Inhoud

Ontstaan en functies

Over de functies van zuilen komen in de literatuur minstens drie theoretische invalshoeken voor:

1. De emancipatie- en protectiethesen hebben gemeenschappelijk dat zij meestal één zuil tot uitgangspunt nemen en de nadruk leggen op de motieven van verzuilers. De emancipatiethese plaatst de zuilen in het kader van maatschappelijke belangenbehartiging voor zover de verzuilers streefden naar de bewustwording en bevrijding van de achterban uit een achtergestelde positie. De protectiethese daarentegen verklaart de opkomst van de zuilen als een afweer tegen vormen van politieke en sociale modernisering en voor het behoud van de eigen traditionele godsdienstige waarden en cultuur. Het debat over beide interpretaties speelt het sterkst ten aanzien van de katholieke zuil. Enkele vertegenwoordigers van de emancipatiethese zijn L.J. Rogier, F. Van Heek, W. Goddijn en H. Verwey-Jonker. De protectiethese wordt verdedigd door o.a. H. Righart en R. Steininger. Anderen, zoals J.P. Kruyt en J.A. Bornewasser, menen dat zowel elementen van protectie als emancipatie een rol hebben gespeeld bij de katholieke verzuiling. Deze laatste, genuanceerde, opvatting vindt men ook vaak terug ten aanzien van de orthodox-protestantse zuilvorming (J. Hendriks). De sociaal-democratische zuilvorming wordt in de literatuur eenduidig besproken als een emancipatieproces (bijvoorbeeld G. Harmsen en B. Reinalda).

2. De elite- en sociale theorieën relateren de totstandkoming van de zuilen aan het gedrag van elites, in het bijzonder aan de rol die zuilbestuurders speelden bij de integratie van de zuilen. Het gaat daarbij zowel om de interne coördinatie van de zuilen als om de onderlinge coördinatie tussen de zuilen. Voorbeelden van deze benadering ziet men in onderzoek van sociologen (T. Duffhues), politicologen (A. Lijphart), historici (I. Schöffer) en antropologen (L. Brunt). De controletheorieën leggen sterk de nadruk op de sociale controle als machtsmiddel van elites (zoals bij J.A.A. van Doorn en M.P.C.M. van Schendelen).

3. Moderniserings- en eenwordingstheorieën benadrukken de maatschappelijke context waarbinnen de verzuilers opereerden. De verzuiling verschafte de mogelijkheid aan godsdienstige groepen om de eigen identiteit te behouden, terwijl tegelijkertijd de modernisering van de maatschappij en economie doorgang kon vinden. Dit was mede mogelijk omdat de zuilorganisaties (zoals belangenverenigingen) modern waren opgezet met behulp van ledenadministraties, subsidies en lokale afdelingen waardoor grote groepen bereikt en gebonden konden worden. De samenhang tussen verzuiling en modernisering wordt vaak besproken in het verlengde van de nationale eenwording. De verzuiling was een manier om de oude vervagende territoriale verbanden te vervangen door functionele bindingen die tot stand werden gebracht middels moderne zuilorganisaties. Uiteenlopende voorbeelden van deze benaderingswijze zijn te vinden bij E.H. Bax, H. Daalder, J.E. Ellemers, H. Knippenberg en B. De Pater, en S. Stuurman.

In de verzuilingsliteratuur komt ook de combinatie van de genoemde drie theoretische invalshoeken voor. De achterliggende gedachte is dat de verzuiling een gefaseerd proces was met steeds wisselende elites en oogmerken die ook weer verschilden per zuil. Om deze reden is niet mogelijk om de ontwikkeling van de drie zuilen consequent vanuit het emancipatie- óf het protectiemotief te verklaren.

