Inhoud

EGKS

Stikkers plan om de Europese economieën bedrijfstaksgewijze te liberaliseren had binnen de OEES in 1950 geen steun gevonden. In feite was zijn plan een reactie op de Fritalux-plannen tot uitbreiding van de Benelux van een jaar eerder. De onderhandelingen daarover waren weliswaar opgeschort maar zouden alsnog tot een vervolg kunnen leiden. Om een alternatief te hebben hadden Spierenburg en andere ambtenaren, onder wie M. Kohnstamm, gepleit voor een nieuw initiatief om de stagnerende besprekingen over liberalisering van het handels- en betalingsverkeer te doorbreken en het tariefniveau in West-Europa te verlagen. Vooral Frankrijk en Groot-Brittannië weigerden mee te werken aan verlaging van de douanetarieven. Behalve voor een bedrijfstaksgewijze aanpak hadden de Nederlandse ambtenaren gepleit voor het nemen van beslissingen met een gekwalificeerde meerderheid in plaats van unanimiteit. Binnen de OEES maakte Stikker met dit plan enige vorderingen, al was Groot-Brittannië weinig gecharmeerd van zijn aanpak.

Stikkers plan werd vooral doorkruist door het door de Franse minister van Buitenlandse Zaken R. Schuman in mei 1950 gepresenteerde plan om de Europese kolen- en staalproducenten te laten samenwerken en hun industrieën te plaatsen onder een supranationale Hoge Autoriteit met eigen bevoegdheden. Dit door J. Monnet, in Frankrijk belast met de economische planning, voorbereide plan wilde via economische en politieke integratie van West-Duitsland in West-Europa voorkomen dat Duitsland een twistappel van de grote mogendheden bleef en daardoor een gevaar voor de vrede. Frankrijk maakte hiermee duidelijk zich met Duitsland te willen verzoenen en stond andere landen toe deel te nemen aan een Frans-Duits samenwerkingsverband op het terrein van kolen en staal. Tegelijk was dit plan een manier om Frankrijk greep te geven op het West-Duitse herstel. Schuman had hiervoor de medewerking verkregen van de Duitse bondskanselier K. Adenauer. Ook de Amerikaanse regering stemde met het Schuman-plan in, vooral omdat hier sprake was van Europees initiatief. Groot-Brittannië reageerde terughoudend vanwege het supranationale karakter. Stikker wist als minister van Buitenlandse Zaken aanvankelijk niet goed wat hij van het Franse plan moest vinden, maar minister van Economische Zaken Van den Brink verklaarde dat supranationale organisatie het Europese protectionisme kon doorbreken. Feitelijk was de Nederlandse regering verdeeld, maar zij besloot Frankrijk te laten weten deel te nemen aan de besprekingen. Wel maakte zij een voorbehoud ten aanzien van de supranationale organisatie. Groot-Brittannië weigerde verder deel te nemen. Nederland en België konden korte tijd enig tegenwicht bieden, omdat Frankrijk en Duitsland partners zochten. Anders dan in de door Spierenburg gevoerde onderhandelingen, liet Monnet geen stenografische verslagen maken en legde hij de nadruk op het gezamenlijk oplossen van problemen. Dit bevorderde tijdens de besprekingen het onderlinge vertrouwen, al zag Monnet er ook niet tegen op minister Schuman te laten antwoorden op door Spierenburg opgeworpen Nederlandse bezwaren. Onderhandelingen in juni en juli tussen de zes landen (Frankrijk, West-Duitsland, de Benelux en Italië) leidden er toe dat naast de supranationale Hoge Autoriteit een intergouvernementele Raad van Ministers kwam, die de betekenis van het supranationalisme beperkte. Hiermee werd tegemoet gekomen aan de Nederlandse bezwaren. Een voorgestelde arbitragecommissie werd opgewaardeerd tot Hof van Justitie. Dit telde voor Nederland omdat het Hof de besluiten van de Hoge Autoriteit aan het verdrag kon toetsen zonder dat machtspolitieke overwegingen in het geding zouden zijn. Het duurde tot april 1951 voordat alle zaken waren uitonderhandeld. Uiteindelijk lag een doorzichtige en concurrentiebevorderende markt in het verschiet, waarmee de Hoogovens en de Nederlandse mijnen, ondanks nieuwe zaken zoals publicatie van prijzen en verkoopvoorwaarden, konden leven. Stikker, wiens voorkeur uitging naar een breder geografisch gebied, hield zijn bedenkingen over de beperkte omvang van zes staten. Op het laatste moment werden nog compromissen bereikt over de samenstelling van de Hoge Autoriteit en de wijze van stemmen in de Raad van Ministers, waardoor noch de grote landen, noch Italië en de Benelux een meerderheid konden vormen. Op 18 april 1951 ondertekenden de zes landen in Parijs het verdrag voor de deels supranationale Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS; European Coal and Steel Community, ECSC).

