Inhoud

Solidariteit

Solidariteit heeft betrekking op de bereidheid tot onderlinge ondersteuning. Deze valt op tal van niveaus in de samenleving aan te treffen.

Zij komt eveneens tot uiting in de sociale zekerheid, waar zij geïnstitutionaliseerd is in de vorm van uitkeringen. Zeer in het algemeen zijn enige zaken in de meningsvorming over uitkeringen opvallend.

Ten eerste valt het niet zo gemakkelijk uit te maken of de steun voor de sociale zekerheid in Nederland internationaal gezien nu aan de hoge of aan de lage kant is. Gelet op de bedragen die voor de sociale zekerheid worden opgebracht – vooral de bedragen die bestemd zijn voor regelingen die verband houden met de ziekte van werknemers – zou men de steun als hoog veronderstellen. In internationaal opinieonderzoek uit 1987 echter blijkt het percentage instemmers met meer geld voor bijstandsuitkeringen in Nederland het laagste te zijn van negen landen. De instemming met een gegarandeerde, behoorlijke levensstandaard voor werklozen en een minimuminkomen voor iedereen, was in Nederland eveneens aan de lage kant. Waarschijnlijk valt de adhesie laag uit juist vanwege het hoge niveau van sociale zekerheid dat in ons land bestaat, maar helemaal zeker is dit niet. Volgens gegevens uit 1995 waren de uitgaven voor de sociale zekerheid in Nederland gedaald. In een groep van tien Europese landen, aangevuld met de Verenigde Staten, Canada en Australië stond Nederland op de zevende of de achtste plaats. Als er ook op de private uitgaven – vooral die voor pensioenen en ziektekosten – wordt gelet, komt Nederland ongeveer op de vijfde plaats. Internationaal opinie onderzoek is voor dit onderwerp in het betreffende jaar niet beschikbaar. Zie verder:

  • Sociaal en Cultureel Rapport 2000. Nederland in Europa, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag 2000, pp. 350-359
  • Sociaal en Cultureel Rapport 1990, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk-Den Haag, 1990, Hoofdstuk 3, bijlage van hoofdstuk 11. 

Ten tweede fluctueert de ondersteuning van de sociale zekerheid nogal in de tijd.

Ten derde doen opvattingen over misbruik een klimaat van wantrouwen jegens uitkeringstrekkers vermoeden.

Tussen het verloop van de meningen over de hoogte van de uitkeringen en wantrouwen enerzijds en de economische conjunctuur anderzijds, bestaat een vrij sterk verband. In een opgaande conjunctuur kunnen de uitkeringen weer wat hoger worden en neemt het wantrouwen af, tijdens een conjuncturele neergang geldt het omgekeerde. De relatie tussen de verandering van de meningen en de ontwikkeling van het aantal uitkeringstrekkers of van de kosten der sociale zekerheid is zwak: kosten en aantallen gebruikers zijn voortdurend toegenomen, terwijl de adhesie voor de uitkeringen een golvend verloop had. Er bestaat verder een aanwijzing voor de volgende relatie: wanneer een categorie uitkeringstrekkers duidelijk wordt gekort, komt er een tegengestelde beweging in de publieke opinie op gang en worden mensen meer van mening dat juist die uitkering eigenlijk hoger zou moeten zijn. Dit verschijnsel heeft zich voorgedaan bij de mening over de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de eerste helft van de jaren negentig, zie: Sociaal en Cultureel Rapport 1994, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk-Den Haag, 1994, p. 519.

 

De relatie tussen de meningen en de ingrepen in de sociale zekerheid – waarvan zojuist sprake was – is zwakker dan die tussen de meningen en de conjunctuur. Zie voor een systematische analyse van de mogelijke relatie tussen ingrepen in de sociale zekerheid en meningsvorming: Sociaal en Cultureel Rapport 1998. 25 jaar sociale verandering, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk, 1998, pp. 467-472.

Tabel 4 brengt enige ontwikkelingen in de opvattingen over uitkeringen in beeld. Zij is gebaseerd op gegevens van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Meer enquêtegegevens zijn te vinden in:

  • De sociale staat van Nederland 2001, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, 2001
  • Sociaal en Culturele Verkenningen 1999, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, 1999. 

Tabel 4. De meningen over enkele sociale uitkeringen, 17-70 jaar, 1966-2000 (in procenten).

