Inhoud

Bondgenootschappelijke samenwerking

Het is onjuist te menen dat Nederland reeds direct na de bevrijding overtuigd was van de noodzaak tot militaire blokvorming. Temidden van de golf van idealisme die het denken over internationale betrekkingen op dat moment overspoelde, stelden de eerste twee na-oorlogse Nederlandse kabinetten groot vertrouwen in het vermogen van de Verenigde Naties als universele organisatie vrede en veiligheid in de wereld te verzekeren. Aan het vertrouwen dat de opstellers van het Nederlandse buitenlands beleid aanvankelijk in het collectieve veiligheidsstelsel van de nieuwe volkerenorganisatie hadden, lag de verwachting ten grondslag dat tussen de grote mogendheden, die tezamen Hitler hadden verslagen door samen te werken in de grote anti-fascistische oorlogsalliantie, voldoende overeenstemming zou bestaan om van de VN een doeltreffend instrument te maken. Niet de Sovjet- Unie maar nog steeds Duitsland werd als voornaamste bedreiging voor de veiligheid van Nederland beschouwd.

Zo verklaarde Van Kleffens (na de oorlog opnieuw minister van Buitenlandse Zaken) bijvoorbeeld in november 1945 in de Eerste Kamer dat de Sovjetrussische regering geen imperialistische bedoelingen had doch slechts op haar eigen wijze voor veiligheid zorgde (Handelingen Eerste Kamer, Tijdelijke Zitting 1945, p. 31). Samenwerking in het kader van de VN, binnen welke organisatie Nederland zich gaarne opwierp als spreekbuis voor andere volkeren, bleef het eerste doel op welks verwezenlijking het Nederlandse beleid gericht bleef, ook toen zich in de relaties tussen Rusland en de grote westelijke landen in de jaren 1946-1947 allengs meer spanningen gingen openbaren. Toen in november 1947 het parlement over dit beleid debatteerde (de verdeling van Duitsland in Oost en West had inmiddels een steeds definitiever karakter gekregen) weigerde de minister van Buitenlandse Zaken op dat ogenblik, mr. C.G.W.H. baron van Boetzelaer van Oosterhout, een discussie over een nieuwe stelling van prioriteiten. Hij gaf er de voorkeur aan af te wachten en te zien of de politieke situatie in Europa enigermate duidelijk werd. In feite volhardde de Nederlandse regering in haar afwijzende opstelling tegenover gedachten aan Europees federalisme of een Westeuropees blok.

Tenslotte was het de voltooiing van de Sovjetrussische overheersing in Oost-Europa (in februari 1948 grepen de communisten in Tsjechoslowakije geruggesteund door het Russische rode leger de macht) die de stoot gaf tot een grondige herwaardering van de internationale oriëntatie en de grondslag van het veiligheidsbeleid. De ondertekening op 17 maart 1948 van het Verdrag van Brussel, dat in tegenstelling tot het een jaar eerder door Frankrijk en Engeland afgesloten Verdrag van Duinkerken in feite niet alleen tegen Duitsland was gericht, kon worden gezien als een eerste stap op de weg naar definitieve alliantievorming. Al snel groeide het besef dat het samengaan van de vijf Westeuropese landen (de Benelux-landen, Frankrijk en Engeland) in het raam van de Westerse Unie, waarvan het Verdrag van Brussel de grondslag vormde, onvoldoende was om het Europese machtsevenwicht te herstellen. Gemeend werd dat de Westeuropese landen niet opgewassen zouden zijn tegen de als “overweldigend” beschouwde militaire kracht van de Sovjet Unie en haar Oosteuropese bondgenoten.

Ook in de buitenlandse betrekkingen van Nederland werd de “Russische dreiging” een hoofdthema. Talrijke malen werd door Nederlandse bewindslieden verwezen naar het expansionistische karakter van de Sovjetrussische ideologie, waarvan de Russische buitenlandse politiek in belangrijke mate een afspiegeling heette te zijn. De Nederlandse regering stond in de jaren 1948-1949 vierkant achter de conclusie van de andere Westeuropese regeringen (Engeland voorop) dat alleen met de steun van de Verenigde Staten, dus van buiten het continent, Europa weer in evenwicht kon worden gebracht. Aangezien inmiddels ook in het Amerikaanse Congres de weg was vrijgemaakt voor een blijvende betrokkenheid van de Verenigde Staten bij de veiligheid in Europa (de zogenaamde Vandenberg-resolutie), kon op 4 april 1949 het Noordatlantisch Verdrag worden ondertekend.

Door mede-ondertekening koos Nederland ondubbelzinnig voor een politiek van militaire gebondenheid in het kader van het Atlantisch Bondgenootschap en nam het voorgoed afstand van de vooroorlogse neutraliteit. De militaire samenwerking, maar ook de politieke samenwerking, tussen West-Europa en Noord-Amerika was een feit en Nederland zou daarin een werkzaam aandeel nemen. Tijdens het verdere verloop van de Koude Oorlog stelde Nederland zich als een trouwe bondgenoot van de Verenigde Staten op, terwijl in de eerste helft van de jaren vijftig het tot de pleitbezorgers van toetreding van West-Duitsland tot de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie behoorde. In de jaren 1954-1955 zou deze toetreding haar beslag krijgen via de omvorming van de Westerse Unie in de Westeuropese Unie (WEU), waarvan behalve West-Duitsland ook Italië deel zou uitmaken.

Scroll naar top