Inhoud

New social movement approach

De resource mobilization approach is bepaald niet door alle onderzoekers van sociale bewegingen met gejuich begroet. In de jaren tachtig is er langzamerhand een nieuwe benadering van sociale bewegingen uitgekristalliseerd, die bekend staat als de new social movement-approach.

De aanhangers van deze benadering contrasteren nieuwe sociale bewegingen als de milieu-, vredes- en vrouwenbeweging veelal met de oude beweging, in casu de arbeidersbeweging. Kenmerkend voor de arbeidersbeweging waren haar op marxistische uitgangspunten gebaseerde revolutionaire of reformistische doelstellingen, haar doelrationele, strategische oriëntatie, haar geloof in de „onschuld” van de productiekrachten en in technische vooruitgang, haar geloof in de wetenschap en in de moderne organisatie, kortom: haar naadloze invoeging in het moderniseringsproces. De eigenschappen van nieuwe sociale bewegingen waren daarentegen hun op postmaterialistische uitgangspunten gebaseerde streven naar „participatie”, „ontplooiing” en „basisdemocratie”, hun waarderationele, expressieve oriëntatie en hun kritische reflectie op techniek en technologie en wetenschap en hun afwijzing van formele, strakke organisatievormen, kortom: een breuk met het moderniseringsproces.

Niet alleen de cultuur, in de zin van het geheel van waarden en doelstellingen, maar ook de sociale samenstelling van nieuwe sociale bewegingen is anders dan die van de arbeidersbeweging. De arbeidersbeweging steunde uiteraard vooral op de „traditionele arbeidersklasse”, laag- en ongeschoolde handarbeiders. De nieuwe sociale bewegingen daarentegen hebben hun grootste aanhang onder jonge, hoog opgeleide mensen die vooral in de niet-commerciële dienstverlenende sector werkzaam waren. Omdat deze „nieuwe middenklasse” in omvang toeneemt terwijl het relatieve gewicht van de traditionele arbeidersklasse gestaag vermindert, zouden de nieuwe sociale bewegingen de arbeidersbeweging steeds meer op het tweede plan dringen.

Hiermee is al een eerste verklaring genoemd voor de opkomst van nieuwe sociale bewegingen: de veranderende klassenverhoudingen. Het is niet verbazingwekkend dat „post-marxistische” auteurs als Touraine en Habermas op deze factor de nadruk gelegd hebben.

Touraine beschouwt evenals marxisten de klassenstrijd als de motor van de geschiedenis, maar hanteert een veel breder klassenbegrip. Een klasse is volgens hem een „historisch subject”, een sociale categorie die zich richt op de in een bepaalde maatschappij centrale problematiek. Een klasse hoeft dan ook niet noodzakelijk te bestaan uit een groep mensen die een gemeenschappelijke relatie heeft tot de productiemiddelen. Vroeger was de tegenstelling kapitaal-arbeid de centrale problematiek en was de arbeidersklasse het historisch subject. Die tegenstelling is niet verdwenen maar inmiddels als maatschappelijk probleem in belang overtroffen door de technologie en technocratie. Voor Touraine was dat in 1983 aanleiding de antikernenergiebeweging uit te roepen tot „historisch subject”. Zie: A. Touraine e.a., Anti-Nuclear Protest. The Opposition to Nuclear Energy in France, Cambridge, 1983.

Habermas voert de opkomst van nieuwe sociale bewegingen terug op de „kolonisatie van de levenswereld”, waarmee hij doelt op het verschijnsel dat de staat en het bedrijfsleven steeds meer binnendringen in de privé-sfeer, waarmee de vanouds de burgerlijke maatschappij kenmerkende scheiding tussen publieke en private sfeer ophoudt te bestaan. Daardoor draaien de conflicten niet meer om verdelingsproblemen maar om wat Habermas noemt de „Grammatik von Lebensformen”. Volgens hem maakt de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid als centrale tegenstelling plaats voor het conflict tussen de sociale lagen die direct verbonden zijn met het productieproces en er belang bij hebben de kapitalistische economische groei te verdedigen, en een bont samengestelde periferie, waar de nieuwe middenklasse, jongeren en hoger opgeleiden deel van uitmaken.

Zie hiervoor:

  • J. Habermas, De nieuwe onoverzichtelijkheid en andere opstellen, Meppel, 1989
  • J. Habermas, Recht en moraal. Twee voordrachten, Kampen, 1988
  • J. Habermas, Neue soziale Bewegungen, Ästhetik und Kommunikation, 12 (1982) 45/46, pp. 162-165.

