Inhoud

Emancipatie en assimilatie

Na de Bataafse omwenteling vormden joden niet langer een „vreemde natie”, zij werden aan niet-joden gelijkwaardige burgers van de Bataafse en later Nederlandse staat. Alle voor joden geldende restricties werden opgeheven: joden konden zich vrij vestigen en alle beroepen waren nu voor hen toegankelijk. Ook kwam een eind aan het joods zelfbestuur en aan de macht van de parnassiem. Ook voor de joden gold dat kerk en staat voortaan gescheiden zouden zijn, al behield de staat nog wel zeggenschap over de organisatie van de verschillende kerkgenootschappen. De joodse natie werd een Israëlitisch kerkgenootschap. De termen Israëliet en Israëlitisch typeerden de nieuwe situatie. Deze door verlichte joden geïntroduceerde termen misten de ongunstige bijklank van de termen jood en joods en benadrukten het zuiver godsdienstige karakter van het jodendom.

De meerderheid van de joden had echter weinig op met deze realisatie van de denkbeelden van de verlichte joodse elite. Zo veranderde de situatie in Amsterdam aanvankelijk nauwelijks. Daar behield de parnassiem met steun van het stadsbestuur in de praktijk bevoegdheden, die hun formeel ontnomen waren. In reactie daarop stichtten verlichte joden een eigen gemeente: Adath Jesjoeroen, beter bekend als Nieuwe Gemeente of Neie Kille onder leiding van M.S. Asser, de oprichter en president van Felix Libertate, een sociëteit voor verlichte joden, die heel typerend ook niet-joodse leden kende. Dat leidde tot een felle strijd tussen oude en nieuwe gemeente, waaraan Lodewijk Napoleon in 1808 een eind wist te maken. Beide gemeenten werden verenigd. In hetzelfde jaar plaatste Lodewijk Napoleon alle Hoogduitse gemeenten onder een centraal orgaan, het zogenaamde Opperconsistorie. De Portugees-joodse gemeenten hielden zich afzijdig.

Ook na de bevrijding van de Fransen waren er conflicten tussen orthodoxe joden en meer verlichte geloofsgenoten, die soms zelfs tot afscheidingen aanleiding konden geven. Zo probeerden de orthodoxe broeders Lehren, zoons van een Haagse parnas vast te houden aan de autonomie van de joodse gemeenten. Pogingen van Hirschel Lehren om een afgescheiden joodse gemeente door de overheid erkend te krijgen, mislukten echter.

Koning Willem I zette de politiek van Lodewijk Napoleon jegens de joden in grote lijnen voort. De meer orthodoxe leden van het Nederlands-Israëlitisch kerkgenootschap waren het liefst teruggekeerd naar de situatie van vóór de Bataafse omwenteling. Om aan deze wens enigszins tegemoet te komen, schafte de koning het Opperconsistorie af en kregen de afzonderlijke gemeenten een grote mate van zelfstandigheid. Om toch enig verband tussen de verschillende Hoogduitse gemeenten in stand te houden en om aanspreekpunten voor de overheid te creëren, werd een aantal gemeenten als hoofdsynagoge aangewezen. Zo ontstonden tien „Nederlandsche” hoofdsynagogen, daarnaast kregen de beide Portugese gemeenten van Amsterdam en ’s-Gravenhage eveneens de status van hoofdsynagoge. Verder stelde de overheid een Commissie tot de zaken der Israëlieten in, die ressorteerde onder het Ministerie van hervormde en andere (niet-katholieke) erediensten.

