Opkomst

Na de instelling van de opkomstplicht steeg de landelijke opkomst snel tot tegen de 95%. De hoogste opkomstcijfers waren nu te vinden in Noord-Brabant en Limburg, de laagste in de verstedelijkte gebieden van Noord- en Zuid-Holland. In Drenthe en Limburg werden daarbij relatief veel (tot een maximum van 5%) ongeldige stemmen uitgebracht, vooral in het interbellum. Bij de bepaling van de ruimtelijke verdelingen van de opkomst kan het stemmen in een andere gemeente dan die, waar men in het kiesregister is opgenomen, een probleem vormen. Bekend is de zogenaamd hoge opkomst buiten de Randstad en de lage daarbinnen bij de verkiezingen van 1948 die in vakantietijd gehouden werden. In meer recente verkiezingen is er door de verlenging van het vakantieseizoen steeds sprake van aantallen uitgebrachte stemmen boven de lokaal geregistreerde stemgerechtigde bevolking in enkele kleine gemeenten met veel verblijfstoerisme.

Opkomst was in de periode van 1918 tot de afschaffing van de opkomstplicht in Nederland geen grote kwestie, maar zij was toch niet geheel zonder betekenis. Uit cijfers over de verkiezingen van 1946 en 1948 viel op te maken dat niet zozeer het Zuiden, maar katholieken in het algemeen een hogere opkomst vertoonden dan de rest van de bevolking. De extra frequente gang naar de stembus van katholieken leverde de KVP in 1946 ongeveer 0,8% en in 1948 ongeveer 1% van de geldig uitgebrachte stemmen extra op.

Zie verder: J.M. Den Uyl, Verkiezingen in Nederland. De ontwikkeling en verspreiding van politieke voorkeuren en hun betekenis voor de P.v.d.A., Wiardi Beckman Stichting, Amsterdam 1951.

Scroll naar boven