Inhoud

Verhouding tussen kerk en staat

De verhouding tussen kerk en staat wordt bepaald door artikel 6 van de Grondwet, waarin de vrijheid van godsdienst wordt gegarandeerd. Volgens lid 2 kan de overheid buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen aan de uitoefening van dit recht met het oog op gezondheid, verkeersveiligheid of het voorkomen van wanordelijkheden.

Ook artikel 1 van de Grondwet is echter van belang omdat dit artikel discriminatie verbiedt op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, „of op welke grond dan ook”. Versterkt dit artikel enerzijds de grondwettelijke godsdienstvrijheid, anderzijds worden door velen de officiële katholieke opvattingen over homofilie en het feit dat vrouwen niet tot priester kunnen worden gewijd, als strijdig met de anti-discriminatiewet beschouwd.

De scheiding tussen kerk en staat impliceert in Nederland geen volledige afzijdigheid van de staat. De kerkgenootschappen nemen een bijzondere positie in. Zij hebben een speciale rechtspositie, waarbij in binnenkerkelijke aangelegenheden het kerkelijk recht (Codex Iuris Canonici) van toepassing is. In de kerkgenootschappen gelden voorts bijzondere arbeidsverhoudingen, kerkgebouwen zijn vrijgesteld van onroerend goedbelasting, en (aanstaande) ambtsdragers zijn vrijgesteld van militaire dienst.

In 1986 stelde de regering de Commissie van advies inzake de criteria voor steunverlening aan kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag (commissie-Hirsch Ballin) in. Na het verschijnen van haar rapport (1988) bleek er verschil van mening tussen kerken en overheid met betrekking tot subsidiëring van geestelijke verzorging in leger, gevangenis, ziekenhuizen en soortgelijke instellingen. Begin 1989 tendeerde de regering naar een vermindering van haar verplichtingen in dezen.

In de jaren van de twee paarse kabinetten groeide de kritiek van de kerken, niet alleen, zoals al opgemerkt werd, op de individualisering van normen en waarden, die de kabinetten zouden bevorderen, maar ook op de zakelijke houding die ten opzichte van de kerken werd ingenomen, onder meer waar het ging over de heffing van Onroerendzaakbelasting op kerkgebouwen, kostbare brandveiligheids- en ARBO-eisen, en de afschaffing van de goedkope kerktelefoon. De politiek zou, aldus kardinaal Simonis in 2001, de kerken opzettelijk ‘marginaliseren’. Overigens bepaalde de rechter in verband met de OZB in 2002 dat monumentale kerkgebouwen slechts één euro waard zijn.

Literatuur

  • Verhouding kerk en staat in Nederland, Utrecht (CIO/SRKK), 1998
  • J.A.F. Peters (red.), Kerk en staat. Actuele ontwikkelingen belicht, Zwolle, 1989
  • S.C. den Dekker-van Bijsterveld e.a., Kerk en staat. Hun onderlinge verhouding binnen de Nederlandse samenleving, Baarn, 1987.
Scroll naar top