Waarom is de verzuiling ontstaan? Het volgende overzicht beperkt zich tot de belangrijkste kenmerken en oorzaken. De bespreking volgt de bovenstaande indeling van verzuilingstheorieën. De emancipatietheorieën verklaren de verzuiling uit het proces van bewustwording en bevrijding uit een achtergestelde positie van katholieken en protestanten. De emancipatie van de orthodox-protestantse „kleine luyden” begon vanaf 1860 als een kerkelijke democratiseringsbeweging en een beweging van de kleine burgerij en lagere volksklasse gericht tegen de notabelen. Nadat onder leiding van Abraham Kuyper omstreeks 1920 de belangrijkste doelstellingen werden bereikt volgde een periode van afscherming van de buitenwereld (zie: hoofdstuk B0950 Kerk en religie in Nederland: de protestantse kerken en groepen. De emancipatie van de katholieken, beginnend vanaf het herstel van de Bisschoppelijke hiërarchie in 1853, was niet gericht tegen de kerkleiding, maar vond in toenemende mate juist plaats onder leiding van de geestelijkheid. Volgens diverse auteurs was het de geestelijkheid vooral te doen om de afscherming van moderniserende en seculariserende invloeden, dus om protectie, met als doel om een groeiende, omvangrijke en volgzame achterban te creëren. Andere auteurs zien de opkomst van de katholieke (en orthodox-protestantse) zuil als een gefaseerd proces waarin zowel elementen van protectie als emancipatie een rol hebben gespeeld (zie: hoofdstuk B0900 Kerk en religie in Nederland: het Nederlands katholicisme. In die zin zijn het geen elkaar uitsluitende verklaringen. De sociaal-democratische zuilvorming wordt daarentegen wel eenduidig verklaard als een emancipatiebeweging van arbeiders die opkwamen voor een verbetering van hun rechten en arbeidsomstandigheden. Mede door de late industrialisatie kreeg deze beweging in Nederland pas enige omvang omstreeks 1900. Protectieoverwegingen speelden hier geen rol.

De elitetheorieën verklaren het ontstaan van de verzuiling als een stabiel politiek systeem uit elitegedrag. Reeds in de jaren vijftig wees de historicus I. Schöffer erop dat de verzuiling meer inhoudt dan alleen de totstandkoming van afgezonderde blokken. Nog belangrijker dan zuilvorming is de zuilengedachte, dit is de wens van de elites om een deel te vormen van de overkoepeling van de segmenten. De politicoloog A. Lijphart heeft deze overkoepelingsgedachte tot de kern van zijn theorie gemaakt door de verzuiling te verklaren uit elitegedrag. Het verzuilde bestel kwam volgens A. Lijphart definitief tot stand met de Pacificatie van 1917 toen de elites overeenstemming bereikten over de financiële gelijkstelling van het bijzonder en het openbaar onderwijs, de invoering van algemeen (mannen)kiesrecht en sociale wetgeving. Volgens deze opvatting was de verzuiling een stelsel dat het mogelijk maakte dat scherpe maatschappelijke tegenstellingen (die kennelijk al bestonden in deze visie) werden opgelost doordat de elites samenwerkten terwijl de achterbannen gescheiden bleven. A. Lijphart noemt dit stelsel een pacificatiedemocratie waarin de elites zich houden aan de belangrijkste politieke spelregels:

  • zakelijke politiek: politiek overleg is serieus en resultaat-gericht en zeker geen spel
  • verdraagzaamheid: de pragmatische aanvaarding van ideologische verschillen tussen maatschappelijke groepen die niet veranderd kunnen en moeten worden
  • topoverleg: belangrijke kwesties dienen in (geheime) topconferenties behandeld te worden
  • evenredigheid: de verdeling van de middelen over de zuilen is proportioneel
  • de regering regeert: het parlement moet de regering niet voor de voeten lopen
  • depolitisering: gevoelige kwesties worden geneutraliseerd middels gecompliceerde juridische en economische argumentaties
  • geheimhouding: het accommodatieproces dient te worden afgeschermd van overmatige publiciteit.

