., 1982-1984, drie delen
  • A.H.M. Dölle, De Staatkundig Gereformeerde Partij, in: Jaarboek Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen 1981, Rijksuniversiteit Groningen, 1982, pp. 158-187
  • A.J. Verbrugh, Universeel en anti-revolutionair: toelichting bij de richtlijnen van de nationaal-gereformeerde, dat is universeel-christelijke en anti-revolutionaire politiek, Groningen, 1980-1985, drie delen. (GPV)
  • R. Valkenburg, Jongeling ten voeten uit, Wageningen, 1971. (GPV)
  • Publicaties van de Groen van Prinsterer Stichting, Amersfoort (Uitgaves van het wetenschappelijk instituut van het GPV).
Scroll naar top