Inhoud

De Nederlandse Hervormde Kerk tot 1940

Het is duidelijk dat de ontkerkelijking in Nederland in de eerste helft van deze eeuw relatief voor een niet onbelangrijk deel de Nederlandse Hervormde Kerk trof. Het percentage Hervormden daalde van 48,6 in 1899 tot 41,3 in 1920 en 34,4 in 1930 (uiteraard is deze daling niet geheel gelijk te stellen aan ontkerkelijking, zij kwam immers ook voort uit overgang naar andere kerken en een geringer geboortecijfer dan bijvoorbeeld in Rooms-katholieke en Gereformeerde kring). Duidelijk is ook, dat de orthodoxe richtingen binnen de Hervormde Kerk beter bestand waren tegen het ontkerkelijkingsproces dan de vrijzinnige.

De verdeeldheid in richtingen of modaliteiten was na de Doleantie niet minder dan voorheen. Zij uitte zich in onmacht tot kerkordelijke reorganisatie. Ook toen de aandrang daartoe in de jaren dertig sterker werd, kon geen inhoudelijke overeenstemming bereikt worden en bleef besluitvorming achterwege. De getalsmatige verhouding tussen de diverse modaliteiten had daar uiteraard ook mee te maken. Ruwweg kan een indeling in vier richtingen gemaakt worden. In 1920 verhielden die zich naar schatting als volgt:

Tabel 2. De richtingen in de Nederlandse Hervormde Kerk, 1920.

Vrijzinnigen

618.956 (21,8%)

predikanten 472 (29,1 %)

Ethischen

854.651 (30,1%)

predikanten 461 (28,4%)

Confessionelen

789.191 (27,8%n)

predikanten 408 (25,2%)

Gereformeerden

572.798 (20,2%)

predikanten 281 (17,3%)

Bron: H. Knippenberg, De religieuze kaart van Nederland, Assen, 1992, p. 109.

Hoewel de grootste, was de Ethische modaliteit de laatste die zich organiseerde; de Ethische Vereniging werd pas in 1921 opgericht, een duidelijk eigen tijdschrift kreeg ze vanaf 1922 in Bergopwaarts, vanaf 1924 Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur geheten. Een typerende naam: niet de kerkelijke vragen, maar de bijbel, de cultuur en de persoonlijke vroomheid stelden jongere en invloedrijke ethische theologen als J.J.Ph. Valeton (1848-1912), Is. van Dijk (1847-1922), A.J.Th. Jonker (1851-1928) en P.D. Chantepie de la Saussaye (1848-1920) centraal.

Moderne theologen legden nu ook meer accent op de ethiek dan op rationalistische kritiek. Hun positie was na de Doleantie plaatselijk minder bedreigd dan voorheen, wat hun uittocht naar andere vrijzinnige kerkgenootschappen (inclusief de Nederlandse Protestantenbond, in 1870 opgericht en plaatselijk soms als een zelfstandige gemeente fungerend) deed afnemen. Een aantal op diverse tijdstippen ontstane organisaties ter verdediging der vrijzinnige beginselen binnen de Hervormde Kerk verenigde zich in 1913 in de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland.

Niet alle gereformeerd-gezinden waren met de Doleantie uitgetreden. Ph.J. Hoedemaker (1817-1910) bijvoorbeeld, theologisch hoogleraar aan de Vrije Universiteit, verzette zich tegen Kuypers actie. Hoedemakers opvattingen over volkskerk en een „staat met de bijbel” stonden haaks op Kuypers denken en optreden; hij verliet de Vrije Universiteit (1887) en werd weer Hervormd predikant en redacteur van het weekblad De Gereformeerde Kerk (1888) en voorman van de confessionele richting. Hij weigerde echter een blijvende rol te spelen in de Confessionele Vereniging, in 1864 mede door Groen van Prinsterer opgericht. De meer bevindelijk georiënteerde orthodoxen waren in 1886 evenmin uitgetreden. Zij vonden Hoedemaker echter niet rechtzinnig genoeg en prefereerden de traditie van de Nadere Reformatie boven die van het Réveil, die in de Confessionele Vereniging doorwerkte. In hun kring werd in 1906 naar aanleiding van synodale afwijzing van tuchtmaatregelen tegen de vrijzinnige ds. L.A. Bahler uit Oosterwolde (die de uniciteit van de christelijke heilsweg ontkende) een Gereformeerde Bond tot Vrijmaking der Nederlandsche Hervormde Kerken opgericht. Het leek even alsof die gereformeerde bond alsnog in dolerende richting koerste, maar een naams- en statutenwijziging maakte in 1909 duidelijk dat dit niet het geval was. De naam werd nu Gereformeerde Bond tot Verbreiding en Verdediging der Waarheid in de Nederlandse Hervormde (Gereformeerde) Kerk en de doelstelling te „komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val, en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk haar vanouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619”.

Van vrijmaking door opheffing van de organisatie van 1816 werd niet meer gesproken, de Gereformeerde Bond koos evenals de Confessionele Vereniging voor positionering binnen de Hervormde Kerk. In de praktijk bemerkten de gemeenteleden het verschil van Bonders met Confessionelen aan afwijzing van de gezangenbundel en sterker nadruk in de prediking op de verlorenheid van de mens en de toeëigening van het heil. In Bondsgemeenten was de bevinding en terughoudendheid ten opzichte van de Avondmaalsviering groter, de nadruk op mijding van wereldse zaken sterker. Confessionelen kozen politiek vooral voor de CHU, al genoot in het Interbellum ook de Hervormde (Gereformeerde) Staatspartij van ds. C.A. Lingbeek hun steun. Onder de Bonders werden duidelijke voorstanders van de ARP aangetroffen, zoals mede-oprichter prof.dr. Hugo Visscher (1864-1947) en voorzitter prof.dr. J. Severijn (1883-1966), maar velen kozen (na 1918) voor de Staatkundig Gereformeerde Partij.