De politicoloog Daalder ziet de totstandkoming van de verzuiling als een lange termijnproces. Hij verklaart het coöperatieve elitegedrag uit de historisch gegroeide inschikkelijkheid van lokale en regionale elites sinds de zeventiende eeuw (gekenmerkt door het zogenaamde „schikken en plooien” of accommodatie). Deze bereidheid tot overleg en inschikkelijkheid was mede het gevolg van het ontbreken van een eenduidig machtscentrum en het bestaan van louter minderheden. In deze visie betekent de verzuiling de integratie van nieuwe groepen in een reeds bestaande pluralistische politieke cultuur.

Of de elites werkelijk zo inschikkelijk en overlegbereid waren wordt door anderen betwijfeld. Volgens de politicologen M.P.C.M. van Schendelen en I. Scholten hadden de zuilelites belang bij het instandhouden van maatschappelijke tegenstellingen omdat daarmee hun posities werden zeker gesteld. Niet de pacificatie maar de politieke en sociale controle over de eigen achterban stond derhalve centraal. Een soortgelijke opvatting werd in de jaren vijftig reeds verwoord door de socioloog Van Doorn die sprak van verzuiling als een systeem van sociale controle.

Dat juist de verzuiling het dominante mechanisme werd van sociale controle wordt wel in verband gebracht met modernisering en nationale eenwording. Zo zien bijvoorbeeld de socioloog J.E. Ellemers, de econoom E.H. Bax en de sociaal-geografen H. Knippenberg en B. de Pater de verzuiling als de specifieke vorm waarin in Nederland de modernisering zijn beslag krijgt. De verzuiling combineert de moderne sociale en economische ontwikkeling met de traditionele wijzen van machtstoewijzing in de samenleving. De industrialisatie, modernisering en geleidelijke nationale eenwording vergroten de mogelijkheden tot wederzijdse beïnvloeding. De verzuiling was de manier om de vervagende territoriale bindingen te vervangen door functionele bindingen, zoals overkoepelende organisaties. De verzuiling bood derhalve mogelijkheden voor een gecontroleerde modernisering middels een gesegmenteerde integratie van minderheden.

Tot slot volgen enige opmerkingen over hoe de verzuiling eenheid tot stand kon brengen in een moderniserende en verdeelde samenleving. De antithese stelde dat de belangrijkste verschillen in de samenleving bestaan tussen gelovigen en ongelovigen. De uitwerking hiervan was dat één type tegenstelling steeds belangrijker ging worden en dat andere tegenstellingen hieraan ondergeschikt werden gemaakt. Arbeiders werden derhalve niet als arbeiders, maar als katholieke, protestantse of socialistische arbeiders georganiseerd. Interconfessionele organisaties, waaronder aanvankelijk het CNV, werden strijdig geacht met de centrale gedachte achter de antithese. Naarmate de antithese sterker ging doorwerken op de maatschappelijke organisaties en verhoudingen, gingen meer mensen de geloofstegenstellingen belangrijker vinden dan de klassentegenstellingen. Daardoor vielen de uiteenlopende sociale lagen uiteen in meerdere van elkaar geïsoleerde geloofsgroepen. Deze doorsnijdende scheidslijnen op basis van het geloof versterkten enerzijds de verdeeldheid, maar deden dat dusdanig dat de status quo en maatschappelijke stabiliteit erdoor werden bevorderd.

Onderstaande literatuur bevat werken die omvattende historische, theoretische en beschouwende overzichten bieden van het ontstaan, de functies en doorwerking van (aspecten van) de verzuiling in Nederland:

  • A.B. Dijkstra, J. Dronkers en R. Hofman (red.), Verzuiling in het onderwijs: actuele verklaringen en analyse, Groningen, 1997
  • M. Hoogenboom, Een miskende democratie: een andere visie op verzuiling en politieke samenwerking in Nederland, DSWO Press, Rijksuniversiteit Leiden, Leiden, 1996
  • P. Pennings, Verzuiling: consensus en controverse, in: U. Becker (red.), Nederlandse politiek in historisch en vergelijkend perspectief, Amsterdam, 1993, pp. 97-120
  • M. de Kwaasteniet, Denomination and primary education in The Netherlands, Amsterdam, 1990
  • S. Hellemans, Strijd om de moderniteit: sociale bewegingen en verzuiling in Europa sinds 1800, Leuven, 1990
  • J.A.A. van Doorn, Schets van de Nederlandse politieke traditie, in: J.W. de Beus, J.A.A. van Doorn en P.B. Lehning, De ideologische driehoek. Nederlandse politiek in historisch perspectief, Meppel, 1989, pp. 11-60
  • J. Billiet (red.), Tussen bescherming en verovering. Sociologen en historici over zuilvorming, Kadoc-studies 6, Leuven, 1988
  • H. Knippenberg en B. de Pater, De eenwording van Nederland. Schaalvergroting en integratie sinds 1800, Nijmegen, 1988
  • H. Bax, Modernization and cleavage in Dutch society. A study of long term economic and social change, Groningen, 1988
  • S. Stuurman, De Nederlandse staat tussen verzuiling en moderniteit, in: F. van Besouw e.a., Balans en perspectief: visies op de geschiedwetenschap in Nederland, Groningen, 1987, pp. 263-283
  • H. Righart, De katholieke zuil in Europa. Een vergelijkend onderzoek naar het ontstaan van verzuiling onder katholieken in Oostenrijk, Zwitserland, België en Nederland, Amsterdam, Boom, 1986
  • D. Th. Kuiper, De Doleantie en de Nederlandse samenleving, in: W. Bakker e.a. (red.), De Doleantie van 1886 en haar geschiedenis, Kampen, 1986, pp. 203-229
  • C.S.L. Janse, Bewaar het pand. De spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden, Houten, 1985
  • F.L. van Holthoon, Verzuiling in Nederland, in: F.L. van Holthoon (red.), De Nederlandse samenleving sinds 1815. Wording en samenhang, Assen/Maastricht, 1985, pp. 159-171
  • M.P.C.M. van Schendelen (red.), Consociationalism, pillarization and conflict-management in the Low Countries, Themanummer van Acta Politica, 1 (1984), pp. 5-178
  • J.E. Ellemers, Pillarization as a process of modernisation, in: M.P.C.M. van Schendelen (red.), Consociationalism, pillarization and conflict-management in the Low Countries, Acta Politica, 1 (1984), pp. 129-144
  • H. Daalder, On the origins of the consociational model, in: M.P.C.M. van Schendelen (red.), Consociationalism, pillarization and conflict-management in the Low Countries, Themanummer van Acta Politica, 1 (1984), pp. 97-116
  • S. Stuurman, Verzuiling, kapitalisme en patriarchaat. Aspecten van de ontwikkeling van de moderne staat in Nederland, Nijmegen, 1983
  • H. Daalder, Consociationalism, center and periphery in the Netherlands, in: P. Torsvik (red.), Mobilization, center-periphery and nation-builing. Bergen, 1981, pp. 181-240 (herdrukt in J.Th.J. van den Berg en B.A.G.M. Tromp, Politiek en historie, Amsterdam, 1990, pp. 21-63
  • H. Bakvis, Catholic power in the Netherlands, Kingston, 1981
  • P. de Rooy, Het grofste communisme. Een beschouwing over de verzuiling als integratieproces in de negentiende eeuw, in: Symposion, 1 (1980), pp. 8-21
  • I. Scholten, Does consociationalism exist? A critique of the Dutch experience, in: R. Rose (red.), Electoral participation. London/Beverley Hills, 1980, pp. 329-354
  • M.P.C.M. van Schendelen, Verzuiling en restauratie in de Nederlandse politiek, in: Beleid en Maatschappij, 1978, pp. 42-64
  • J.C. Boogman en C.A. Tamse (red.), Emancipatie in Nederland. De ontvoogding van burgerij en confessionelen in de negentiende eeuw, Den Haag, 1978