Na ratificaties door de zes staten trad de EGKS op 10 augustus 1952 voor vijftig jaar in werking. De eerste voorzitter van de Hoge Autoriteit was J. Monnet (1952-1955). Tot de Nederlandse leden van de Hoge Autoriteit hoorden D.P. Spierenburg (1952-1957 als lid en 1958-1962 als vice-voorzitter) en J. Linthorst Homan (1962-1963 als lid en 1963-1967 als voorzitter van de werkgroep voor concurrentievoorschriften). M. Kohnstamm, van 1950-1952 hoofd van de Bureau Duitsland op het ministerie van Buitenlandse Zaken en van 1950-1951 lid van de Nederlandse delegatie aan de onderhandelingen over het Schumanplan, was van 1952 tot 1956 secretaris van de Hoge Autoriteit van de EGKS. De uit de katholieke vakbeweging en politiek voortgekomen arbeidsrechtdeskundige Serrarens was van 1952 tot 1958, ondanks het feit dat hij geen jurist was, lid van het uit zeven leden bestaande Hof van Justitie van de EGKS. Hij was voorstander van Europese integratie en voorzitter geworden van de Europese Beweging in Nederland.

De gemeenschappelijke markten voor kolen en staal hadden als zodanig een beperkte betekenis. Wel werd de Italiaanse staalindustrie gedwongen concurrerend te worden en kwam een gemeenschappelijk schrootbeleid tot stand. Maar ondanks het kader van de EGKS hadden organisaties van producenten en nationale regeringen al spoedig weer het heft in handen bij het treffen van regelingen voor de productie van kolen en staal. Vooral Monnet kreeg het als voorzitter aan de stok met de ondernemers. Pas later zou de EGKS weer een oplossing voor gemeenschappelijke problemen bieden. De eind jaren zeventig ontstane stagnatie in de Europese staalindustrie leidde in 1980 tot invoering van productiequota, die na omvangrijke saneringen in 1988 konden worden afgeschaft. De instellingen van de EGKS fuseerden in 1967 met die van de Europese Economische Gemeenschap en Euratom en in 2002 kwam aan de EGKS een formeel einde. De voornaamste betekenis van de EGKS lag in de jaren vijftig. Toen kwam de Europese politieke samenwerking tussen in het bijzonder Duitsland en Frankrijk (met Amerikaanse instemming) van de grond en met het op gang komen van de Duitse economie halverwege de jaren vijftig begon West-Duitsland als motor van de West-Europese economie te functioneren. Het Duitse “Wirtschaftswunder” als deel van de politieke constellatie EGKS betekende dat Duitsland in West-Europa kon integreren (“Westintegration”).

De integratie van West-Duitsland in het nieuwe West-Europa was precies datgene waarnaar de Nederlandse regering had gestreefd. Dit werd niet bereikt via de intergouvernementele OEES onder leiding van Stikker, maar door de beperkt supranationale EGKS die door Schuman was voorgesteld. Europese integratie werd hiermee een nieuw element in de Nederlandse buitenlandse politiek, zowel in de vorm van deelname aan feitelijk door Frankrijk en Duitsland beheerste Europese samenwerkingsplannen als in de vorm van een zeker Europees idealisme. Dit laatste vond onder ambtenaren en politici enige weerklank. Het hield in dat samenwerking in de vorm van gemeenschappen, waarbij bepaalde bevoegdheden aan supranationale instellingen werden overgedragen, een democratisch en vreedzaam Europa dichterbij zou brengen, met als mogelijk laatste fase een federatief Europa (de term federatie zou later omstreden raken en in betekenis afnemen). Europese samenwerking als nieuw element betekende ook dat de Nederlandse buitenlandse politiek voortaan gekenmerkt zou worden door twee hoofdoriëntaties. De ene richtte zich waar het de onderlinge Europese veiligheid en economische ontwikkeling betreft, op de door West-Duitsland en Frankrijk geleide Europese integratie (“Europese samenwerking”), de andere waar het de mondiale veiligheid en economische ontwikkeling betreft, op de VS (“Atlanticisme”). Spanningen zouden niet alleen tussen Europese samenwerking en Atlanticisme ontstaan, maar ook tussen Franse en Duitse politieke bedoelingen, waarbij veelal het optreden van Duitsland Nederland nader aan het hart lag dan Frankrijk.

Scroll naar top