Inhoud

De periode 1945-1965

De belangstelling voor vragen met bétrekking tot het stemgedrag van de Nederlandse kiezer ontwikkelde zich langzaam in de na-oorlogse jaren. Een belangrijke stap voorwaarts werd gevormd door een serie onderzoeken uitgevoerd door het NIPO onder leiding van J. Stapel. Aan het einde van. de jaren veertig en tijdens het daaropvolgende decennium hield het NIPO onderzoek waarin niet alleen de hiervoor al besproken vraag naar partijvoorkeur aan de orde kwam, maar waarin tevens vragen waren opgenomen naar een groot aantal van politiek belang zijnde onderwerpen. De resultaten van dit onderzoek werden wekelijks openbaar gemaakt en verschenen tussen 1946 en 1952 in het door NIPO gepubliceerde De Publieke Opinie. Later publiceerde het NIPO onderzoeksresultaten in gestencilde bulletins.

Zie voor een bundeling van enkele onderzoeksresultaten uit deze periode: Zo zijn wij. De eerste vijfentwintigjaar NIPO-onderzoek, Amsterdam, 1970.

Hoe belangwekkend ook, de NIPO-publikaties hadden niet direct betrekking op een verklaring van het stemgedrag. De eerste echte “grote” publikatie over het stemgedrag verscheen – als deze term gebruikt mag worden voor een werk dat op beperkte schaal in de vorm van een genummerd gestencild verslag werd verspreid – bij de Dr. Wiardi Beckman Stichting (WBS) in 1951. Hoewel het verslag, met als titel Verkiezingen in Nederland: De ontwikkeling en verspreiding van politieke voorkeuren en hun betekenis voor de P.v.d.A. geen melding maakt van de auteur, mag met de grootste mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen dat het geschreven is door de toenmalige directeur van de WBS J.M. den Uyl.

Verkiezingen in Nederland hield zich,zoals deels al uit de ondertitel blijkt, bezig met de “ontwikkeling en verspreiding van de politieke partijen en in het bijzonder van de P.v.d.A, zoals deze uit de sinds de oorlog gehouden verkiezingen zijn gebleken” en met het “inzicht in (. . .) de verkiezingen voor de openbare vertegenwoordigende lichamen”. In de hoofdstukken handelend over het tweede deelonderwerp worden verschillen in kiezersopkomst bekeken en gerelateerd aan een drietal andere factoren: geslacht, kerkelijke gezindte en leeftijd. De aan kerkelijke gezindte en sociale positie gewijde hoofdstukken gaan in op het belang van deze factoren voor de partijkeuze. Een afzonderlijk hoofdstuk wordt besteed aan het kiezersverloop; Verkiezingen in Nederland is een van de eerste publikaties waarin erop wordt gewezen, dat onder de grote stabiliteit van verkiezingsuitslagen in Nederland aanzienlijke verschuivingen van partijvoorkeur op individueel niveau schuil gaan.

Een groot deel van de uitgevoerde analyses was gebaseerd op gegevens betrekking hebbend op geografische eenheden als gemeenten en provincies en op basis van 54 economisch-geografische gebieden, zoals onderscheiden door het CBS. Overigens werden zo mogelijk beschikbare relevante gegevens van NlPO-onderzoek in de beschouwing betrokken; nadrukkelijk wordt gewezen op het belang van enquête-onderzoek voor de analyse van (veranderingen in) partijvoorkeuren.

Zie voor dit onderzoek:

  • “in hoeverre een wettelijke regeling van de politieke partijen in het belang van een zuivere politieke wilsvorming gewenst is”
  • “in hoeverre behoefte bestaat aan een wijziging van het Nederlandse kiesstelsel”
  • R.B. Andeweg en R. Hillebrand, De kiezers van de PvdA. Veranderingen en mogelijkheden in het licht van een oud verkiezingsonderzoek, in: J. Bank e.a. (red), Het zesdejaarboek voor het democratisch socialisme, Amsterdam, 1985, pp. 14-39.Begin 1953 werd een Staatscommissie ingesteld met als opdracht de regering van advies te dienen over een tweetal politieke aangelegenheden, te weten: Verkiezingen in Nederland. De ontwikkeling en verspreiding van politieke voorkeuren en hun betekenis voor de P.v.d.A., Amsterdam, 1951;

Om inzicht te verkrijgen in de publieke opinie met betrekking tot een aantal met deze zaken samenhangende vragen, werd het NIPO verzocht een landelijk opinie-onderzoek te verrichten. Volgend uit de aard van de opdracht aan de Staatscommissie en het uit te brengen advies, had een groot aantal in het onderzoek opgenomen vragen betrekking op voorkeurstemmen, het al dan niet vermelden van partijnamen op het stembiljet, de vaststelling van de kandidatenlijsten, campagnetechnieken. etc. Tevens werden vragen naar politieke belangstelling en het lezen en spreken over politieke onderwerpen opgenomen.

