Inhoud

De neergang van de katholieke zuil

De plotseling snel teruglopende steun voor de KVP in de jaren 1963-1972 behoort tot de ingrijpendste politieke wijzigingen van de laatste periode. Deze verandering maakt deel uit van de ontbinding van de katholieke zuil. Het bouwwerk van katholieke organisaties begon vrij plotseling te wankelen in deze jaren. De traditioneel hoge participatie in de katholieke organisaties nam in veel sectoren in een verschillend tempo af. Het vrijwel constante aandeel van de katholieken in de Nederlandse bevolking op grond van een hoge natuurlijke aanwas en enige afval begon in de jaren zeventig te verminderen door extra daling van de vruchtbaarheid in katholieke kring en toename van de afvalligheid.

Stemmen op de katholieke partij (een weinig inspanning vergende, maar anderszins slecht door andere instituties te beheersen activiteit) was in de hoogtijdagen der verzuiling voor zeer veel katholieken de praktijk, voor meer van hen bijvoorbeeld dan er hun paasplichten nakwamen. Deze (lichte) vorm van kerksheid liep in deze periode gestaag terug. Het aantal katholieke stemmers liep in de late jaren zestig nog veel harder terug om zich na 1970 weer wat boven het niveau van de minimaal meelevende katholieken te stabiliseren. Op het hoogtepunt van dit proces keerden dus ook op dat moment nog kerkse katholieken de partij kennelijk de rug toe. Voor het overige is teruglopende steun aan de partij vooral een consequentie van de oriëntatiewijziging waarbij katholieken niet zozeer hun katholieke identificatie maar wel hun kerkelijke meelevendheid opgeven. Zij voelen zich dan in de regel ook minder verplicht hun stem op de katholieke partij uit te brengen. Het opgeven van deze katholieke identiteit gebeurde later ook en heeft tot verdere verliezen bij het CDA in de achterban van katholieke herkomst geleid. De timing en de tijdelijke versnelling van de afbrokkeling van de KVP in de late jaren zestig suggereren verklaringen binnen het politieke domein zelf, terwijl voor het overige algemeen-maatschappelijke processen (bijvoorbeeld massale suburbanisatie op grond van welvaartsstijging) en voor de zuil als geheel kenmerkende ontwikkelingen (bijvoorbeeld onzekerheid onder de katholieke intelligentsia) bekende aanzetten tot verklaring van de algemene afname van kerkelijke meelevendheid en politieke orthodoxie vormen.

Het verval van de katholieke zuil en het verlies van de KVP deed zich over het hele land voor. De vooraf reeds bestaande verschillen in politieke orthodoxie tussen Noorden, Oosten, Westen en Zuiden en tussen platteland en stad (aflopend in die volgordes) bestond ook nog in de jaren zeventig, op ruwweg de helft van hun eerdere niveau. Het is op grond van het gepubliceerde onderzoek omstreden of op het platteland boven de Moerdijk het al dan niet katholieke karakter van de betreffende lokale gemeenschap voor hoogte en niveauverlies van politieke orthodoxie van belang geweest zijn.

Duidelijk is dat al in de jaren zestig het niveau van misbezoek in steden in alle landsdelen ver achterbleef bij dat op het platteland. De op basis hiervan gemeten verschillen in politieke orthodoxie tussen stad en platteland tonen een soortgelijk patroon als daareven, maar zij zijn minder uitgesproken. Al met al is er een groter verlies van politieke trouw aan de zuil onder de stedelijke katholieken, zowel onder katholieken in brede zin als onder trouwe, kerkse katholieken. In de jaren zeventig resulteerde dit in het stedelijk milieu in een nog slechts gering verschil tussen trouwe kerkgangers en KVP-stemmers. Op het platteland bleef het misbezoek beter op peil. Maar de katholieke partij verloor hier zoveel steun dat er tenslotte heel wat meer katholieke kerkgangers dan katholieke stemmers waren. De tempoverschillen in de neergang en de resulterende verhoudingen verdienen nog nadere beschouwing.

