Inhoud

Van OEES naar OESO

De Belgische minister van Buitenlandse Zaken P.H. Spaak bracht in 1957 in de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking een rapport uit over de vestiging van een Europese gemeenschappelijke markt dat tot grote onenigheid zou leiden. Aan de ene kant stonden de zes lidstaten van de EGKS die een gemeenschappelijke markt met supranationale instellingen accepteerden (de later in 1957 gevormde Europese Economische Gemeenschap). Aan de andere kant stonden zeven andere landen onder aanvoering van Groot-Brittannië die voorstander waren van een losser vrijhandelsgebied met een strikt intergouvernementeel karakter. Botsingen tussen Frankrijk en Groot-Brittannië leidden er toe dat de OEES-besprekingen over een grotere Europese vrijhandelszone werden afgebroken en dat de “zeven” landen in 1960 de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) oprichtten. Deze onenigheid deed de OEES geen goed. Er bleef echter behoefte aan een overkoepelende instantie om de banden tussen de handelsblokken (EEG, EVA en het dollargebied) te bespreken en er waren landen die buiten de EEG en EVA bleven. Bovendien wilde de VS de wederopgebouwde West-Europese landen betrekken bij de economische hulp aan ontwikkelingslanden. Dit leidde ertoe dat de OEES in 1961 werd omgevormd tot Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO; Organization for Economic Cooperation and Development, OECD). De VS en Canada traden als eerste niet-Europese landen tot de OESO toe. Na toetreding van Japan, Finland, Australië en Nieuw-Zeeland stond de OESO lange tijd bekend als G24 (er waren 24 lidstaten) en als club van rijke industrielanden (vanwege de coördinatie van hun ontwikkelingshulp). De OESO is een intergouvernementele organisatie met als hoogste autoriteit een Raad (van ministers), die vergadert onder voorzitterschap van een secretaris-generaal. Net als de OEES is de OESO in Parijs gevestigd.

In de beginperiode was het OESO-secretariaat sterk Keynesiaans georiënteerd. De aanbevelingen richtten zich vooral op groeibevordering, terwijl voor monetair beleid nog weinig aandacht bestond. Voor dit beleid werd de zogeheten Werkgroep 3 (WP3) belangrijk, waarvan de Nederlander E. van Lennep van 1961 tot 1969 de eerste voorzitter was. De op voorstel van de Amerikaanse regering onder president J.F. Kennedy ingestelde werkgroep bespreekt de conjuncturele ontwikkelingen en kent waarnemers van het IMF, de Bank voor Internationale Betalingen en de Europese Commissie. Vanuit Nederland nemen de thesaurier-generaal van het ministerie van Financiën deel (dit was ook de functie van Van Lennep) en een directeur van de Nederlandsche Bank. In 1969 werd Van Lennep secretaris-generaal van de OESO. Deze functie zou hij tot 1984 bekleden. Tot zijn prestaties horen de vroege instelling van een directoraat voor milieubeleid (in 1970), het voorkomen van een protectionistische golf na de oliecrisis van 1973 en een uitgebreide analyse van wat er in de jaren zeventig mis ging in de gegeven ontwikkelingshulp (verschenen in 1983). Ook zorgde hij er voor dat de OESO-rapporten over het onderwijs in de lidstaten scherper en specifieker werden. Hij geldt als iemand die zijn stempel op de organisatie wist te drukken en deze overal aanwezig liet zijn.

Tot het belangrijkste instrumentarium van de OESO behoren de jaarlijkse landenrapporten (“economic surveys”). Regeringen moeten hiervoor elk jaar de informatie zelf aanleveren, maar zij worden door OESO-deskundigen ook ondervraagd over het gevoerde beleid. Deze “confrontatiemethode” bemoeilijkt de mogelijkheden van regeringen om de zaken mooier voor te stellen dan zij zijn. Bovendien beschikt het OESO-secretariaat over vergelijkbaar materiaal uit andere landen en over trends omdat het dit werk jaarlijks doet. Door de regelmatige en openbare publicatie van deze nationale gegevens, raken staten vertrouwd met elkaars ontwikkelingen. Bovendien is de OESO in staat trends uit de nationale ontwikkelingen weer te geven, wat zij twee maal per jaar in de Economic Outlook doet. De landenrapporten maken duidelijk wat de sterke en zwakke kanten van nationale economieën zijn en waar het beleid wel of niet op is gericht. In de rapporten over Nederland uit 1989 en 1990 maakte de OESO bij voorbeeld bezwaar tegen de koppeling van lonen en uitkeringen, omdat hogere lonen tot hogere overheidsuitgaven leidden. Ook vond de OESO dat Nederland een actiever arbeidsmarktbeleid moest voeren in verband met de blijvend hoge werkloosheid en de grote aantallen arbeidsongeschikten. Het staat regeringen volkomen vrij dergelijke aanbevelingen naast zich neer te leggen, maar er staat tegenover dat de OESO ook duidelijk maakt wat de trends zijn en ervan uitgaat dat staten die zich daarvan bewust zijn, betere macro-economische besluiten nemen. De coördinatie en afstemmingsmogelijkheden die de OESO aldus biedt, worden door Nederland gewaardeerd.

Na de ineenstorting van het Bretton Woodsstelsel begin jaren zeventig kwam een nieuw internationaal overlegmiddel in de vorm van de G7-economische topconferenties tot stand met als deelnemers de staatshoofden en regeringsleiders van de zeven rijkste landen. Daarbinnen speelde de G5 (de ministers van Financiën van de VS, Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland en Japan) een eigen rol. Op de G7-top in 1982 werd afgesproken dat de G5-ministers van Financiën zich bezig zouden gaan houden met het multilaterale toezicht op het op de G7 besproken betalingsbalans- en wisselkoersbeleid in aanwezigheid van de directeur van het IMF. Toen Van Lennep aan de Amerikananse regering onder leiding van R. Reagan om uitleg vroeg waarom het IMF en niet de WP3 van de OESO voor het monitoren van de G7-afspraken was gekozen, kreeg hij te horen dat de VS de OESO te “Keynesiaans” vond met te veel begrip voor regulering door overheden. Van Lennep vond voor zijn reactie een bondgenoot in de Franse minister van Financiën J. Delors, die zich er aan ergerde dat de VS de OESO-vergaderingen van ministers voornamelijk als voorbereiding voor de G7-bijeenkomsten gebruikte. Samen zorgden zij ervoor dat op een aparte OESO-conferentie begin 1984 een nieuwe consensus inzake het internationale economische beleid werd geformuleerd. Hiertoe was de regering-Reagan tot dan niet in staat geweest, zoals zij toegaf. Van Lennep bracht de OESO hiermee “terug” in het internationale krachtenveld.

De gecombineerde permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de OEES, resp. OESO en de Noord-Atlantische Raad werd in 1967 gesplitst. Vanaf die tijd is er in Parijs een aparte Permanente Vertegenwoordiger bij de OESO, die beschikt over een kleine staf. Van 1991 tot 1995 bekleedde F. van Dam deze functie. Toen de OESO in 1994 geen nieuwe secretaris-generaal kon vinden als opvolger van de Fransman J.-C. Paye, probeerde de Nederlandse regering vergeefs steun te krijgen voor een benoeming van R.F. Lubbers.

Zie voor de OESO en het aandeel van Van Lennep:

  • S. Sullivan, From War to Wealth. Fifty Years of Innovation, Paris, 1997
  • Emile van Lennep in de wereldeconomie. Herinneringen van een internationale Nederlander, Leiden, 1991. 
Scroll naar top