De resultaten van het onderzoek verschenen in een door de Staatsdrukkerij verzorgde publikatie in 1956 onder de naam De Nederlandse Kiezer. De Staatscommissie merkt op dat zij weliswaar verantwoordelijk was voor de in het onderzoek gebruikte vragenlijst, maar dat de in het bijgevoegde rapport weergegeven samenvattingen en conclusies voor rekening van het NIPO kwamen. Het rapport bevat de frequentieverdelingen van antwoorden op de verschillende vragen, in sommige gevallen uitgesplitst naar geslacht, politieke activiteit, leeftijd, welstand of politieke overtuiging. Slechts een zeer gering gedeelte van het rapport houdt zich bezig met de analyse van het stemgedrag. Deze analyse blijft tevens beperkt tot bivariate relaties: alleen de verbanden tussen geslacht, leeftijd, godsdienst en welstand met de partijkeuze worden geanalyseerd.

De gegevens van het onderzoek zijn niet bewaard gebleven en nadere (her)analyse is dan ook onmogelijk. Het gepubliceerde rapport is wel de meest uitgebreide en rijkste bron van informatie met betrekking tot politieke opvattingen voor de jaren vijftig.

Zie voor het verslag van de Staatscommissie: De Nederlandse Kiezer. Een onderzoek naar zijn gedragingen en opvattingen, Den Haag, 1956.

De eerste belangrijke door een academicus uitgevoerde analyse van de partijkeuze in Nederland staat op naam van de aan de Vrije Universiteit verbonden hoogleraar J.J. de Jong. Ook hij ondervond de steun van het NIPO, maar hij kon tevens bouwen op zijn contacten in de International Political Science Association en een door deze organisatie georganiseerd congres te Stockholm van 1955. Het belangrijkste gedeelte van de genoemde studie behelst een vergelijkende analyse van de politieke partijen en een bestudering van de relatie tussen “overheid en onderdaan” in diverse Europese landen. Vanuit verschillende bronnen worden voor veertien landen gegevens met betrekking tot sociale karakteristieken (godsdienst, sociaal-economische status, onderwijsniveau, aard van woonplaats, geslacht en leeftijd) van kiezers in verband gebracht met de partijkeuze. Voor de Nederlandse situatie zijn drie hiervoor al genoemde bronnen in deze analyse van eminent belang: NIPO-gegevens, het WBS-rapport van Den Uyl, en De Nederlandse Kiezer. Het interessantste gedeelte over Nederland is te vinden in de epiloog, geschreven na en naar aanleiding van de voor velen verrassende uitslag van de tweede-kamerverkiezingen van 1956: evenals in 1952 verwierf de PvdA meer stemmen dan de KVP, maar de PvdA behaalde nu ook een Kamerzetel meer. In deze epiloog wordt uitgebreid ingegaan op het belang van de religieuze overtuiging en de sociale positie voor de partijkeuze. Naast het gebruik van deze overwegend sociologische variabelen worden voor de eerste maal gegevens bij de analyse betrokken die meer sociaal-psychologisch van aard zijn. Zo komen antwoorden (op vragen van het NIPO) naar het waarom van de partijkeuze aan de orde, evenals antwoorden op de vraag naar wat men aantrekkelijk en niet aantrekkelijk vond aan de verschillende partijen. Deze gegevens zijn van groot belang, onder meer omdat hieruit vanuit een andere invalshoek duidelijk het grote belang van religie en sociale positie voor de partijkeuze blijkt.

Zie voor nadere gegevens voor dit onderzoek: J.J. de Jong, Overheid en Onderdaan, Wageningen, 1956.

De Jong participeerde eveneens in het eerste kiezersonderzoek dat door de Nederlandse universitaire gemeenschap werd georganiseerd. Samen met zijn collegae van de Universiteit van Amsterdam (J. Barents) en de Katholieke Universiteit Nijmegen (L.G.A. Schlichting) voerde hij onder auspiciën van de Nederlandse Kring voor Wetenschap der Politiek in 1956 een onderzoek uit in de gemeente Nieuwer-Amstel. Het ging hier om een zogenaamde panelstudie, geïnspireerd door en gemodelleerd naar de Amerikaanse kiezersonderzoeken zoals uitgevoerd door Paul Lazarsfeld c.s. Helaas werden, door verschillende oorzaken, resultaten van dit onderzoek niet eerder dan in 1963 gepubliceerd, en dan nog slechts in de vorm van een gestencild rapport en een congrespaper. Het onderzoek heeft nooit een boek opgeleverd. Het onderzoek heeft om deze reden dan ook minder invloed gehad op de ontwikkelingen op het terrein van het kiezersonderzoek dan anderszins eventueel het geval geweest zou zijn.

Zie voor het in Nieuwer-Amstel gehouden onderzoek:

  • L. van der Land, C. van der Maesen en P.R. Baehr, Voting in the Netherlands: A panel study in an Amsterdam suburb, Paper presented to the International Political Science Association, Genêve,1964
  • L. van der Land e.a., Kiezer en verkiezing. Verslag van een onderzoek met betrekking tot de verkiezingen van 1956 in NieuwerAmstel voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Amsterdam, 1963. 
Scroll naar top