Inhoud

Commerciële omroep

In de jaren zeventig werd het systeem waarbij omroepen dan wel zenders werden ontvangen via antennes voor grote delen van het land vervangen door het systeem van doorgifte via de kabel. De kabelexploitanten gingen al spoedig ook buitenlandse radio- en televisie-uitzendingen doorgeven. Om te voorkomen dat reclamegelden in plaats van via de STER naar de Nederlandse omroepen naar buitenlandse omroepen zouden gaan, werd in de Mediawet artikel 66 opgenomen die de eerdere Kabelregeling (Stcr. 1985, nr. 145) verving.

Artikel 66 bepaalde allereerst dat de kabelexploitant buitenlandse stations mocht doorgeven als die rechtstreeks ter plaatse met een individuele antenne gedurende het grootste deel van de tijd met redelijke kwaliteit konden worden ontvangen.

Daarnaast mocht de kabelexploitant ook programma’s van buitenlandse stations doorgeven die in overeenstemming met de daar geldende wetgeving worden uitgezonden. Indien deze buitenlandse zender echter ook reclame uitzond, was het doorgeven van die zender op de kabel slechts in twee gevallen toegestaan. Ten eerste was doorgifte toegestaan als de buitenlandse omroepinstelling zich hield aan een aantal regels dat ook voor de binnenlandse omroepen gold (de zogenaamde „STER-constructie”). Het station mocht in dat geval reclameboodschappen uitzenden die in het bijzonder op het Nederlandse publiek waren gericht. In het arrest van 25 juli 1991 bepaalde het Europese Hof van Justitie dat de STER-constructie van de Mediawet een beperking vormt van het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 59 EEG-verdrag, zie ook de paragraaf “Omroep en EU”.

Ten tweede was doorgifte toegestaan als de buitenlandse omroep zich weliswaar niet hield aan de bovenbedoelde reclameregels voor de binnenlandse omroepen, maar niet in het bijzonder op Nederland gerichte reclameboodschappen uitzond.

De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State besliste verder in een uitspraak van 30 augustus 1989 (de „Cable One-uitspraak”) dat doorgifte op grond van artikel 66 niet van toepassing is op omroepen die zich in het buitenland hebben gevestigd met de kennelijke bedoeling om de in Nederland voor binnenlandse omroep geldende wettelijke regeling te ontgaan (de zogenaamde „U-bocht-constructie”). Daarnaast stelde de Raad van State als eis dat de programma’s oorspronkelijk in het buitenland moesten worden uitgezonden om daarna van daaruit naar de Nederlandse kabelnetten te worden overgebracht.

Artikel 66 was van belang omdat de Mediawet geen binnenlandse commerciële omroep toeliet (anders dan via – nimmer gerealiseerde – samenwerking van drie A-omroepen).

Initiatieven van Nederlanders om een commerciële binnenlandse omroep op te richten waren dan ook niet toegelaten. Vandaar dat door een aantal initiatiefnemers, waarvan RTL-Veronique en TV-10 de bekendste zijn, een beroep werd gedaan op artikel 66, in die zin dat zij claimden geen binnenlandse, maar een buitenlandse omroep te zijn.

Het Commissariaat beschouwde RTL-Veronique inderdaad als een buitenlandse omroep. Het programma werd uitgezonden door de Luxemburgse omroepinstelling CLT en daarvan kon moeilijk gezegd worden dat deze destijds was opgericht om de Nederlandse wetgeving voor binnenlandse omroep te ontduiken. RTL-Veronique begon op 2 oktober 1989 haar uitzendingen: buitenlandse, maar op Nederland gerichte, commerciële televisie had daarmee haar intrede gedaan.

Voor TV-10 lag dat anders. Oorspronkelijk zou TV-10 gezeteld zijn in Milaan, vanwaar de programma’s door middel van satellietverbindingen ook in Nederland te ontvangen zouden zijn en door kabelexploitanten op de kabelnetten zouden kunnen worden uitgezonden. TV-10 verhuisde, na de Cable One-uitspraak, naar Luxemburg. Het Commissariaat was van mening dat uit objectieve omstandigheden kon worden opgemaakt dat TV-10 in Luxemburg was opgericht met het doel de Nederlandse wetgeving te ontduiken.