Andere auteurs leggen meer de nadruk op algemene culturele veranderingen in de samenleving, waar de nieuwe sociale bewegingen het product én de motor van zijn.

De bekende behoeftenhiërarchie van de psycholoog Maslow wordt vaak als theoretisch fundament voor de veronderstelde culturele veranderingen gebruikt. Maslow vooronderstelt dat mensen in de eerste plaats behoefte hebben aan bevrediging van hun fysiologische behoeften (voedsel, kleding, onderdak) en aan veiligheid en zekerheid. Eerst als die behoeften bevredigd zijn, komen „hogere behoeften” aan bod, zoals de behoeften aan waardering en persoonlijke ontplooiing. Welnu, pas in de loop van de twintigste eeuw zijn in de westerse samenleving voor grote delen van de bevolking de fysiologische behoeften en de behoefte aan veiligheid en zekerheid bevredigd. Nog tijdens de grote crisis van de jaren dertig leden velen gebrek en voor het gros van de Europeanen was de Tweede Wereldoorlog een buitengewoon onveilige tijd. Maar sindsdien heeft zich in West-Europa en de Verenigde Staten een ongekende economische groei voorgedaan en zijn de westerse landen niet meer in grote militaire conflicten betrokken geraakt. Daardoor zijn de behoeften aan waardering en persoonlijke ontplooiing steeds meer op de voorgrond gekomen.

Een soortelijke redenering volgt de Amerikaanse politicoloog Inglehart, die gewag maakt van een „silent revolution” die kenmerkend zou zijn voor de westerse samenleving. Gedurende de jaren vijftig en zestig is er een generatie opgegroeid die, in tegenstelling tot de vooroorlogse generaties, geen gebrek, oorlog en andere ontberingen gekend heeft. Daardoor doet zich in het waarde- en normenpatroon van de westerse samenlevingen een ingrijpende verandering voor, die Inglehart als een „revolutie” typeert, namelijk de vervanging van een materialistisch door een „postmaterialistisch” waardepatroon. Inglehart noemt de revolutie „stil”, omdat zij zich als het ware geruisloos voltrekt. Helemaal stil blijft het overigens niet, want de „revolutie” manifesteert zich onder andere in het fenomeen „nieuwe sociale beweging”. Daarnaast treden er veranderingen in het stemgedrag op; naast de „traditionele” conservatieve, christelijke, liberale, socialistische en communistische partijen ontstaan nieuwe, groene en libertaire partijen, die vooral de stemmen van jongeren trekken. Men denke aan D66 en Groen Links in Nederland, Agalev en Ecolo in België en Die Grünen in de Bondsrepubliek.

Zie hierover: R. Inglehart, The Silent Revolution. Changing Values and Political Styles among Western Publics, Princeton, 1977.

De gedachtengang van Inglehart is in ons land min of meer toegepast door de socioloog Becker, die in zijn boek „Generaties en hun kansen” verschillende „generaties” onderscheidt, waarvan er één de protestgeneratie is. De leden van de protestgeneratie kwamen tussen 1940 en 1955 ter wereld, groeiden op tijdens het maatschappelijk protest van 1968 tot 1975, waren ten dele de gangmakers van dit protest en zijn het symbool van de toenmalige opstandigheid geworden. De „Becker-these” heeft veel aandacht getrokken en is aanleiding geweest tot een tamelijk brede wetenschappelijke discussie, waarbij critici van Becker naar voren brachten dat de door Becker gepostuleerde grote verschillen tussen generaties in de empirie niet terug te vinden zijn.

Zie verder:

  • I. Diepstraten, P. Ester en H. Vinken, Mijn generatie. Zelfbeelden, jeugdervaringen en lotgevallen van generaties in de twintigste eeuw, Tilburg, 1998
  • H. Becker, Generaties en hun kansen, Amsterdam, 1992.

De visie van de aanhangers van de „new social movement approach” op de verhouding tussen sociale bewegingen en het moderniseringsproces is veel minder ondubbelzinnig dan die van de voorstanders van de andere genoemde benaderingen, juist vanwege de grote heterogeniteit onder de protagonisten van deze zienswijze. Er zijn tenminste drie verschillende visies te onderscheiden, die hier aangeduid worden als de romantische visie, de postmodernistische visie en de Verlichtingsvisie. Die visies komt men niet alleen bij wetenschappelijke onderzoekers en publicisten, maar ook, impliciet of expliciet, bij activisten uit de bewegingen zelf tegen.