Deze in 1817 tot Hoofdcommissie omgedoopte instelling had tot taak het Nederlandse jodendom te „beschaven” en te „verlichten” en het zoveel mogelijk aan de Nederlandse cultuur te assimileren. Het Jiddisch en het Portugees moesten zoveel mogelijk vervangen worden door het Nederlands en ook anderszins moesten joden zoveel mogelijk „gewone” Nederlanders worden. In dit „beschavingsoffensief„ speelde het Nederlands-Israëlitisch Seminarium een belangrijke rol. Daar vond de opleiding van rabbijnen en joodse intellectuelen plaats, die hun aldaar verworven kennis weer doorgaven aan de verschillende joodse gemeenten. In dit verband moet de naam van de latere (in 1874 benoemde) opperrabbijn J.H. Dunner genoemd worden, die in 1862 rector van het Seminarium werd en deze instelling tot grote bloei wist te brengen. Gedurende de negentiende en het begin van de twintigste eeuw integreerden en assimileerden joden zo in toenemende mate in de Nederlandse samenleving. Het Jiddisch en het Portugees verdwenen, al kwamen ook Jiddische woorden in het algemeen spraakgebruik terecht. Men ging zich als Nederlanders kleden en gedragen en stuurde zijn kinderen naar de openbare school. Godsdienstonderwijs had het moeten afleggen tegen „maatschappelijk” onderwijs. Sociaal-economisch was de integratie minder voortgeschreden. Zeker voor het Amsterdamse proletariaat bestond er rond 1900 nog een afzonderlijke, joodse, beperkte arbeidsmarkt. Ook in de politiek, de vrije beroepen en de wereld van het banken verzekeringswezen waren joden in de jaren dertig van de vorige eeuw nog ondervertegenwoordigd.

De grondwet van 1848 bracht een andere verhouding tot de overheid. Kerk en staat werden duidelijker gescheiden en in 1861 kwam een eind aan het overheidstoezicht door het Ministerie van eredienst. Het Israëlitisch kerkgenootschap kon zich nu naar eigen inzicht organiseren. Dat gebeurde in 1870. Het Nederlands-Israëlitisch kerkgenootschap kreeg een nieuw reglement. De leiding kwam in handen van een Centrale Commissie, die samengesteld was uit vertegenwoordigers van alle „ressorten”, de kerkelijke provincies en de grote steden. Een Permanente Commissie fungeerde als dagelijks bestuur. Aan het hoofd van ieder ressort stond een opperrabbijn. Hoewel er geen opperrabbijn voor het gehele land bestond, fungeerde de opperrabbijn van Amsterdam wel als primus inter pares. De afzonderlijke joodse gemeenten behielden wel een grote mate van zelfstandigheid.

De twee Portugees-Israëlitische gemeenten van Amsterdam en ’s-Gravenhage traden niet toe tot het Nederlands-Israëlitisch kerkgenootschap en verenigden zich tot een tweede joods kerkgenootschap. Sinds 1870 bestonden er dus twee joodse kerkgenootschappen. Voordien had men weliswaar betrekkelijk los van elkaar geopereerd, maar hoorde men officieel toch tot één kerkgenootschap. Men was trouw gebleven aan de eigen Hoogduitse of Portugese tradities. Ook maatschappelijk gezien trad men gescheiden op. Men had eigen instellingen voor onderwijs en armenzorg. De scherpe sociale tegenstellingen waren echter sterk verminderd. Enerzijds waren ook de aanvankelijk zeer welvarende Portugese joden getroffen door de economische teruggang in de tweede helft van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw. Anderzijds profiteerden de Hoogduitse joden in de negentiende eeuw van de gestegen kansen op sociale stijging.

