Inhoud

Opkomst

Elke vier jaar zijn er in maart gemeenteraadsverkiezingen. Deze verkiezingen worden gehouden volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Er bestaan twee verschillende systemen om restzetels te verdelen. In gemeenten met meer dan 20.000 inwoners worden de restzetels verdeeld volgens het stelsel van de grootste gemiddelden. Er is geen kiesdrempel. In gemeenten met 20.000 inwoners of minder worden de restzetels verdeeld volgens het systeem van de grootste resten. Hierbij wordt een kiesdrempel gehanteerd van 75% van de kiesdeler.

In paragraaf 1 is bij de beschrijving van de belangrijkste artikelen van de gemeentewet aangegeven wie stemgerechtigd zijn bij de gemeenteraadsverkiezingen. Kort gezegd komt het er op neer dat de ingezetenen van een gemeente, zowel Nederlanders als niet-Nederlanders die ten minste vijf jaar in Nederland wonen, van 18 jaar en ouder hun stem mogen uitbrengen. In de praktijk maakt niet iedere burger van zijn stemrecht gebruik (zie tabel 29).

Onderstaande tabel toont dat de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen sterk is gedaald na de afschaffing van de opkomstplicht in 1970. Dat is over de hele linie het geval, al zijn er grote verschillen tussen de provincies. In Noord- en Zuid-Holland is de opkomst ongeveer 10% lager dan in Drenthe en Friesland. De opkomst varieert van verkiezing tot verkiezing. Het ligt voor de hand om de gemeenteraadsverkiezingen te vergelijken met verkiezingen voor de Tweede Kamer. Uit tabel 30 blijkt dat de opkomst bij Tweede-Kamerverkiezingen ongeveer 10% hoger ligt dan bij de gemeenteraadsverkiezingen. Ook bij de Tweede-Kamerverkiezingen is overigens de opkomst gedaald na de afschaffing van de opkomstplicht.

Er bestaan grote verschillen in opkomst tussen gemeenten. In kleine gemeenten is de opkomst hoger dan in (grote) steden. Dit wordt getoond in de tabellen 31 en 32, waar opkomst wordt gerelateerd aan urbanisatiegraad en inwonertal van gemeenten. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1990 is het verschil in opkomst tussen gemeenten met minder dan 5.000 inwoners en gemeenten met meer dan 100.000 inwoners meer dan 15%. Dit kan voor een deel het verschil in opkomst tussen de provincies in de randstad, die sterk geürbaniseerd zijn, en de provincies in het noorden (en in wat mindere mate ook in het oosten en zuiden), die meer een plattelandskarakter hebben, verklaren.

In 2014 verzocht het kabinet-Rutte II het Centraal Planbureau een onderzoek te doen naar de relatie tussen gemeentelijke herindeling en de opkomst bij verkiezingen. Het gaat om de volgende vragen:

  • Wat is de verhouding tussen omvang van de gemeente en het opkomstpercentage?
  • Wat is het effect van gemeentelijke herindelingen op het opkomstpercentage?

Zie: Bijlage 28.750, Handelingen Tweede Kamer, 2013-2014, nr. 59.

Opkomst per provincie bij gemeenteraadsverkiezingen, in percentages van het aantal stemgerechtigden, vanaf 1946.

