Inhoud

Lijpharts verzuilingsmodel

Een samenvattend beeld van de mate waarin voor de verzuiling kenmerkende aspecten van belang zijn voor de partijkeuze kan worden gegeven aan de hand van het zogenaamde verzuilingsmodel.

In dit model, dat in 1968 is ontwikkeld door A. Lijphart, is een indeling van het electoraat gemaakt op basis van een drietal factoren: de religieuze gezindte, de frequentie van de kerkgang van gelovige kiezers en de sociale klasse.

De indeling van het electoraat geschiedt als volgt. Allereerst wordt aan de hand van een vraag naar de religieuze gezindte van de kiezers een onderscheid gemaakt tussen de mensen die zich rekenen tot een van de drie religieuze hoofdstromen in Nederland (katholieken, gereformeerden en Nederlands hervormden) en de mensen die zich hier niet toe rekenen. Binnen de eerste groep wordt een nadere indeling gemaakt tussen praktizerende en niet-praktizerende gelovigen. Iemand wordt tot de praktizerende gelovigen gerekend als deze persoon minstens een maal per maand een kerkdienst bezoekt. Na deze eerste twee stappen zijn drie groepen binnen het verzuilingsmodel beschreven: praktizerende katholieken, praktizerende gereformeerden en praktizerende Nederlands hervormden.

Voor de verzuiling speelde niet alleen religie, maar daarna(ast) de sociaal-economische positie van de kiezer een belangrijke rol. De volgende stap bij de indeling van de groepen binnen het verzuilingsmodel betrekt dan ook de sociale klasse in de beschouwing. Hoewel dit als gevolg van een niet altijd gelijke operationalisatie en meting – zeker in de periode voor 1971 – enige complicaties oplevert, wordt een onderscheid gemaakt tussen mensen in de arbeidersklasse enerzijds en mensen in de middenklasse (en hogere klasse) anderzijds. Voor de periode waarin Nationale kiezersonderzoeken zijn gehouden wordt gebruik gemaakt van de subjectieve sociale klasse. Aan de drie groepen praktizerende gelovigen kunnen nu twee groepen zogenaamde seculiere kiezers worden toegevoegd. De eerste groep bestaat uit de niet-praktizerende gelovigen, dat wil zeggen mensen die zich tot een bepaald kerkgenootschap rekenen maar minder dan eens per maand een kerkdienst bezoeken, die zeggen tot de arbeidersklasse te behoren en de niet-gelovigen die zich rekenen tot de arbeidersklasse. De tweede groep seculiere kiezers bestaat uit niet-praktizerende gelovigen en ongelovigen die zich rekenen tot de middenklasse. Het verzuilingsmodel kent ten slotte een zogenaamde restgroep, waartoe die mensen behoren die niet in een van de vijf hoofdgroepen kunnen worden gerekend, bijvoorbeeld door het ontbreken van informatie over hun klasse of vanwege het feit dat zij een andere religie dan de drie genoemde aanhangen.

Voor de groepen van het verzuilingsmodel dient tenslotte uiteraard het stemgedrag te worden bekeken. Hierbij gaat het met name om de verzuilde partijkeuze; gekeken wordt naar de mate waarin praktizerend katholieken op de KVP (vanaf 1977 CDA) stemmen, praktizerend gereformeerden op de ARP (vanaf 1977 CDA) of de kleine confessionele partijen, praktizerend Nederlands hervormden op de CHU (vanaf 1977 CDA) of de kleine confessionele partijen, seculiere kiezers uit de arbeidersklasse op de PvdA en seculiere kiezers uit de middenklasse op de VVD stemmen. Voor de volledigheid is bij de praktizerend gelovigen tevens het stemmenaandeel voor de kleine confessionele partijen weergegeven. In de tabellen 52 tot en met 60B staan de desbetreffende gegevens.

Tabel 52. Verzuiling en stemgedrag, 1956.

Praktizerende katholieken

Praktizerende hervormden

Praktizerende gereformeerden

Seculiere arbeidersklasse

Seculiere Middenklasse

Totaal %

KVP

95

0

0

4

3

30

ARP

0

18

90

6

4

13

CHU

0

45

3

7

12

10

PvdA

2

23

1

68

44

33

VVD

0

5

0

5

32

7

Andere partij

3

9

5

10

6

7

Totaal

100%

100%

99%

100%

101%

100%

N=

295

121

93

321

152

982

N%

30,0%

12,3%

9,5% 32,7%

15,5%

100%

Merk op.: 72,4% (vet gezet) stemt volgens het verzuilingsmodel.

