Inhoud

De jaren vijftig

Op 18 maart 1948 verzorgde Philips op grond van een fabrieksmachtiging de eerste televisie-uitzendingen in Nederland.

Een eerste regeling van de televisie werd getroffen in 1951 met de Televisiebeschikking (Stcrt. 1951, nr. 227), waarin bepaald werd dat voor het uitzenden van televisie-programma’s een machtiging vereist was.

De Nederlandse Televisie Stichting (NTS, op 31 mei 1951 opgericht door NCRV, VARA, KRO en AVRO) kreeg de eerste zendmachtiging en verzorgde haar eerste uitzending op 2 oktober 1951.

Op l7 december 1951 werd een adviescollege, de Televisieraad geïnstalleerd. Bij beschikking van 18 september 1953 werd de experimentele periode verlengd tot 1 januari 1954, toen het Televisiebesluit in werking trad. Tevens werd de Televisieraad opgeheven en vervangen door de Radioraad, die in 1969 werd omgedoopt tot Omroepraad en in 1988 tot Mediaraad waarna, 1996, de advisering werd overgenomen door de Raad voor Cultuur, zie paragraaf 8.2. Zie over de Omroepraad: Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, De Omroepraad 1929-l979. Geschiedenis, karakter en grenzen van een adviescollege, ’s-Gravenhage, 1979.

Definitieve regeling van de omroep vond plaats in 1956, toen op 1 januari het Televisiebesluit 1956 in werking trad (Stb. 1956, nr. 579), tezamen met de Wet op het kijkgeld (Stb. 1956, nr. 489) en het Kijkgeldbesluit (Stb. 1956, nr. 580).

Het Televisiebesluit 1956 kende de staat een toeziende en subsidiërende taak toe. Het repressieve toezicht bleef in handen van de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. De vijf omroeporganisaties kregen een eigen zendmachtiging. De NTS kreeg wettelijk de status van een samenwerkingsorgaan van de omroepen dat eigen programma’s (gezamenlijke programma’s) zou gaan verzorgen. De samenstelling van die gezamenlijke programma’s werd in handen gelegd van een Programmacommissie, met vetorecht voor elk van de vijf omroepen.

De NTS koos tot 1958 zelf haar voorzitter, daarna werd deze voor een periode van vijf jaar door de Kroon benoemd. Zie de paragraaf “Feiten en cijfers omroepen”, “voorzitters” voor de namen van de voorzitters van NTS (en NOS).

Naast de NTS en de omroepen werd de mogelijkheid geopend om zendmachtigingen te geven aan kerkgenootschappen voor het uitzenden van kerkdiensten, voor maximaal vijf procent van de zendtijd. De gedachte achter deze kleine omroepen is het verlenen van service: mensen die om wat voor reden ook niet naar de kerk kunnen gaan, worden in de gelegenheid gesteld via de omroep een dienst te volgen. In 1957 kregen als eersten IKOR, CvK en RKK zo’n een machtiging.

Tegenwoordig wijst het Commissariaat voor de Media elke vijf jaar kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag aan die het media-aanbod op kerkelijk of geestelijk terrein voor de landelijke publieke omroep moeten gaan verzorgen (artikel 2.42 Mediawet). Het Commisriaat doet dit aan de hand van de Beleidsregels aanwijzing kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag 2010-2015, zie: Bijlage 31200, VIII, Handelingen Tweede Kamer 2007-2008, nr. 201.

Het Commissariaat erkent zeven kerkelijke of geestelijke hoofdstromingen: protestantisme (Interkerkelijke Omroep Nederland: IKON en Zendtijd voor Kerken: ZvK), katholicisme (Rooms-Katholieke Kerkgenootschap/Katholieke Radio Omroep: RKK), jodendom (Nederlands-Israelitisch Kerkgenootschap met de Joodse Omroep: JO), humanisme (Humanistische Omroep:HUMAN), hindoeisme (Organisatie Hindoe Media: OHM) en boeddhisme (Boeddhistische Omroep Stichting: BOS). Er is, als gevolg van onderlinge verdeeldheid en financiele problemen met Islamitische omroepen, op dit moment geen vertegenwoordiger van de Islam aangewezen.

RKK en IKON zenden per jaar ongeveer 250 uur uit, de andere omroepen hebben 50 tot 100 uur zendtijd per jaar.

In maart 2009 nam de Tweede Kamer een motie-Van der Ham (D66) c.s. aan over een onderzoek naar de haalbaarheid van een integratie van de taken van deze omroepen met de taken van de “grote” omroepen.

Zie:

  • Bijlage 31.804, Handelingen Tweede Kamer, 2008-2009, nr. 60
  • Ministerie OCW, Partners in levensbeschouwing. Een onderzoek naar integratie van taken van levensbeschouwelijke omroepen, Den Haag, 2010.

De conclusie van het rapport is dat een dergelijke integratie niet goed mogelijk is.

Eind 1957 kregen de politieke partijen zendtijd op radio en televisie. De CPN werd daarvan uitgesloten.Tegenwoordig stelt het Commissariaat voor de Media jaarlijks een aantal uren zendtijd beschikbaar voor politieke partijen die in de Tweede of Eerste Kamer zitting hebben. Daarnaast geeft het Commissariaat zendtijd aan politieke partijen die in alle kieskringen aan verkiezingen voor de Tweede kamer of voor het Europees parlement deelnemen.

Zie over de verdeling van deze zendtijd politieke partijen: Hoofdstuk IV Ethische kwesties en verzuiling, in: Jan Willem Brouwer en Peter van der Heiden (red.),Het kabinet-Drees IV en het kabinet Beel II (1952-1959). Het einde van de rooms-rode coalitie, ’s-Gravenhage 2004, paragraaf “De verdeling zendtijd politieke partijen: Burger verpest de sfeer”, pp. 184- 188.

De Wet op het kijkgeld van 1956 voerde een belasting in voor iedereen die in het bezit was van een televisietoestel. Net als de luisterbijdrage ging ook dit geld naar de rijksbegroting, bestemd voor de mediabegroting.

Zie voor de televisie in de jaren vijftig :

  • M. Prenger, Televisiejournalistiek in de jaren vijftig en zestig : Achter het nieuws en de geboorte van de actualiteitenrubriek, Diemen, AMB, 2014
  • H. Schaafsma, Televisie, Amsterdam, 1959
  • M.H. Jacobs, Tien jaar radio- en televisiebeleid 1945-1956, in: Katholiek Staatkundig Maandschrift, 10 (1956), pp. 149-153. 
Scroll naar top