Inhoud

Onderhandelingen Europese Defensiegemeenschap en verdere Europese samenwerking

Na de totstandkoming van de EGKS leek het er even op of de samenwerking op de terreinen van kolen en staal uitgebreid zou worden naar het terrein van de veiligheid. Dit Franse streven, gepresenteerd door de Franse minister-president R. Pleven maar eveneens geïnspireerd door Monnet, vond steun buiten Frankrijk. De achtergrond ervan bestond uit het uitbreken van de Koreaanse oorlog en de Amerikaanse wens Duitsland in het kader van de verdediging van het vrije Westen tegen het communisme te herbewapenen. Om te voorkomen dat de Duitse herbewapening zich opnieuw tegen Europese landen kon keren, stelde Pleven een geïntegreerd West-Europees leger voor met een Europees opperbevel. Dit moest in het kader van de NAVO samen met Amerikaanse en Britse divisies zorg gaan dragen voor de verdediging van West-Europa. Geleidelijk aan zouden, zij het in beperkte mate, ook West-Duitse troepen in dit Europese leger worden opgenomen. In mei 1952 tekenden de zes leden van de EGKS het verdrag voor een Europese Defensie Gemeenschap (EDG), met als vervolg in maart 1953 een overeenkomst over een Europese Politieke Gemeenschap (EPG). Nederland aarzelde. Het zag voordelen in de EDG, omdat het tot een normalisatie van de betrekkingen met Duitsland zou leiden, maar vond ook dat de EDG binnen de Noord-Atlantische samenwerking moest passen. Nederland nam aanvankelijk slechts als waarnemer deel aan de EDG-conferentie in Parijs. Stikker vond de constructie geografisch te beperkt, te federalistisch en een mogelijke ondermijning van de Atlantische eenheid. Bovendien zou Nederland zich binden aan een door Frankrijk gedomineerde politieke constructie, waaraan Groot-Brittannië waarschijnlijk niet zou deelnemen. Omdat de VS het EDG-plan al eerder had geaccepteerd, liet Nederland zijn afwijzende houding varen, maar stond erop dat de band tussen de EDG en Groot-Brittannië en de VS expliciet werd vastgelegd. Tegenover een politieke gemeenschap stond Stikker zeer terughoudend. In augustus 1954 kwam aan het streven naar een EDG een einde. Dit was vooral het gevolg van strijd in de Franse Nationale Vergadering tussen voor- en tegenstanders van het EDG-plan, die ermee eindigde dat Frankrijk het plan niet ratificeerde. De overige landen, op Italië na, hadden dit wel gedaan.

In september 1952 kreeg Beyen als minister van Buitenlandse Zaken alle multilaterale aangelegenheden met uitzondering van de Verenigde Naties in zijn portefeuille. Zonder aanhanger van het Europese federalisme te zijn was hij meer Europees-georiënteerd dan Stikker. Hij begreep dat de in 1953 aangetreden Amerikaanse regering onder leiding van D. Eisenhower minder bereid was zich aan West-Europa te binden dan de voorgaande onder leiding van Truman. Hij zag de EGKS als een realistischer raamwerk voor economische samenwerking dan de OEES, die met het aflopen van de Marshallhulp feitelijk haar taak had beëindigd. En hij zag de Europese Politieke Gemeenschap als een mogelijkheid om meer Europese eenheid te bereiken, ook al beperkte die zich dan tot vooralsnog zes staten. Hij wilde de EPG evenwel niet gebruiken voor militaire en politieke samenwerking maar voor het bereiken van een douane-unie zonder interne tarieven en met een gemeenschappelijk buitentarief. Met deze algemene visie keerde hij zich tegen de toen dominante sectorgewijze aanpak. Eind 1952 begon Beyen de overige EGKS-leden met zijn opvattingen te benaderen en deze in de besprekingen over de EPG in te brengen. Hij ontmoette er de nodige tegenstand en zag zijn invulling van de EPG van tafel verdwijnen toen Frankrijk in 1954 de EDG niet ratificeerde.

