Inhoud

Minderheden

Gegevens over de positie van etnische minderheden in Nederland die als achtergrond voor de uitslagen van opinieonderzoek benut kunnen worden, zijn samengevat in:

  • P. Tesser en J. Veenman, Rapportage minderheden 1997. Van school naar werk. De arbeidskansen van jongeren uit de minderheden in verband met het door hen gevolgde onderwijs, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk, 1997
  • P.T.M. Tesser et al., Rapportage minderheden 1995. Concentratie en segregatie, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk, 1995. 

Wat houdingen en opvattingen betreft staan Nederlanders internationaal gezien tamelijk tolerant, maar niet uitzonderlijk tolerant tegenover minderheden. Volgens gegevens uit 1997, afkomstig uit de Eurobarometer, betoonden de Belgen, de Zweden en de Denen zich het meest afwijzend tegenover buitenlanders. Nederland nam in Europa een middenpositie in. Zie: Sociaal en Cultureel Rapport 2000. Nederland in Europa, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag 2000, pp. 174-179.

Zie voor soortgelijke gegevens van meer landen: J.W. Becker, „International public opinion and national identity. A descriptive study of existing survey data”, in: World Culture Report 2000. Cultural diversity, conflict and pluralism, Unesco, Parijs, 2000.

Tabel 15 laat zien hoe de Nederlanders over de aanwezigheid van allochtonen dachten. In de periode 1991-2000 vond ongeveer de helft van de ondervraagden dat er te veel buitenlanders in Nederland waren. Geringe aantallen Nederlanders, ongeveer 13%, ondervonden in het persoonlijk leven hinder van mensen met een andere nationaliteit of van mensen van een ander ras. Ongeveer een kwart was voorstander van een voorrangsbehandeling bij aanstellingen bij de overheid.

Tabel 15. Enige opvattingen over de aanwezigheid van buitenlanders, 16 jaar en ouder, 1991-2000 (in procenten).

1991

1993

1995

1997

2000

vindt dat er te veel mensen van een

andere nationaliteit in Nederland wonen

46

50

44

48

53

vindt de aanwezigheid van mensen met

een andere nationaliteit in het dagelijks

leven hinderlijk

14

13

12

13

mening over het met voorrang aanstellen

van buitenlanders bij de overheid

(zeer) mee eens

28

24

27

27

mee eens, noch oneens

16

18

17

22

mee oneens

37

37

41

36

zeer mee oneens

18

21

15

16

Bron: Gegevens afkomstig van onderzoek Culturele veranderingen in Nederland, 1991-2000.

Het onderzoek „God in Nederland” uit 1966 bevatte een vraag naar het oordeel over mensen van een ander ras als naaste buren, welk oordeel als een indicatie voor de gewenste sociale afstand kan worden beschouwd. In 1966 was het oordeel „geen enkel bezwaar” nog vrij algemeen. In 1975 was dat teruggelopen tot minder dan twee derde van de ondervraagden en in 1980 kon nog maar de helft duidelijk tolerant genoemd worden. Daarna, tot 1991, veranderde de beoordeling weinig. 1991 en werden de meningen er voor het wonen naast buitenlanders ongunstiger op. In 1991 had 55% daar geen bezwaar tegen, in 2000 was dat 47%.

Tabel 16. De mening over mensen van een ander ras als naaste buren, 17-74 jaar, 1966-2000 (in procenten).

1966

1975

1980

1985

1991

1995

2000

De acceptatie van mensen

van ander ras als naaste buren

geen enkel bezwaar

86

60

50

53

55

57

47

hangt ervan af

2

12

25

25

22

21

38

vindt het minder prettig

12

26

23

20

20

20

19

zou zich er tegen verzetten

1

3

2

2

3

2

2

Bron: Gegevens afkomstig van onderzoek God in Nederland,1966, onderzoek Culturele veranderingen in Nederland, 1975-2000.

De neiging tot ongelijke behandeling van buitenlanders is onderzocht met vragen over drie situaties: er moet een leegstaande woning toegewezen worden, op het werk kan er iemand een promotie krijgen of – een minder gelukkige omstandigheid – er moet iemand ontslagen worden. Wie krijgt het begerenswaardige goed en wie moet er pech hebben? Figuur 6 beantwoordt deze vraag. Een hoge score duidt daarbij op een sterke neiging tot discrimineren. Over het algemeen nam deze in de eerste helft van de jaren tachtig af, daarna steeg zij weer, waarna sinds 1993 een daling inzette. Na 1985 ontstond er een scheiding tussen de sfeer van het wonen en die van de arbeid. Als het erop aankwam een leegstaande woning aan een buitenlands gezin te gunnen, dacht men voor de buitenlanders negatiever dan bij het reserveren van promoties voor Nederlanders of bij het ontzien van buitenlanders als er een ontslag moest vallen. Terwijl de ongelijke behandeling bij de woning na 1993 op hetzelfde, vrij hoge niveau bleef nam de neiging tot discriminatie in de sfeer van de arbeid zelfs af. In 1998 deed zich een piek in de neiging tot ongelijke behandeling voor. Zie figuur 6.

Ondanks mogelijke speculaties over de neiging van mensen een zondebok aan te wijzen, is het onwaarschijnlijk dat conjuncturele neergang het oordeel over de buitenlanders er negatiever op maakt. In het begin van de jaren tachtig trad er een aanzienlijke recessie op, maar de neiging tot discriminatie nam juist af. Het aantal buitenlanders in Nederland is van meer belang. In 1966 waren zij er bijna niet en het antwoord dat in dat jaar op de „burenvraag” gegeven werd doet vermoeden dat men buitenlanders, althans in theorie, zou verwelkomen. De mate waarin buitenlanders toestromen, waarvan de bevolking in het dagelijks leven en via de media kennisneemt, is echter van doorslaggevend belang. Dit werd verondersteld in: Sociaal en Cultureel Rapport 1994, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk-Den Haag, 1994, p. 547.

Tesser et al. concludeerden op grond van dezelfde gegevens als hier werden gepresenteerd, dat de discriminatiegeneigdheid het verloop van de immigratiecijfers met een vertraging van een jaar volgde, zie: P.T.M. Tesser et al., Rapportage minderheden 1995. Concentratie en segregatie, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk, 1995, pp. 160-194.

Een grote toestroom van buitenlanders, zoals in het begin van de jaren negentig die van de asielzoekers, gaat gepaard met het ongunstiger worden van de oordelen en creëert een onrustig klimaat rond de allochtonen, zie: Bijlage 23.901, Handelingen Tweede Kamer, 1994-1995, nrs. 1-2, bijlage 6, P.T.M. Tesser, F.A. van Dugteren en C.S. van Praag, Rapportage minderheden 1994. Ruimtelijke spreiding van allochtonen. Ontwikkelingen, achtergronden, gevolgen.

Scroll naar top