In 1931 zag een derde joods-godsdienstige groepering het licht: het Verbond van Liberaal-Godsdienstige Joden. Elders in Europa en de Verenigde Staten waren in de loop van de negentiende eeuw godsdienstige bewegingen op gang gekomen, die het jodendom van binnenuit trachtten te hervormen. De wortels daarvan lagen in verlicht joodse kringen in Duitsland. De eerder genoemde Mozes Mendelssohn en zijn leerlingen vormden een belangrijke inspiratiebron. Halverwege de negentiende eeuw kreeg de reformbeweging meer gehoor en aanhang, mede door toedoen van een groep jonge rabbijnen met Abraham Geiger, Zacharias Frankel en Samuel Holdheim als de meest belangrijke. Uitgangspunt was de integratie van het jodendom in de moderne maatschappij. Men ontdeed het jodendom van zijn politieke elementen, zoals het herstel van de Joodse Staat. Een Messiaans idee, d.w.z. een universeel verlossingsideaal, ging een persoonlijke Messias vervangen. Verschillende traditionele gebeden werden geschrapt, het Hebreeuws verving het Duits. In de Verenigde Staten werden aparte reformgemeenten opgericht onder invloed van de immigratie van hervormingsgezinde joden uit vooral Duitsland. Daar kwam een krachtige reformbeweging op gang onder leiding van Isaac Wise (een meer gematigde tak) en David Einhorn (een meer radicale tak). Ook de joden in Engeland raakten onder invloed van (Duitse en Amerikaanse) reformideeën. In 1902 kwam daar de hervormingsgezinde Jewish Religious Union tot stand onder leiding van Claude Montefiore en Lily Montagu. Deze laatsten namen rond 1925 het initiatief tot het vormen van een overkoepelende organisatie voor alle liberale en reformgemeenten in de wereld, mede in reactie op soortgelijke initiatieven van meer orthodox-joodse en joods-nationalistische (o.a. zionistische) zijde. In 1926 kwam de eerste conferentie van de World Union for Progressive Judaism bijeen. Vóór 1930 was er in Nederland nauwelijks sprake van een liberaal jodendom of een reformbeweging. Als oorzaken daarvan worden wel genoemd: het klassekarakter van de reformbeweging en de verzuilde structuur van de Nederlandse samenleving. De reformbeweging vond vooral aanhang onder de meer gegoeden en intellectuelen, die in het negentiende eeuwse Nederlandse jodendom slechts beperkt vertegenwoordigd waren. Het verzuilde karakter van de Nederlandse samenleving zou verhinderd hebben dat uitwisseling van ideeën met andere liberale groeperingen plaatsvond en gestimuleerd hebben dat een sterk joods saamhorigheidsgevoel in stand bleef. De meer verlichte joden in Nederland assimileerden eerder dan dat zij van binnenuit de joodse gemeenschap trachtten te hervormen. Mede door toedoen van immigranten uit Duitsland ontstonden in de jaren dertig echter toch liberaal-joodse gemeenten. Hun omvang was echter beperkt: op zijn hoogtepunt in begin 1940 in totaal ongeveer 900 zielen. Na de Tweede Wereldoorlog zou hun betekenis voor het Nederlandse jodendom aanzienlijk toenemen.

Volgens de laatste vooroorlogse volkstelling waren er in 1930 bijna 112.000 aanhangers van de joodse kerkgenootschappen in Nederland (zie tabel l). Dat is aanzienlijk meer dan in het begin van de negentiende eeuw toen er bijna 40.000 geteld werden. Toch werd hun aandeel in de totale Nederlandse bevolking geringer (1,4 tegen 1,8%). Lange tijd schommelde dit aandeel zo rond de 1,8 à 1,9%. In het laatste kwart van de negentiende eeuw steeg het joodse bevolkingsaandeel echter tot 2,2% in 1889. Oorzaak waren de jodenvervolgingen in Oost-Europa, die net als in de zestiende en zeventiende eeuw joden naar ons land deden uitwijken. Nadien daalde het joodse aandeel in de bevolking echter weer als gevolg van een relatief laag vruchtbaarheidsniveau en geloofsafval. In de jaren dertig van de twintigste eeuw werd deze daling gecompenseerd door joodse vluchtelingen uit met name Duitsland, waardoor het bevolkingsaandeel constant bleef.

Tabel 1. Aantal en percentage van de (godsdienstige) joden in Nederland, 1809-1941.