1966

1970

1975

1978

1980

1985

1989

1991

1995

2000

a de ZW

te hoog

8

11

5

4

6

4

4

voldoende

83

83

79

81

80

75

78

voldoende en te hoog

91

94

84

85

86

79

82

b de AOW

te hoog

1

1

1

1

1

1

1

1

voldoende

37

32

63

68

74

62

47

52

44

46

voldoende en te hoog

64

69

75

63

46

53

45

47

c de ABW

te hoog

20

16

13

3

3

3

2

4

voldoende

61

55

59

62

62

39

35

44

36

41

voldoende en te hoog

61

55

59

62

62

39

35

45

d de WW

te hoog

27

31

25

7

9

6

5

23

voldoende

74

73

61

57

62

60

56

68

65

65

voldoende en te hoog

74

73

61

57

62

60

56

77

70

77

e de AWW

te hoog

1

1

1

1

1

3

3

5

voldoende

37

33

57

59

59

54

45

49

51

38

voldoende en te hoog

37

33

57

59

59

54

45

49

51

43

f de WAO

te hoog

7

13

4

4

6

3

6

voldoende

63

64

50

46

55

43

46

voldoende en te hoog

70

77

54

50

62

45

52

Bron: Gegevens afkomstig van onderzoek Politiek in Nederland, 1966, onderzoek Progressiviteit en Conservatisme, 1970, onderzoek Culturele veranderingen in Nederland, 1975-2000.

Tussen 1966 en 1970 slonk de aanhang van het idee dat enkele belangrijke uitkeringen voldoende waren. Het antwoord „te hoog” werd toen nog niet afzonderlijk genoemd. Tussen 1970 en 1975 trad er een aanzienlijke verandering op in de richting van: „de uitkeringen zijn voldoende of zelfs te hoog”. Na 1980 draaide de ontwikkeling weer terug en werd de beoordeling van hogere uitkeringen dus steeds gunstiger. Tijdens de conjuncturele neergang in de periode 1989-1991 werd het oordeel over de meeste uitkeringen weer negatiever. De welvaartsstijging aan het eind van de jaren negentig ging gepaard met een meer positieve houding jegens de uitkeringen. Zij mochten dus weer wat hoger worden. Alles bij elkaar vertonen de meningen over de uitkeringen een golfbeweging: perioden met een positief en een meer negatief oordeel wisselen elkaar af.

Gedurende de periode 1980-1996 vertoonden enige algemeen geformuleerde opvattingen over de sociale uitkeringen dezelfde ontwikkeling als de meningen over enkele afzonderlijke uitkeringen, zie tabel 5.

Tabel 5. Meningen over sociale zekerheid en inkomen, 16-74 jaar, 1975-1996 (in procenten).

1980

1981

1985

1989

1991

1995

1996

a. In de toekomst moeten wij

met minder sociale zekerheid

leren leven, hoe onrechtvaardig

dat in sommige gevallen ook uit

kan pakken

(sterk) eens

44

47

34

20

32

30

28

noch noch

14

14

15

15

11

8

10

(sterk) oneens

43

40

52

66

57

62

63

b. Onze sociale uitkeringen mogen

in geen geval minder worden, ook

al betekent dat voor sommigen

extra financiële offers

(sterk) eens

53

48

64

77

58

64

67

noch noch

18

16

16

12

19

19

19

(sterk) oneens

29

36

21

12

23

17

15

c. mate van misbruik van sociale

verzekeringen i.h.a.

(zeer) veel

57

37

51

40

38

tamelijk veel

24

29

29

33

32

(zeer) weinig

19

35

20

28

30

Bron: Gegevens afkomstig van onderzoek Culturele veranderingen in Nederland 1975-1996.

Over het algemeen beïnvloeden de sociaal-economische status van de ondervraagde en zijn politieke stellingname zijn opvatting over de hoogte van de uitkeringen. De steun voor een verhoging neemt af naarmate het inkomen hoger is en naarmate men zich meer als politiek rechts beschouwt. De opvatting dat er veel misbruik van de sociale zekerheid voorkomt, wordt het meest bij de middeninkomens aangetroffen en het minst bij politiek links. De oordelen over het misbruik onder de aanhangers van het politieke midden én van de rechterzijde ontliepen elkaar niet veel.

Scroll naar top