Kenmerkend voor de romantische visie is de accentuering van de expressiviteit van nieuwe sociale bewegingen, die niet strategisch of instrumenteel maar waarderationeel of expressief handelen. Authenticiteit, persoonlijke groei en ontplooiing, expressiviteit zijn bij uitstek romantische idealen. Daarnaast zouden nieuwe sociale bewegingen een analytische, atomistische denkwijze van de hand wijzen ten gunste van een synthetische, holistische denktrant; „het geheel is meer dan de som der delen”. Dit vertaalt zich in een verlangen naar „heelheid” en een afscheid van het denken in „polariteiten”.

Een duidelijke representant van dit romantische denken is de „persoonlijke groeibeweging”, het netwerk van actoren dat zich kenmerkt door een preoccupatie met innerlijk heil, bewustwording en spiritualiteit.

De postmodernistische visie is in zekere zin de antipode van de romantische visie; zij blikt niet terug maar vooruit en legt de nadruk op heterogeniteit, pluralisering en fragmentatie, op onvoorspelbaarheid en ongrijpbaarheid en op het zoeken naar dissensus en het onbekende; sociale bewegingen streven niet naar een alternatief voor het „systeem” maar doorbreken de spelregels ervan.

Gedurende bepaalde periodes lijken sommige sociale bewegingen ook in ons land enige „postmoderne” trekken vertoond te hebben. Te denken valt dan aan de Provo-beweging halverwege de jaren zestig. De provo’s provoceerden inderdaad de gezagsdragers; zij verrichtten ogenschijnlijk zin- en doelloze activiteiten, zoals „happenings” en het uitdelen van krenten, waar de autoriteiten geen raad mee wisten. Zodra groeperingen eisen aan de overheid stellen, bevinden politici en ambtenaren zich op vertrouwd terrein; zij kunnen de eisen inwilligen of afwijzen dan wel in onderhandeling treden, maar zij weten in ieder geval wat hun toe doen staat. Als een organisatie daarnaast een ideologie formuleert, zijn haar activiteiten ook te duiden. Weliswaar kan men de ideologie als zodanig volstrekt afwijzen, in ieder geval is men dan in staat een bevredigende verklaring voor de met die ideologie verbonden handelingen te geven.

Provo had geen formele organisatie, geen uitgewerkte ideologie en geen aan de bevoegde instanties gerichte eisen; wat moesten de autoriteiten daarmee? Uiteindelijk wist het Amsterdamse gemeentebestuur geen ander antwoord te vinden dan inzet van de politie, waardoor de „happenings” totaal uit de hand liepen. De provo’s hadden daarmee bereikt wat zij wilden: de autoriteiten waren van hun voetstuk gevallen en hadden hun gezicht verloren. „Het systeem” was door alle provocaties aan het wankelen geraakt, zonder dat de provo’s daar een uitgewerkt alternatief voor in de plaats stelden.

Ook delen van de vrouwen- en kraakbeweging hebben in de jaren zeventig op een soortgelijke wijze „het systeem” getart door onvoorspelbare, niet in „systeemtermen” te vatten acties te voeren. Een voorbeeld is dat een keer op een demonstratie enkele betogers een spandoek meedroegen waarop alleen te lezen stond: „spandoek”. Door middel van ogenschijnlijk absurde en zinloze acties onttrokken delen van de vrouwen- en kraakbeweging zich gedurende een bepaalde tijd op „ironische” wijze aan de „premissen” van het „systeem”, waardoor zij voor het „establishment” ook nauwelijks grijpbaar waren.

De vreugde was evenwel van korte duur. Al spoedig ontwikkelde met name de kraakbeweging een gesloten, links-radicale ideologie, die veel weg had van een samenzweringstheorie: de staat speelde onder één hoedje met het grootkapitaal. Het verzet van de kraakbeweging kreeg een even militant als voorspelbaar karakter, zodat vooral Amsterdam in de jaren 1980-1982 het toneel was van veldslagen tussen politie en krakers. De kraakbeweging kreeg in steeds sterkere mate een sektarische en dogmatische inslag, waardoor interne meningsverschillen nauwelijks meer getolereerd werden. Het resultaat van alle botsingen met de sterke arm was dat de krakers vrijwel geen sympathie genoten onder de bevolking en weliswaar enkele „slagen” gewonnen maar de „oorlog” met de overheid verloren hadden.