Portugese Israëlieten

Nederlandse Israëlieten

Alle Israëlieten

Totaal

Bevolking

Aantal

%

Aantal

%

Aantal

%

1809

2.743

0,12

36.853

1,67

39.596

1,80

2.205.505

1829

46.397

1,78

2.613.487

1839

52.245

1,83

2.860.559

1849

3.214

0,11

55.412

1,81

58.626

1,92

3.056.879

1859

3.040

0,09

60.750

1,84

63.790

1,93

3.309.128

1869

3.525

0,10

64.478

1,80

68.003

1,90

3.579.529

1879

3.618

0,09

78.075

1,95

81.693

2,04

4.012.693

1889

5.070

0,11

92.254

2,04

97.324

2,16

4.511.415

1899

5.645

0,11

98.463

1,93

104.108

2,04

5.104.137

1909

6.624

0,11

99.785

1,70

106.409

1,82

5.858.175

1920

5.930

0,09

109.293

1,59

115.223

1,68

6.865.314

1930

5.194

0,07

106.723

1,34

111.917

1,41

7.935.565

1941

4.303

0,05

121.607

1,37

125.910

1,41

8.900.000

Bron: H. Knippenberg, Assimilating Jews in Dutch nation-building: the missing „pillar”, in: Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 93 (2002), pp. 191-208.

Amsterdam vormde tussen 1900 en 1940 het brandpunt van het Nederlandse jodendom. Daar maakten joden tot 1920 10% of meer van de bevolking uit. Daar woonde 42-60% van alle Nederlandse joden (zie tabel 2). De mate waarin de joden op Amsterdam geconcentreerd waren had vooral met economische omstandigheden te maken. Zo deed de slechte economische situatie van Amsterdam (en het opheffen van toelatingsrestricties elders) in het begin van de negentiende eeuw veel joden uitwijken naar de Mediene (de provincie). Toen de Amsterdamse economie vanaf 1860 weer aantrok, kwamen er ook weer joden naar Amsterdam. Na 1920 verminderde de aantrekkingskracht van de hoofdstad als gevolg van de economische crisis, die ook de diamantindustrie, waar veel joden werkzaam waren, zwaar trof.

Voor verdere informatie, zie (zie ook paragraaf 2.1):

  • C. Reijnders, Van„ Joodsche Natiën” tot joodse Nederlanders. Een onderzoek naar getto- en assimilatieverschijnselen tussen 1600 en 1942, Amsterdam, 1969
  • J. Meijer, Hoge hoeden, lage standaarden: de Nederlandse Joden tussen 1933 en 1940, Baarn, 1969
  • J. Pos (red.), Anti-semitisme en Jodendom. Een bundel studies over een actueel vraagstuk, Arnhem, 1939
  • J.P. Kruijt, „Het Jodendom in de Nederlandse samenleving”, in: H.J. Pos (red.), Anti-semitisme en Jodendom. Een bundel studies over een actueel vraagstuk, Arnhem, 1939, pp. 190-231. 

Tabel 2. Joden in Amsterdam 1809-1967.

Aantal

% van alle joden

in Nederland

% van de Amsterdamse

bevolking

(godsdienstige) joden

1809

21,444

54.2

10.6

1829

21,998

47.4

10.9

1849

25,156

42.9

11.2

1859

26,793

42.0

11.1

1869

29,952

44,0

11.3

1879

40,318

49.4

12.7

1889

54,479

56.0

13.4

1899

59,065

56.4

11.6

1909

61,684

58.0

10.4

1920

67,249

58.4

10.4

1930

65,523

58.6

8.7

1947

5,269

36.7

0.7

1960

6,671

46.0

0.8

(ethnische) joden

1941

79,497

56,7

9.8

1954

14,068

59,3

1.6

1966

15,687

52,9

1.8

Bron: H. Knippenberg, Assimilating Jews in Dutch nation-building: the missing „pillar”, in: Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 93 (2002), pp. 191-208.