Tabel 53. Verzuiling en stemgedrag, 1968.

Praktizerende katholieken

Praktizerende hervormden

Praktizerende gerefor-meerden

Seculiere arbeidersklasse

Seculiere Middenklasse

Totaal %

KVP

72

1

0

3

2

23

ARP

0

13

76

2

2

12

CHU

0

42

2

1

1

9

PvdA

5

21

5

65

40

29

VVD

5

13

2

5

25

9

D66

10

3

3

11

20

1 0

Andere partij

7

7

12

10

8

8

Totaal

99%

100%

100%

97%

98%

100%

N =

440

232

185

373

261

1491

N%

29,5%

15,6%

12,4% 25,0%

17,5%

100%

Merk op: 60,1% (vet gezet) stemt volgens het verzuilingsmodel.

Tabel 54. Verzuiling en stemgedrag, 1971.

Praktizeren-

de katho-

lieken

Praktizeren-

de hervorm-

den

Praktizeren-

de gerefor-

meerden

Seculiere arbeiders-

klasse

Seculiere Midden-

klasse

Anderen

Totaal %

KVP

67

1

1

5

5

6

23

ARP

9

66

3

4

5

9

CHU

1

44

2

3

2

5

6

SGP

9

11

0

2

GPV

3

9

0

1

1

PvdA

10

17

4

57

26

33

25

VVD

6

7

1

2

25

12

10

D66

6

4

1

9

15

16

9

CPN

0

9

2

3

2

PSP

0

1

3

6

2

PPR

3

1

1

2

2

2

DS70

4

6

1

7

12

9

7

BP

1

1

1

1

Andere

partij

2

1

2

1

3

2

2

Totaal

100%

101%

99%

99%

100%

100%

101%

N=

482

153

142

314

374

131

1596

N%

30,2%

9,6%

5,9%

19,7%

23,4%

8,2%

100%

Merk op.: 45,2% (vet gezet) stemt volgens het verzuilingsmodel; 47,0% (vet gezet) stemt volgens het model, indien gereformeerden die op kleine confessionele partijen hebben gestemd worden meegerekend.

Tabel 55. Verzuiling en stemgedrag, 1972.

Praktizeren-

de katho-

lieken

Praktizeren-

de hervorm-

den

Praktizeren-

de gerefor-

meerden

Seculiere arbeiders-

klasse

Seculiere Midden-

klasse

Anderen

Totaal %

KVP

58

1

6

7

3

16

RKPN

4

1

1

ARP

1

13

62

2

3

12

10

CHU

0

37

2

3

2

7

6

SGP

10

16

5

3

GPV

4

9

0

PvdA

11

11

1

64

23

32

26

VVD

11

12

3

3

35

18

16

D66

2

3

1

4

7

5

4

DS70

2

4

1

2

7

3

4

CPN

1

9

2

2

3

PPR

6

3

5

4

8

5

6

PSP

1

1

1

2

7

1

NMP

1

1

1

BP

3

1

3

1

2

2

Andere partij

1

1

1

1

Totaal

101%

101%

101%

101%

100%

101%

101%

N=

279

129

137

283

393

60

1281

N%

21,8%

10,1%

10,7%

22,1% 30,7%

4,7%

100%

Merk op: 48,0% (vet gezet) stemt volgens het verzuilingsmodel; 51,6% (vet gezet) stemt volgens het model, indien katholieken en gereformeerden die op bijbehorende partijen stemmen worden meegerekend.

Tabel 56. Verzuiling en stemgedrag, 1977.

Praktizeren-

de katho-

lieken

Praktizeren-

de hervorm-

den

Praktizeren-

de gerefor-

meerden

Seculiere arbeiders-

klasse

Seculiere Midden-

klasse

Anderen

Totaal %

CDA

60

52

75

13

18

18

35

RKPN

0

0

SGP

8

8

0

2

2

GPV

1

7

3

1

PvdA

17

18

4

67

35

39

36

VVD

10

15

4

5

30

16

15

D66

5

4

5

2

13

7

DS70

1

2

1

CPN

3

2

1

PSP

2

1

2

2

BP/RVP

1

1

1

Andere partij

2

2

1

1

3

1

Totaal %

100%

101%

100%

101%

101%

98%

103%

N =

285

108

107

335

364

66

1265

N%

22,5%

8,5%

8,5%

26,5%

28,8%

5,2%

100%

Merk op: 52% (vet gezet) stemt volgens het verzuilingsmodel; 53,7% (vet gezet) stemt volgens het model, indien katholieken en gereformeerden die op bijbehorende partijen stemmen worden meegerekend.