TV-10 zou dus gebruik hebben gemaakt van de U-bocht-constructie. Het aldus „verboden” TV-10 ging deels op in RTL-Veronique (zoals RTL-4 toen nog heette).

Voor het kabinet was de uitspraak van het Commissariaat met betrekking tot RTL-Veronique mede aanleiding voor het indienen van het wetsvoorstel Commerciële Binnenlandse Omroep. Het verbod op commerciële televisie dat de Mediawet bevatte had immers haar doel, dat wil zeggen het voor de binnenlandse Nederlandse omroep behouden van reclamegelden, niet bereikt nu RLT-Veronique was toegelaten tot de kabel. Het wetsvoorstel trad in 1992 in werking en maakte binnenlandse commerciële omroep mogelijk (Stb. 1991, nr. 770). Nederland kent sindsdien dus een duaal stelsel van zowel publieke als commerciële omroep.

De Nederlandse overheid stelt meer eisen aan de publieke omroep dan aan de commerciële omroep: de eerste wordt immers gefinancierd via de publieke middelen en is verzekerd van radio- en televisiefrequenties. Uiteraard heeft ook de publieke omroep programmatische autonomie: bemoeienis met vorm en inhoud van de programmering is er niet. De vrijheid van meningsuiting geldt ook hier, zo werd nog eens duidelijk toen de uitzending in 2008 door de publieke omroepen BNN en VPRO van de porno-film Deep throat op protesten stuitte, zie ook: Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2007-2008, nr. 1423.

De regeling voor de commerciële omroep houdt onder andere in, dat de deelnemers aan een binnenlandse commerciële omroep tezamen niet meer dan een kwart van de totale dagbladmarkt mogen bezitten.

Toelating en controle op deze voorwaarden geschiedt door het Commissariaat voor de Media. Een verleende vergunning geldt voor 5 jaar.

De VOO verliet op 1 september 1995 de publieke omroep en werd daarmee de eerste Nederlandse commerciële zender. Sindsdien is er een flink aantal zenders bijgekomen: SBS6; NET5; RTL5; RLT7 (de opvolger van Veronica, later Yorin genoemd) en RTL8 (dat in de plaats kwam van Talpa).

De oorspronkelijk in de Mediawet opgenomen bepaling die voor drie A-omroepen gezamenlijk en met medewerking van uitgeverijen-organisaties de mogelijkheid bood een commerciële omroep op te richten, is komen te vervallen nadat diverse pogingen van diverse – combinaties van – omroepverenigingen om commercieel te gaan opereren mislukten.

Zie over omroep, kabel en al dan niet buitenlandse zenders:

  • A. Dake en J. Boers (red.), De kabel. Kafka in de polder, Amsterdam, 1999
  • M. van der Drift en A. Geurtsen, Inbraak en uitbraak. Van omroepmonopolie naar mediamarkt, Amsterdam, 1996
  • A.W. Hins, Ontvangstvrijheid en buitenlandse omroep, Deventer, 1991
  • E. Schwartz, J.P.H. Donner en E. J. Dommering, Omroep zonder grenzen. Beschouwingen over het Kabelregeling-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Amsterdam, 1988
  • J.M. de Meij, Van zender naar ontvanger. Enige opmerkingen over de plaats van het publiek in het kader van de uitingsvrijheid, Den Haag, 1984
  • F.J. Schrijver, De invoering van kabeltelevisie in Nederland, Den Haag, 1983 (WRR-rapport M 17)
  • Advies Commissie Boukema over het doorgifteverbod van bepaalde op Nederland gerichte buitenlandse omroepprogramma’s tegen het licht van grondwettelijke bepalingen en internationale verdragen, Rijswijk, 1983.
Scroll naar top