Inhoud

Externe adviesorganen

Externe adviesorganen die indirect deelnemen aan de besluitvorming zijn een bekend fenomeen in de Nederlandse politiek. Vanaf de jaren zeventig wordt het grote aantal, het functioneren en de representativiteit van de adviesorganen steeds vaker bekritiseerd. Om de positie van vrouwen in de adviesraden te garanderen zijn er al in 1980 zogenaamde spelregels opgesteld voor de benoeming van vrouwen in adviescolleges en delegaties. Uitgangspunt hierin was dat er in elk college tenminste één vrouw was opgenomen. Zie: Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Spelregels, Vrouwen in commissies, adviescolleges en regeringsdelegaties, Rijswijk, 1980.

In de wet op de adviesorganen van 1996, de Kaderwet Adviescolleges, is tevens een passage opgenomen over de participatie van vrouwen. In hoofdstuk 3 over de samenstelling en inrichting van adviescolleges staat vermeld: „bij de benoeming van de voorzitters en bij de benoeming van de andere leden van adviescolleges wordt gestreefd naar evenredige deelneming aan adviescolleges van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheidsgroepen”.

Zie: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 1996 378 1 378.

De eerste beschikbare gegevens over het aandeel van vrouwen in externe adviesorganen in Nederland dateren uit 1976. Uit de enquête die de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) onder de leden van toentertijd 402 permanente adviescolleges had uitgezet, bleek dat 95% van de overheidsadviseurs behoorde tot het mannelijke geslacht. Elf jaar later, in 1987, was er sprake van een geringe stijging van het relatieve aandeel van vrouwen tot 10,5 oplopend tot 11,7% in 1991. Na de invoering van de Kaderwet Adviescolleges is het aantal adviesorganen gekoppeld aan een ministerie teruggebracht van meer dan 170 naar 22 organen. Het aandeel van vrouwelijke leden hierin is opgelopen tot 21,6% in 1999.

Tabel 20. Vrouwen en mannen in externe adviesorganen (stemhebbende leden), naar ministerie, absoluut en percentages, 1999

M

V

% vrouwen

Totaal aantal organen

Algemene Zaken

8

2

20,0

1

BuiZa

35

7

16,7

7

Justitie

20

2

9,1

3

BZK

15

11

42,3

3

OCW

33

23

41,1

3

VROM

10

7

36,4

1

VWS

152

23

13,1

3

EZ

18

1

5,3

2

LNV

15

6

28,6

2

SoZaWe

78.7

21.3

94

8

V&W

7

4

36,4

1

Totaal (absoluut)

313

86

21,6

22

Bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken, Voortgangsrapportage Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur, 1999, p. 30.

De relatieve deelname van vrouwen verschilt per departement waaronder de externe adviesorganen resorteren. In 1991 waren er nog een groot aantal raden zonder vrouwelijke leden, 90 van de 171 ofwel 52,1%. In 1999 is dit niet meer het geval. Nu vinden wij niet alleen veel minder externe adviesorganen, 22, maar tevens veel hogere percentages vrouwelijke leden, oplopend tot meer dan 40% in de raden van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Een uitgebreide studie over de vertegenwoordiging van vrouwen in externe adviesorganen is het proefschrift van Oldersma. De centrale vraag is in hoeverre er sprake is van uitsluitingsprocessen van vrouwen, vrouwenbelangen en/of expertise van vrouwen door de Nederlandse adviesraden. Met behulp van vier case-studies over de selectie van leden voor een adviesraad of adviescommissie wordt geanalyseerd hoe het (selectie)proces verloopt van probleemdefinitie van de raad of commissie tot de uiteindelijke selectie van de leden. Uitgebreid wordt ingegaan op de verschillende opvattingen over representatie van vrouwen die hierbij spelen. Een enquête onder alle leden van de adviesraden levert een beeld op van „het raadslid” en de verschillen tussen vrouwen en mannen.

Zie: J. Oldersma, De vrouw die vanzelf spreekt: gender en representatie in het Nederlandse adviesradensstelsel, Leiden, DSWO, pp. 296, 1996.

Zie verder:
  • J. Oldersma, „Can a woman be just like a man? The representation of women in the corporatist channel in the Netherlands”, in: J. Bussemaker en R. Voet (red.) Participation, Citizenship and Gender, Aldershot, Ashgate, 1998, pp. 122-133
  • D. de Wit, Adviesraden in balans: handleiding om het aantal vrouwen in raden te vergroten, De Beuk, pp. 54, 1994
  • D. de Wit, Evenredigheid m/v in adviesorganen, Hypolytushoef: De Beuk, pp. 26, 1993
  • Emancipatieraad, Vrouwen in politiek en openbaar bestuur, ’s-Gravenhage, 1991
  • J. Oldersma, „De bouwstenen van politieke macht: over vrouwen in de Nederlandse adviesraden”, in: C. Bouw (red.) Macht en onbehagen: veranderingen in de verhoudingen tussen vrouwen en mannen, Amsterdam, SUA, pp. 183-193, 1991
  • J. Oldersma, Meer vrouwen in de adviesraden, in: W. Dorsman en M. Goudt, Vrouwen en politieke strategieën, Leiden, 1990, pp. 109-118
  • J. Oldersma, Vrouwen in adviesraden, in: Acta Politica, 25 (1990), pp. 467-484
  • Overzicht adviesorganen van de centrale overheid, ’s-Gravenhage, 1987
  • Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Externe adviesorganen van de centrale overheid: beschrijvingen, ontwikkelingen, aanbevelingen, ’s-Gravenhage, 1977.
Scroll naar top