De meest uitgesproken exponent van de Verlichtingsvisie is de Duitse socioloog en filosoof Habermas, die al diverse malen in figuurlijke zin de degens gekruist heeft met postmoderne denkers.

Centraal in Habermas” beschouwingen staat het onderscheid tussen systeem en levenswereld. Onder het systeem verstaat hij die structuren van de maatschappij die de materiële reproductie ervan op zich nemen. In het systeem is instrumenteel handelen het dominante coördinatiemechanisme. Habermas onderscheidt twee subsystemen in het systeem, de „economie” en de „staat”. Beide subsystemen hebben elk een eigen „medium” om hun handelingen te coördineren, te weten „geld” en „macht”.

Onder „communicatief handelen” verstaat Habermas handelen dat gericht is op gedeeld begrip, op overeenstemming tussen mensen. Communicatief handelen situeert Habermas op het niveau van de levenswereld van maatschappijen, dat wil zeggen de structuren van de samenleving die zorg dragen voor de symbolische reproductie van de maatschappij. De coördinatie van de handelingen van mensen op dit niveau krijgt dan ook vorm door communicatief handelen.

Habermas constateert dat in de huidige westerse samenlevingen het systeem, in casu de subsystemen economie en staat, de levenswereld steeds meer binnendringt, een proces dat hij aanduidt als kolonisatie van de levenswereld. Het grote gevaar van die ontwikkeling is dat daardoor ook in de leefwereld een eenzijdige, instrumentele rationaliteit de overhand krijgt ten koste van de communicatieve rationaliteit. Aspecten van die ontwikkeling zijn instrumentalisering van de arbeid, monetarisering van diensten, manipulatie van consumentengedrag en afhankelijkheid van de cliënten van steeds machtiger staatsapparaten.

Habermas meent echter dat er nog hoop is, want er zijn krachten die zich verzetten tegen de „imperatieven van het systeem”. Dat zijn niet de arbeidersbeweging en de met haar verbonden politieke partijen, maar de nieuwe sociale bewegingen, die volgens Habermas opereren „… op het gebied van de culturele reproduktie, de sociale integratie en de socialisatie, op de naad van systeem en leefwereld”. Zij reageren op drie globale probleemsituaties, door Habermas aangeduid als „… groene problemen; problemen voortspruitend uit overcomplexiteit; en tenslotte problemen die samenhangen met de overbelasting van de communicatieve infrastructuur”.

Habermas is beslist geen postmodernist; hij houdt vast aan het „project van de Verlichting” en is er in zekere zin zelfs op uit om een bijdrage te leveren aan de vervulling van de tot op heden niet ingeloste beloften van de Verlichting. Zijn theorie heeft ook universalistische pretenties en communicatief handelen is niet gericht op pluralisme en zo veel mogelijk verscheidenheid maar op consensus en onderlinge verstandhouding.

Zie:

  • J. Habermas, De nieuwe onoverzichtelijkheid en andere opstellen, Meppel, 1989
  • J. Habermas, Recht en moraal. Twee voordrachten, Kampen, 1988
  • H. Kunneman, Habermas” theorie van het communicatieve handelen. Een samenvatting, Meppel, 1985
  • J. Habermas, Neue soziale Bewegungen, Ästhetik und Kommunikation, 12 (1982) 45/46: 162-165.

Andere belangrijke publicaties in het kader van de new social movement-approach zijn:

  • J.W. Duyvendak, H.A. van der Heijden, R. Koopmans en L. Wijmans (red.), Tussen verbeelding en macht. 25 Jaar nieuwe sociale bewegingen in Nederland, Amsterdam, 1992
  • E. Snel en B. van Steenbergen (red.), Sociale bewegingen en cultuur, Utrecht, 1985
  • H. van der Loo, E. Snel en B. van Steenbergen, Een wenkend perspectief? Nieuwe sociale bewegingen en culturele veranderingen, Amersfoort, 1984
  • K.W. Brand, Neue soziale Bewegungen. Entstehung, Funktion und Perspektive neuer Protestpotentiale. Eine Zwischenbilanz, Opladen, 1982.

De laatste jaren zijn er pogingen ondernomen om de diverse theoretische benaderingen, zoals de resource mobilization approach en de new social movement-approach, te integreren. Zie: D. McAdam, J.D. McCarthy en M.N. Zald (red.), Comparative perspectives on social movements. Political opportunities, mobilizing structures, and cultural framings, Cambridge, 1996.

Scroll naar top