Zoals al eerder bleek zijn de katholieken in het Zuiden vanouds relatief weinig geneigd geweest de eigen partij te steunen. Dit is waarschijnlijk een gevolg van de minder op de nationale katholieke partij georiënteerde kiezer in dit landsdeel waar de katholieken de zetels bij gebrek aan concurrentie toch wel wonnen. Hier zou dan sprake zijn van een overblijfsel van de “safe seat apathy” van weleer. Intussen waren zuidelijke katholieken vroeger wel trouwe misbezoekers. Rond 1970 is daar een einde aan gekomen. Hoewel kerkgang dus geen voldoende voorwaarde was om katholieke partijsteun te verzekeren, zal dit er niet aan hebben bijgedragen om het Zuiden voor de KVP en zijn opvolger het CDA te behouden. Toch deed de nieuwe partij het hierna niet slecht, waarschijnlijk door een effectief gebruik van de nieuwe wegen via welke partijen nu steun moesten zien te vinden: minder via de tijdens de verzuiling optredende intermediaire organisaties en meer direct door aandacht in de massa-media en door de eigen lokale organisatie.

De neergang van de KVP in landelijke verkiezingen in het Zuiden van het land maakte een eind aan het vrijwel onbetwiste monopolie van de katholieken gedurende bijna een eeuw in die streken. Benadrukt dient te worden dat in het Zuiden bij lokale verkiezingen de katholieke partij nauwelijks een rol speelde. In de gemeentepolitiek domineerden de lokale lijsten en speelden persoonlijke relaties en familiebanden vaak een overwegende rol. Parallel met de neergang van de KVP in landelijke verkiezingen probeerden de andere grote partijen met meer inzet vaste voet beneden de Moerdijk te krijgen, ook buiten de voornaamste steden, waar zij vaak al langer vertegenwoordigers hadden (bijvoorbeeld de sociaal-democraten in Maastricht).

Het patroon van introductie van nationale lijsten, met name van de grootste partijen, is voor Limburg nauwkeurig nagegaan. Interessant is dat ook het CDA, min of meer in reactie op de overige landelijke lijsten in Limburg, actiever is gaan optreden in lokale verkiezingen. In Noord-Limburg (vooral vanuit Venlo) en in Zuid Limburg (waar in de mijnstreek en in Maastricht al van oudsher sprake was van een wat meer gemengde bevolking) was tot 1986 bij de gemeenteraadsverkiezingen sprake van een steeds verdere doordringing van deze nationale lijsten inclusief het CDA. Midden-Limburg, het minst ontsloten deel van de provincie, liep hier duidelijk bij achter. Hier bleven ook in 1986 de lokale lijsten nog steeds zeer dominant aanwezig (voor de rol van lokale lijsten in latere verkiezingen zie par. 4.7).

Zie:

  • N.P. Passchier, Katholieke ontzuiling, kerkelijke binding en context. Een onderzoeksnotitie naar aanleiding van H. Bakvis, Catholic power in the Netherlands, Montreal, 1981, in: Sociologische Gids, 34 (1987), pp. 117-133
  • Werkgroep Lokale Politiek, Lokale Politiek in Limburg. Een menu met 69 variaties, Rijksuniversiteit Limburg, 1986
  • N.P. Passchier, De deconfessionalisering in geografisch perspectief: de neergang van de KVP l963-1972, in: J.M.M. van Amersfoort, W.F. Heinemeijer en H.H. van der Wusten (red.), Een wereld van staten, Alphen aan den Rijn, 1981, pp. 145- 156
  • H. Bakvis, Catholic power in the Netherlands, Kingston and Montreal, 1981
  • K.L.L.M. Dittrich, Partij-politieke verhoudingen in Nederlandse gemeenten: een analyse van gemeenteraadsverkiezingen 1962-1974, dissertatie Rijksuniversiteit te Leiden, Leiden, 1978.
Scroll naar top