Tabel 57. Verzuiling en stemgedrag, 1981.

Praktizeren-

de katho-

lieken

Praktizeren de hervormden

Praktizeren-

de gerefor-

meerden

Seculiere arbeiders-

klasse

Seculiere Midden-

klasse

Anderen

Totaal %

CDA

71

49

68

13

18

17

34

SGP

8

8

0

0

3

2

GPV

1

9

0

3

1

RPF

0

4

2

0

4

1

PvdA

11

14

2

53

23

25

25

VVD

5

13

2

7

32

16

16

D66

10

7

3

16

17

17

13

CPN

1

4

2

1

2

PPR

1

3

2

1

4

3

2

PSP

0

1

3

3

12

3

DS70

0

0

1

1

BP/RVP

1

0

0

CP/CD

0

0

0

EVP

0

5

0

Andere partij

0

1

0

1

1

1

Totaal

98%

102%

102%

98%

101%

101%

101%

N=

294

107

130

377

509

77

1494

N%

19,7%

7,2%

8,7%

25,2% 34,1%

5,2%

100%

Merk op: 47,5% (vet gezet) stemt volgens het verzuilingsmodel; 49,1% (vet gezet) stemt volgens het model, indien gereformeerden die op kleine confessionele partijen stemmen worden meegerekend.

Tabel 58. Verzuiling en stemgedrag, 1982.

Praktizeren-

de katholie-

ken

Praktizeren-

de hervorm-

den

Praktizeren-

de gerefor-

meerden

Seculiere arbeiders-

klasse

Seculiere Midden-

klasse

Anderen

Totaal %

CDA

63

52

58

11

13

11

27

SGP

7

13

0

2

2

GPV

2

4

0

2

1

RPF

2

5

8

1

PvdA

12

9

2

63

31

27

32

VVD

19

19

10

11

39

23

252

D66

2

5

2

4

7

10

5

CPN

1

3

1

7

1

PPR

2

2

2

3

2

5

2

PSP

1

2

5

7

3

DS70

1

1

1

BP/RVP

0

0

EVP

1

2

4

1

1

CP/CD

1

0

0

Andere partij

1

0

Totaal

101%

100%

100%

101%

99%

102%

101%

N=

218

97

95

312

553

62

1337

N%

16.3%

7,3%

7,1%

23,3%

41,4%

4,6%

100%

Merk op: 48,9% (vet gezet) stemt volgens het verzuilingsmodel; 50,4% (vet gezet) stemt volgens het model, indien gereformeerden die op kleine confessionele partijen stemmen worden meegerekend.

Tabel 59. Verzuiling en stemgedrag, 1986.

Praktizeren-

de katholie-

ken

Praktizeren-

de hervorm-

den

Praktizeren-

de gerefor-

meerden

Seculiere arbeiders-

klasse

Seculiere Midden-

klasse

Anderen

Totaal %

CDA

66

58

58

18

22

22

32

SGP

7

9

5

1

GPV

1

14

0

5

1

RPF

6

2

0

5

1

PvdA

19

17

10

60

32

33

35

VVD

10

6

3

7

28

16

17

D66

4

3

2

7

10

6

7

CPN

1

1

1

PPR

3

2

2

2

22

CP/CD

1

0

EVP

1

1

1

Andere partij

1

2

1

3

1

Totaal

100%

98%

101%

100%

100%

100%

101%

N=

188

95

59

310

540

63

1255

N%

15,0%

7,6%

4,7%

24,7%

43,0%

5,0%

100%

Merk op: 44,1% (vetgezet) stemt volgens het verzuilingsmodel; 45,1% (vetgezet) stemt volgens het model, indien gereformeerden die op kleine confessionele partijen stemmen meegerekend worden.

Tabel 60. Verzuiling en stemgedrag, 1989.

Praktizeren-

de katholie-

ken

Praktizeren-

de hervorm-

den

Praktizeren-

de gerefor-

meerden

Seculiere arbeiders-

klasse

Seculiere Midden-

klasse

Anderen

Totaal %

CDA

72

53

59

14

23

26

33

SGP

12

12

2

GPV

1

1

15

0

1

1

RPF

7

5

0

6

1

PvdA

18

16

4

63

30

28

32

VVD

4

5

1

6

23

17

14

D66

4

4

2

8

15

15

10

Groen Links

1

1

3

7

7

6

5

CP/CD

1

1

0

0

Andere partij

1

1

1

1

1

Totaal

101%

101%

l01%

100%

99%

99%

99%

N =

182

103

104

290

636

70

1385

N%

13,1%

7,4%

7,5%

20,9% 459%

5,1%

100%

Merk op: 41,6 (vet gezet) stemt volgens het verzuilingsmodel; 3,9% (vet gezet) stemt op volgens het model, indien gereformeerden die op kleine confessionele partijen stemmen worden meegerekend.