1946

1949

1953

1958

1962

1966

1970

1974

1978

Groningen

88,1

91,4

94,4

94,3

93,8

93,8

73,1

74,0

79,0

Friesland

88,8

91,1

94,1

94,2

94,4

94,3

73,1

75,4

80,8

Drenthe

89,6

92,4

94,6

95,6

95,3

94,8

73,6

73,3

79,3

Overijssel

90,5

92,6

95,0

95,9

95,3

94,9

73,6

75,0

80,6

Flevoland

,

,

,

,

Gelderland

89,2

91,7

94,7

95,0

94,7

94,2

69,3

70,8

75,8

Utrecht

86,8

91,2

93,7

94,4

94,0

93,3

63,7

68,6

73,8

Noord-Holland

85,5

91,0

93,5

93,7

93,0

92,0

64,2

66,7

70,9

Zuid-Holland

89,0

90,8

93,4

93,7

92,9

91,5

63,4

66,0

70,6

Zeeland

89,1

90,8

92,0

94,2

94,4

93,7

71,1

72,2

76,1

Noord-Brabant

90,8

92,1

92,0

96,0

95,8

95,4

66,6

66,5

70,6

Limburg

91,6

93,3

94,5

95,9

96,3

96,0

73,2

71,6

75,2

Nederland

88,6

91,5

93,7

94,6

94,1

93,4

67,2

69,1

73,7

1982

1986

1990

1994

1998

2002

2006

2010

2014

Groningen

73,2

77,9

64,9

67,0

63,6

60,3

61,3

55,1

56,2

Friesland

75,7

81,0

70,2

69,8

63,8

63,4

63,1

55,8

57,7

Drenthe

74,7

80,4

69,5

69,7

57,1

59,9

62,5

54,5

56,6

Overijssel

74,7

79,4

69,0

69,5

64,5

57,3

62,7

56,6

56,6

Flevoland

75,9

61,1

64,9

58,0

54,5

53,9

57,3

52,2

Gelderland

70,9

75,6

65,6

66,6

61,6

60,7

61,0

56,1

57,0

Utrecht

68,7

73,5

62,3

65,4

62,2

61,5

59,6

56,6

57,5

Noord-Holland

64,7

69,9

57,6

62,4

55,8

55,0

55,9

52,8

52,6

Zuid-Holland

64,5

69,1

58,0

63,2

57,6

56,3

57,5

53,6

52,5

Zeeland

71,0

75,8

66,5

66,4

60,8

61,5

61,7

58,1

58,6

Noord-Brabant

66,0

71,7

60,8

63,7

53,8

56,5

55,6

50,7

50,2

Limburg

71,6

75,1

66,9

69,4

62,5

60,4

60,8

53,8

53,0

Nederland

68,3

73,2

62,3

65,3

59,0

57,9

58,6

54,1

54,0

Opkomst per provincie bij gemeenteraadsverkiezingen, in percentages van het aantal stemgerechtigden, vanaf 1946.

2018

Groningen

50,26

Friesland

57,97

Drenthe

57,02
Overijssel 59,81

Flevoland

51,11

Gelderland

58,19

Utrecht

60,23

Noord-Holland

54,43
Zuid-Holland 52,92

Zeeland

59,21

Noord-Brabant

51,22
Limburg 52,95

Nederland

54,97

 

Bron: CBS, Statistiek der Verkiezingen, Den Haag, 1946 e.v. jaren.

Klein (50PLUS) en Taverne (VVD) stelden in 2014 schriftelijke vragen over het “opmerkelijke aantal spookstemmen” uitgebracht bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2014. Maar minister Plasterk zag niet meer verschillen dan anders. Zie:

  • Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2013-2014, nr. 1716
  • Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2013-2014, nr. 1715. 

Opkomst per provincie bij gemeenteraadsverkiezingen en Tweede-Kamerverkiezingen, in percentages van het aantal stemgerechtigden, 2010.

Gemeenteraad

(2018)

Tweede Kamer

(2017)

Groningen

50,26

81,27

Friesland

57,97

82,49

Drenthe

57,02

82,39

Overijssel

59,81

83,52

Flevoland

51,11

79,69

Gelderland

58,19

83,27

Utrecht

60,23

84,80

Noord-Holland

54,43

81,88

Zuid-Holland

52,92

80,15

Zeeland

52,91

81,27

Noord-Brabant

51,22

81,27

Limburg

52,95

78,33

Nederland

54,97

81,57

Opkomst naar urbanisatiegraad bij gemeenteraadsverkiezingen, in percentages van het aantal stemgerechtigden, vanaf 1970.

Urbanisatiegraad

1970

1974

1978

1982

1986

1990

Plattelandsgemeenten (A1-A4)

77,4

77,7

82,6

77,9

81,3

71,8

Geïndustrialiseerde plattelandsgemeenten (B1-B2)

74,3

73,7

79,7

75,4

78,6

69,4

Specifieke forensengemeenten (B3)

66,8

70,4

76,1

70,9

75,8

64,4

Verstedelijkte plattelandsgemeenten (B1-B3)

78,3

73,6

77,5

67,4

Plattelandsstadjes (C1-C2)

65,4

67,3

75,1

69,8

74,3

63,3

Middelgrote steden (C3-C4)

65,4

67,3

70,7

64,8

70,5

57,9

Grote steden (C5)

58,2

60,6

65,4

58,4

64,7

51,8

Steden (C1-C5)

68,9

62,7

68,5

56,1

Nederland

67,2

69,1

73,7

68,3

73,2

62,0

Stedelijkheid

1994

Zeer sterk stedelijk (omgevingsadres-sendichtheid 2500 km2)

58,7

Sterk stedelijk (omgevingsadres-sendichtheid 1500-2500 km2)

60,5

Matig stedelijk (omgevingsadres-sendichtheid 1000-1500 km2)

64,6

Weinig stedelijk (omgevingsadres-sendichtheid 500-1000 km2)

68,7

Niet stedelijk (omgevingsadres-sendichtheid 500 km2)

72,7

Nederland

65,0

Toelichting: Voor 1970 en 1974 zijn geen geaggregeerde gegevens beschikbaar van de verstedelijkte plattelandsgemeenten en zijn de gegevens van C1-C4 niet uitgesplitst naar plattelandsstadjes en middelgrote steden. In 1994 is het CBS op een andere systematiek overgestapt voor „mate van verstedelijking”.

Bron: CBS, Statistiek der Verkiezingen 1970, Gemeenteraden, Den Haag, 1970; idem 1974, 1978, 1982, 1986, 1990 en 1994.

Opkomst naar inwonertal bij gemeenteraadsverkiezingen in percentages van het aantal stemgerechtigden, 1990.

Inwonertal

Opkomst gemeenteraadsverkiezingen

minder dan5.000 inwoners

77,4

005.000 tot 010.000 inwoners

72,3

010.000 tot 020.000 inwoners

69,7

020.000 tot 050.000 inwoners

64,9

050.000 tot 100.000 inwoners

57,4

100.000 of meer inwoners

51,9

Nederland

62,0

Bron: CBS.

Scroll naar top