Nadat Monnet in november 1954 bekend had gemaakt geen tweede termijn als voorzitter van de Hoge Autoriteit te ambiëren, leidden besprekingen tussen hem en Spaak tot voorstellen aan de ministers van Buitenlandse Zaken van Duitsland, Frankrijk en Italië in april 1955. Deze betroffen verdere sectorintegratie (verkeer, energie en een nieuwe gemeenschap voor atoomenergie) evenals een conferentie over deze voorstellen. Spaak nam contact op met zijn Benelux-collegae. Beyen, die in de Kamer bekend maakte het integratieproces nieuw leven te willen inblazen, kwam met een eigen memorandum. Daarin volgde hij niet Monnets sectorintegratie maar de algemene weg van douaneunie naar gemeenschappelijke markt. Na contacten hierover tussen Monnet en Spaak, bereikten Spaak en Beyen overeenstemming over een compromis, dat op 18 mei aan Frankrijk, West-Duitsland en Italië werd voorgelegd. Het Nederlands kabinet zelf stond sceptisch tegenover deze poging en ook de reacties van de grote landen waren lauw. Het Beneluxmemorandum pleitte voor grotere eenheid in economische sectoren die aan de EGKS grensden. Deze sectorale uitbreiding op de drie genoemde terreinen zou echter alleen plaats kunnen vinden binnen het streven naar algemenere economische integratie in de vorm van een economische gemeenschap. Daartoe was het nodig gemeenschappelijke instellingen te creëren, een gemeenschappelijke markt te vormen en geleidelijk aan het sociale beleid te harmoniseren.

Op de EGKS-conferentie in Messina in juni 1955 werd een opvolger voor Monnet benoemd en werd het Beneluxmemorandum besproken, dat hierdoor een rol speelde in de “relance européenne”. De drie Beneluxministers besloten zich niet te verzetten tegen onderwerpen die hun collegae uit de grote landen zouden inbrengen, zolang zij hun procedurele voorstellen maar aanvaard kregen. Kern hiervan was de instelling van een comité van regeringsvertegenwoordigers, ondersteund door deskundigen en onder leiding van een “politieke persoonlijkheid”. De opdracht daarvan was de verschillende besproken aspecten van Europese samenwerking te laten bestuderen en uit te werken tot een voorstel voor een intergouvernementele conferentie. Dit gelukte, al kostte het grote moeite Frankrijk over de streep te trekken. Het comité kwam onder leiding van Spaak te staan. Het rapport-Spaak dat in mei 1956 in Venetië door de ministers van Buitenlandse Zaken van de EGKS werd aanvaard, maakte het mogelijk besprekingen te beginnen over verdragen voor een Europese Economische Gemeenschap en een gemeenschap voor atoomenergie (Euratom). De oprichting van beide in maart 1957 zou Beyen niet meer als minister meemaken. Hij was er wel als gast aanwezig, maar Luns, die in 1956 de enige minister van Buitenlandse Zaken was geworden, tekende. Intussen was met het Spaak-rapport het Nederlandse oogmerk van een niet-protectionistische douane-unie en in het verlengde daarvan een gemeenschappelijke markt mogelijk gemaakt.

De Europese samenwerking leidde op het ministerie van Buitenlandse Zaken onder leiding van minister Luns tot een staatssecretaris voor Europese aangelegenheden (eind 1956 voor het eerst bezet door E.H. van der Beugel) en in 1957 tot vorming van het Directoraat-Generaal Europese Samenwerking (DGES). Dat het ministerie van Buitenlandse Zaken woordvoerder voor Europese aangelegenheden werd, betekende dat het ministerie van Economische Zaken opnieuw het onderspit delfde, al bleef de BEB belast met de interdepartementale economische coördinatie. Hoe economisch ook, Europese samenwerking was vooral een politieke zaak. Daarbij kwam er een coördinerende ministeriële Raad voor Europese Aangelegenheden.

Zie voor de beginnende West-Europese samenwerking:

  • A.G. Harryvan, J. van der Harst en S. van Voorst (red.), Voor Nederland en Europa. Politici en ambtenaren over het Nederlandse Europabeleid en de Europese integratie, 1945-1975, Den Haag, 2001
  • W.H. Salzmann, Herstel, wederopbouw en Europese samenwerking. D.P. Spierenburg en de buitenlandse economische betrekkingen van Nederland 1945-1952, Den Haag, 1999
  • R.H. Lieshout, De organisatie van de West-Europese samenwerking. Een voortdurende strijd om de macht, Bussum, 1997
  • D. Spierenburg, R. Poidevin, Histoire de la Haute Autorité de la Communauté Européenne du Charbon et de l’Acier: une expérience supranationale, Brussel, 1993
  • A.S. Milward, The European Rescue of the Nation-State, Londen, 1992
  • A.G. Harryvan, A.E. Kersten, “Nederland, de Benelux en de “relance européenne”, 1954-1955”, in: N.C.F. van Sas (red.), De kracht van Nederland, Haarlem, 1992, pp. 171-191
  • R.H. Griffiths (red.), The Netherlands and the Integration of Europe 1945-1957, Amsterdam, 1990
  • J.W. Beyen, Het spel en de knikkers. Een kroniek van vijftig jaren, Rotterdam, 1968.
Scroll naar top