Tabel 60A. Verzuiling en stemgedrag, 1994.

Praktizeren-

de katholie-

ken

Praktizeren-

de hervorm-

den

Praktizeren-

de gerefor-

meerden

Seculiere arbeiders-

klasse

Seculiere midden-

klasse

Anderen

Totaal %

CDA

53

43

52

8

11

13

20

SGP

1

8

0

GPV

1

12

0

1

RPF

1

8

8

0

7

1

PvdA

11

15

3

42

25

24

25

VVD

17

12

8

13

30

20

22

D66

8

11

8

19

22

19

18

Groen Links

3

5

2

5

7

11

6

CD

2

1

1

AOV/Unie 55+

6

5

2

6

3

2

4

SP

1

4

1

2

1

Andere partij

2

1

2

1

Totaal

100%

101%

103%

101%

101%

100%

100%

N=

176

86

66

282

728

55

1393

12,6%

6,2%

4,7%

20,2%

52,3%

3,9%

99,9%

Merk op: 46,9% (vet gezet) stemt volgens het verzuilingsmodel; 48,2% (vet gezet) stem volgens het model, indien gereformeerden die op kleine confessionele partijen stemmen worden meegerekend.

Bron: Nationaal kiezersonderzoek 1994.

Tabel 60B. Verzuiling en stemgedrag, 1998.

Praktizeren-

de katholie-

ken

Praktizeren-

de hervorm-

den

Praktizeren-

de gerefor-

meerden

Seculiere arbeiders-

klasse

Seculiere midden-

klasse

Anderen

totaal %

CDA

53

44

44

6

9

14

18

SGP

4

10

0

1

GPV

2

17

0

1

1

RPF

16

12

14

2

PvdA

26

13

3

50

29

26

29

VVD

12

9

6

12

31

9

22

D66

5

2

2

6

17

11

12

Groen Links

2

7

5

11

9

15

9

CD

1

1

0

0

Unie 55+

0

1

0

AOV

1

0

0

Sen.2000

1

1

0

SP

2

1

1

4

6

4

Andere partij

1

1

1

1

2

2

Totaal

102%

100%

97%

99%

100%

99%

100%

N=

172

86

98

255

928

91

1630

10,6%

5,3%

6,0%

15,6%

56,9%

5,6%

100%

Merk op: 49,1% (vet gezet) stemt volgens het verzuilingsmodel; 51,4% (vet gezet) stem volgens het model, indien gereformeerden die op kleine confessionele partijen stemmen worden meegerekend.

Bron: Nationaal kiezersonderzoek 1998.

Ten eerste moet worden opgemerkt, dat het model met name een goed beeld geeft van de partijvoorkeur van praktizerende katholieken en gereformeerden. Dit is voor alle jaren, te beginnen in 1956, het geval. Voor 1956 blijkt van de praktizerende katholieken 95% op de KVP te stemmen, en van de praktizerende gereformeerden heeft 90% een voorkeur voor de ARP uitgesproken. Van de praktizerende hervormden stemt een grote minderheid (45%) op de CHU, maar van deze kiezers kan het stemgedrag moeilijk homogeen worden genoemd. Van de seculiere arbeiders bracht tweederde deel een stem op de PvdA uit. Evenmin als bij de praktizerende hervormden is bij de seculiere middenklasse sprake van homogeen stemgedrag. Aan het einde van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig kan een afbrokkeling van het homogene stemgedrag van de diverse groepen kiezers worden geconstateerd. Het meest duidelijk is dit voor de praktizerende katholieken, waarvan in 1968 nog „slechts” 72% op de KVP stemt. In 1971 zien we eveneens een lichte teruggang van het aandeel voor de PvdA in de seculiere arbeidersklasse. De praktizerende gereformeerden blijven hun stem trouw geven aan partijen op protestants-christelijke grondslag (ARP, SGP, GPV). Onder de praktizerende hervormden en seculiere middenklassers blijft wat betreft hun partijvoorkeur een verdeeld beeld bestaan.