  • H. Knippenberg, „Assimilating Jews in Dutch nation-building: the missing pillar”, in: Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 93 (2002), pp. 191-208
  • J. Meijer, Balans der Ballingschap, Deel I-XVIII, Heemstede, 1981-1991
  • M.H. Gans, Het Nederlandse Jodendom – de sfeer waarin wij leefden. Karakter, traditie en sociale omstandigheden van het Nederlandse Jodendom vóór de Tweede Wereldoorlog, Baarn, 1985
  • J. Michman and T. Levie (eds.), Dutch Jewish History. Proceedings of the Symposium on the History of the Jews in the Netherlands, Jerusalem/Tel-Aviv, 1984
  • I. Schöffer, „The jews in the Netherlands. The position of a minority through three centuries”, in: Studia Rosenthaliana, XV (1981), pp. 85-105
  • H. Daalder, „Dutch Jews in a segmented society” in: Acta Historiae Neerlandicae, X (1978), pp. 175-194
  • M.P.J.M. Weijtens, Nathan en Shylock in de Lage Landen. De Jood in het werk van de Nederlandse letterkundigen in de negentiende eeuw, Groningen, 1971. 

Specifiek over de staatkundige emancipatie en haar gevolgen:

  • J. Michman, Dutch Jewry during the Emancipation Period 1787-1815, Amsterdam, 1995
  • J. Michman, „De ‘Diskursen fur die neie un die alte Kille”’, in: Studia Rosenthaliana, XXIV (1990), pp. 21-35
  • J. Michman, „De stichting van het Opperconsistorie 1808. Een keerpunt in de geschiedenis van de Nederlandse joden”, in: Studia Rosenthaliana, XVIII (1984), pp. 41-61, 143-158; XIX (1985), pp. 127-158
  • F. van Cleeff-Hiegentlich, „De transformatie van het Nederlandse Jodendom in de eerste helft van de negentiende eeuw”, De Gids, 148 (1985), pp. 232-242
  • J. Michman, „De emancipatie van de Joden in Nederland”, in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 96 (1981), pp. 78-82
  • J. Michman, „Gotische torens op een Corinthisch gebouw, de doorvoering van de emanicipatie der Joden in Nederland”, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, 89 (1976), pp. 493-517
  • J. Meijer, Erfenis der emancipatie. Het Nederlandse Jodendom in de eerste helft van de negentiende eeuw, Haarlem, 1963
  • M.E. Bolle, De opheffing van de autonomie der Kehilloth (Joodse gemeenten) in Nederland 1796, Amsterdam, 1960. 

Specifiek over demografische aspecten:

  • Ph. van Praag, „Between speculation and reality”, in: Studia Rosenthaliana, XXIII (1989) (Special Issue), pp. 175-179
  • D. Michman, „Migration versus ‘Species Hollandia Judaica’. The role of migration in the nineteenth and twentieth centuries in preserving ties between Dutch and World Jewry”, in: Studia Rosenthaliana, XXIII (1989) (Special Issue), pp. 54-76
  • R. Cohen, „Boekman’s Legacy: historical demography of the Jews in the Netherlands”, in Dutch Jewish History I, Jeruzalem, 1984, pp. 519-540
  • I. Schöffer, „Nederland en de joden in de jaren dertig in historisch perspectief”, in: K. Dittrich en H. Würzner (red.), Nederland en het Duitse Exil 1933-1940, Amsterdam, 1982, pp. 79-92
  • D. Michman, „De joodse emigratie en de Nederlandse reactie daarop tussen 1933 en 1940″, in: K. Dittrich en H.Wurzner (red.), Nederland en het Duitse Exil 1933-1940, Amsterdam, 1982, pp. 93108
  • Ph. van Praag, „Demografische ontwikkeling van de Joden in Nederland sinds 1830″, in: Mens en Maatschappij, 47 (1972), pp. 167-183
  • D. Cohen, Zwervend en dolend. De Joodse vluchtelingen in Nederland in de jaren 1933-1940, Haarlem, 1955
  • E. Boekman, Demografie van de Joden in Nederland, Amsterdam, 1936
  • J.H. van Zanten, „Eenige demografische gegevens over de joden te Amsterdam”, in: Mensch en Maatschappij, 2 (1926), pp. 1-24. 