  • Th. van Tijn, Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: L. Box e.a. (red.), Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, Nijmegen, 1977
  • E.H. Kossmann, De lage landen 1780-1940. Anderhalve eeuw Nederland en België, Amsterdam, Brussel, 1976
  • R. Steininger, Polarisierung und integration. Eine vergleichende Untersuchung der strukturellen Versaulung der Gesellschaft in den Niederlanden und in Oesterreich, Meisenheim am Glan, 1975
  • G. Harmsen en B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid. Beknopte geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging, Nijmegen, 1975
  • H. Daalder, The consociational democracy theme, in: World Politics, 26 (1974), pp. 604-621
  • I. Schöffer, Het politieke bestel in Nederland en maatschappelijke verandering, in: Kleio, 14 (1973), pp. 118-534
  • D.Th. Kuiper, De voormannen. Een sociaal-wetenschappelijke studie over ideologie, konflikt en kerngroepvorming binnen de Gereformeerde wereld in Nederland tussen 1820 en 1930, Meppel, Kampen, 1972
  • J. Hendriks, De emancipatie van de gereformeerden. Sociologische bijdrage tot de verklaring van enige kenmerken van het huidige gereformeerde volksdeel, Alphen a/d Rijn, 1971
  • I. Schöffer, De Nederlandse politieke partijen, 1918-1938, in: L.W.G. Scholten, J.A. Bornewasser, I. Schöffer e.a., De Confessionelen: Ontstaan en ontwikkeling van hun politieke partijen, Utrecht, 1969, pp. 41-61
  • A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek. Amsterdam, 1968 (achtste herziene druk in 1990. Oorspronkelijk in het Engels: The Politics of Accommodation. Pluralism and Democracy in the Netherlands, Berkeley, 1968; 2e dr. 1975)
  • J.A. Bornewasser, De katholieke partijvorming tot de Eerste Wereldoorlog, in: L.W.G. Scholten e.a., De confessionelen. Ontstaan en ontwikkeling van de christelijke partijen, Utrecht, 1968, pp. 23-41
  • H. Daalder, The Netherlands, opposition in a segmented society, in: R.A. Dahl (red.), Political oppositions in western democracies, New Haven/London, 1966, pp. 188-237
  • J.J. Poeisz, Gruppenisolierung, Kirchlichkeit und Religiosität: Das niederländische Beispiel, in: Internationales Jahrbuch für Religions-soziologie, (1965), pp. 113-150
  • G. van der Kroon, In de woestijn van de moraal. Een documentaire over de katholieke moraal in Nederland in de jaren 1945-1965, Utrecht, 1965
  • J.J. Gielen e.a., Pacificatie en de zuilen, Meppel, 1965
  • J.A. de Kok, Nederland op de breuklijn Rome-Reformatie, Assen, 1964
  • A. Hoogerwerf, Protestantisme en Progressiviteit, Meppel, 1964
  • H. Daalder, Leiding en lijdelijkheid in de Nederlandse politiek, Assen, 1964
  • J.P. Kruyt en W. Goddijn O.F.M., Verzuiling en ontzuiling als sociologisch proces, in: A.N.J. den Hollander e.a. (red.) Drift en Koers, Assen, 1962, pp. 227-263
  • H. Verwey-Jonker, De emancipatiebewegingen, in: A.N.J. Den Hollander e.a. (red.), Drift en koers, Assen, 1962, pp. 105-125
  • J.P. Kruyt, Verzuiling, Zaandijk, 1959
  • M. Matthijssen, De intellectuele emancipatie der katholieken. Historische en sociografische analyse van het Nederlands katholiek middelbaar onderwijs, Assen, 1958
  • Fr. de Jong Edzn, Verzuiling in historisch perspectief, in: Socialisme en Democratie, (1957), pp. 2-10
  • W. Goddijn, O.F.M., Katholieke minderheid en protestantse dominant. Sociologische nawerking van de historische relatie tussen katholieken en protestanten in het bijzonder in de provincie Friesland, Assen, 1957
  • L.J. Rogier, Katholieke herleving. Geschiedenis van katholiek Nederland sinds 1853, Den Haag, 1956
  • F. van Heek, Het geboorte-niveau der Nederlandse Rooms-katholieken. Een demografisch-sociologische studie van een geëmancipeerde minderheidsgroep, Leiden, 1954. 
Scroll naar top