In het Interbellum probeerden vooral moderne en ethische theologen, geschokt door de ervaringen van de Eerste Wereldoorlog, eigentijdse antwoorden op eigentijdse vragen te vinden door vernieuwde aandacht voor de liturgie, de zedelijk-maatschappelijke strijd en de oecumene. Participatie in de internationale oecumenische beweging vond overwegend op persoonlijke basis plaats; een oecumenische raad werd pas in 1937 gesticht. De liturgische beweging stimuleerde de totstandkoming van diverse nieuwe Bijbelvertalingen en de invoering van een nieuw gezangboek (1938), voorbereid door een commissie onder voorzitterschap van prof.dr. G. van der Leeuw (1890-1950).

De linkervleugel maakte in het Interbellum een belangrijke ontwikkeling door: zij richtte diverse eigen vrijzinnige organisaties op (waaronder de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep) en sloot zich door K.H. Roessingh (1886-1925) nauwer bij de christelijke traditie aan om daaruit kracht te putten voor de zedelijke strijd, persoonlijk en maatschappelijk. Van dat laatste gaf dr. G.J. Heering (1879-1956), hoogleraar aan het Remonstrants Seminarie, een voorbeeld met zijn studie van christendom, staat en oorlog, De zondeval van het christendom (1928). Zijn anti-militaristische invloed werkte door in Kerk en Vrede (1924) en ook in de Christelijk-Democratische Unie (opgericht in 1926). W. Banning (1888-1971), actief in de Woodbrookers-gemeenschap, vroeg aandacht voor sociale vragen, die hij ook met behulp van de sociologische wetenschap analyseerde. Voor hem hadden predikanten als A.S. Talma (1864-1916) en J.R. Slotemaker de Bruïne (1869-1941) vanuit een duidelijke betrokkenheid bij de christelijk-sociale beweging en de christelijke politiek het verband tussen stoffelijke en geestelijke toestanden beklemtoond. Als vernieuwend werd, ook vanwege zijn kritiek op de vanzelfsprekendheid van de traditionele christelijke organisatievorming, in het bijzonder door jongere ethischen en confessionelen, de boodschap van Karl Barth ervaren. Ook zijn afwijzing van het nationaal-socialisme inspireerde.

Literatuur:

  • J.C.H. Blom, J. Talsma, De verzuiling voorbij. Godsdienst, stand en natie in de lange negentiende eeuw, Amsterdam, 2000
  • J. Dane, „De vrucht van bijbelsche opvoeding”. Populaire leescultuur en opvoeding in protestants-christelijke gezinnen, circa 1880-1940, Hilversum, 1996
  • C. Boer e.a., Het jonge hart. Het verhaal van de Vrijzinnig christelijke jeugdcentrale 1915-1985, Zoetermeer, 1994
  • H.J. Langeveld, Protestants en progressief. De Christelijk-Democratische Unie (1926-1946), Den Haag, 1989
  • G.J. Hoenderdaal, „Het vrijzinnig protestantisme tussen de schaduwen van gisteren en morgen (1925-1940)”, in: B. Klein Wassink en Th.M. van Leeuwen, Tussen geest en tijdgeest. Denken en doen van vrijzinnig protestanten in de afgelopen honderd jaar, Utrecht (1989), pp. 161-297
  • G. Abma, J. de Bruijn (red.), Hoedemaker herdacht, Baarn, 1989
  • J.C.H. Blom, „Het geloof van de radio op Vrijdagavond. Aspecten van de geschiedenis van de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep 1926-1986”, in: J.H.J. van den Heuvel e.a., Een vrij zinnige verhouding: de VPRO en Nederland 1926-1986, Baarn, 1986, pp. 73-46
  • J. van der Graaf, Delen of Helen? Hervormd kerkelijk leven in en met de Gereformeerde Bond, 1906-1951, Kampen, 1978
  • A.A.H. Hoytink, Honderd jaar Nederlandse Protestantenbond, z.p., 1970
  • A.C. Honders, Doen en laten in Ernst en Vrede. Notities over een Broederkring en een tijdschrift, ’s-Gravenhage, 1963
  • H.A.M. Fiolet, Een kerk in onrust om haar belijdenis. Een phaenomenologische studie over het ontstaan van de richtingenstrijd in de Nederlandse Hervormde kerk, Nijkerk, 1953
  • G.P. Scheers, Ph.J. Hoedemaker, Wageningen, 1939
  • Th.L. Haitjema, De richtingen in de Nederlandsche Hervormde Kerk, Wageningen, 1959 (eerste druk 1934)
  • K.H. Roessingh, Het modernisme in Nederland, Haarlem, 1922
  • J.H. Gunning, Prof.dr. J.H. Gunning’s leven en werken, Rotterdam, 1922-1925 (drie delen)
  • P.J. Kromsigt, De Confessionele richting, Baarn, 1909.
Scroll naar top