Specifiek over joden in Amsterdam:

  • K.M. Hofmeester, „Als ik niet voor mijzelf ben…”: de verhouding tussen joodse arbeiders en de arbeidersbeweging in Amsterdam, Londen en Parijs vergeleken, 1870-1914, Amsterdam, 1999
  • S. Leydesdorff, Wij hebben als mens geleefd. Het Joodse proletariaat van Amsterdam 1900-1940, Amsterdam, 1987
  • R.E. van Engelsdorp Gastelaars, J. Vijgen en M. Wagenaar „Jewish Amsterdam 1600-1940. From ‘ghetto’ to ‘neighbourhoods”’, in: Immigration et société urbaine en Europe occidentale, XVIe-XXe siècle, Parijs, 1985, pp. 127-141
  • S.E. Kleerekoper, „Het Joodse proletariaat in het Amsterdam van de 19e eeuw”, in: Studia Rosenthaliana I (1967), pp. 97-109 en II (1968), pp. 71-85
  • S. Bloemgarten, „De Amsterdamse joden gedurende de eerste jaren van de Bataafse Republiek (1795-1798)”, in: Studia Rosenthaliana, I-1 (1967), pp. 66-96; 1-2 (1967), pp. 45-70; II-1 (1968), pp. 66-88
  • S. Wijnberg, De Joden van Amsterdam, Assen, 1967
  • H. Heertje, De diamantbewerkers van Amsterdam, Amsterdam, 1936. 

Specifiek over joden in de Mediene:

  • H.B.J. Stegeman en J.P. Vorsteveld, Het joodse werkdorp in de Wieringermeer 1934-1941, Zutphen, 1984
  • H. Beem, De Joden van Leeuwarden. Geschiedenis van een joods cultuurcentrum, Assen, 1974. 

Specifiek over joods onderwijs:

  • K. Hofmeester, „Een teeder en belangrijk punt”. Opinies over openbaar onderwijs in joodse kring, 1857-1989, in: H. te Velde en H. Verhage (red.), De eenheid en de delen. Zuilvorming, onderwijs en natievorming in Nederland, 1850-1900, Amsterdam, 1996, pp. 157-176
  • R. Fuks-Mansveld, „Onderwijs en nationale identiteit van de joden in Nederland in de tijd van hun acculturatie”, in: H. te Velde en H. Verhage (red.), De eenheid en de delen. Zuilvorming, onderwijs en natievorming in Nederland, 1850-1900, Amsterdam, 1996, pp. 135-155
  • H.G.A. Jansen, „De Israëlitische armenscholen in Gelderland (1836-1869)”, in: Studia Rosenthaliana, XI (1977), pp. 157-197
  • H.G.A. Jansen, „Staatsrechtelijke en culturele aspecten van het Israëlitisch onderwijs in Nederland tot 1869″, in: Studia Rosenthaliana, Xl (1977), pp. 40-80
  • D.S. van Zuiden, „Organisatie en geschiedenis van het Israëlitisch kerkgenootschap tot ca. 1870. School- en armwezen”, Studia Rosenthaliana, V (1971), pp. 187-212.

Specifiek over stromingen binnen het jodendom:

  • E.J. Ruiter, Op zoek naar identiteit. Geschiedenis van gemeenschapsvorming bij Messias-belijdende joden in Nederland, Hardinxveld, 1989
  • D. Meijers, De revolutie der vromen. Ontstaan en ontwikkeling van het chassidisme, Hilversum, 1989
  • D. Michman, Het liberale Jodendom in Nederland 1929-1943, Amsterdam, 1988
  • L. Giebels, De zionistische beweging in Nederland 1899-1941, Assen, 1975. 

Specifiek over het Nieuw Israëlitisch Weekblad:I. Lipschits, Honderdjaar NIW: het Nieuw Israëlitisch Weekblad, 1865-1965, Amsterdam, 1966.

Specifiek over christelijke zending bij joden: J.F.L. Bastiaanse, De Jodenzending en de eerste decennia van de Hervormde Raad voor Kerk en Israël 1925-1965: een generatie in dienst van de Joods-Christelijke toenadering, Zoetermeer, 1995.

Scroll naar top