Voor 1977 is, samenvallend met de verschijning van het CDA op het landelijke politieke toneel, een licht herstel van homogeniteit onder kerkgaande katholieken en gereformeerden te constateren. Tot en met 1989 is het aandeel praktizerende katholieken dat op het CDA stemt ongeveer twee derde. In 1994 zakt dit aandeel echter tot net boven de helft, het niveau dat vier jaar later wederom wordt bereikt (53%). In 1994 wordt een vergelijkbaar percentage (52%) stemmen voor het CDA genoteerd voor de praktizerende gereformeerden, maar in 1998 is dit percentage tot onder de vijftig gedaald (44%). Er is overigens wel een verschil te constateren tussen het verlies van het CDA onder praktizerende katholieken en dat onder gereformeerden. Katholieke kiezers lijken vooral naar seculiere partijen te zijn gegaan, terwijl dit voor praktizerende gereformeerden in mindere mate het geval is, daar een deel van deze kiezersgroep zijn electorale heil heeft gezocht bij de kleine protestants-christelijke partijen. Onder praktizerende Nederlands hervormden, die traditioneel in groter aantallen op niet-confessionele partijen stemmen, is het voor praktizerende katholieken en gereformeerden geconstateerde patroon eveneens aanwezig. Minder dan de helft stemt bij de meest recente verkiezingen op het CDA; het percentage voor VVD, D66 (in 1994) en RPF is gestegen.

Ook de seculiere arbeiders passen heden ten dage minder in het verzuilingsmodel dan in het verleden het geval was. Tussen 1977 en 1989 zakt het percentage niet-kerkgaande arbeiders dat op de PvdA stemt slechts een enkele maal (in 1981) onder de zestig procent. In de jaren negentig wordt in 1994 een dieptepunt bereikt van 42%, en ondanks herstel in 1998 komt het aandeel kiezers uit deze groep voor de PvdA ook in dat jaar niet hoger dan 50%. Naast de stemmen die weglekken naar andere partijen aan de linkerzijde van het politieke spectrum, lijkt het erop dat de VVD wat meer electorale aantrekkingskracht op deze kiezersgroep weet uit te oefenen. In 1994 deden de ouderenpartijen het eveneens relatief goed onder deze groep van seculiere arbeiders.

Binnen de seculiere middenklasse behaalt de VVD min of meer constant rond de 30% der stemmen. Toch betekent dit een gunstige electorale positie voor de VVD, daar deze groep kiezers langzaam maar voortdurend in omvang toeneemt, terwijl de andere naar de combinatie van religie en sociale klasse onderscheiden groepen juist krimpen. Een constant aandeel in een groeiend kiezerssegment betekent in het uiteindelijke resultaat winst voor de VVD.

De groei van de seculiere middenklasse en de positie van de VVD daarin zijn ook van invloed op de totale verklarende waarde van het verzuilingsmodel. Van een hoogtepunt van 72% dat stemt volgens dit model in 1956 is het verklaarde percentage gedaald naar 42% in 1989. Daarna stijgt dit percentage weer naar 47% in 1994 en zelfs 49% in 1998, maar deze stijging is bovenal het gevolg van het feit dat de VVD een gelijkblijvend stemmenpercentage behaalt in de groeiende seculiere middenklasse, terwijl zowel de omvang als de modelmatige percentages in de andere onderscheiden groepen (blijven) dalen. Het verzuilingsmodel lijkt dan ook ter verklaring van het stemgedrag der Nederlandse kiezer op sterven na dood.

Zie voor opzet en gebruik van het verzuilingsmodel:

  • G. A. Irwin en J. J. M. van Holsteyn, Parties and politicians in the parliamentary elections of 1998, in: K. Aarts en H. Semetko (red.), The 1998 Dutch Election in Perspective, in: Acta Politica, 34 (1999)
  • G. Irwin, en J. van Holsteyn, Where to from here? Revamping electoral politics in the Netherlands, in: West European Politics, 20 (1997), pp. 93-118
  • R. Andeweg, Afscheid van de verzuiling?, in: J. J. M. van Holsteyn en B. Niemöller (red.), De Nederlandse Kiezer 1994, Leiden, 1995, pp. 111-125
  • R. B. Andeweg, De burger in de Nederlandse politiek, in: R. B. Andeweg, A. Hoogerwerf en J. J. A. Thomassen (red.), Politiek in Nederland, 3e druk, 1989, pp. 79-102
  • R. B. Andeweg, Factoren die het stemgedrag mede bepalen, in: G. A. Irwin, J. Verhoef en C. J. Wiebrens (red.), De Nederlandse kiezer ’77, Voorschoten, 1977, pp. 156-166
  • A. Lijphart, The Netherlands: continuity and change in voting behavior, in: R. Rose (ed.), Electoral behavior. A comparative handbook, New York, 1974, pp. 227-268. 
Scroll naar top