Inhoud

Taken

De burgemeester is voorzitter van de gemeenteraad, uiteraard zonder dat hij daarin stemrecht heeft. Tot 2008 bepaalde de Grondwet dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Deze bepaling is uit de Grondwet gehaald, maar staat nog altijd wel in de Gemeentewet. Zie voor deze deconstitutionalisering:

  • Bijlage 31.013, Handelingen Tweede Kamer, 2007-2008, nrs. 1.e.v. Verandering in de Grondwet, strekkende tot het vervallen van de bepaling inzake het voorzitterschap van de gemeenteraad en van provinciale staten (de tweede lezing)
  • Bijlage 29.978, Handelingen Tweede Kamer, 2005-2006, nrs. 1 e.v. Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het vervallen van de bepaling inzake het voorzitterschap van de gemeenteraad en van provinciale staten (de eerste lezing). 

Belangrijker dan het voorzitterschap van de raad is het dat burgemeester en wethouders – binnen de kaders die de raad stelt – de gemeente besturen. Burgemeester en wethouder vormen tezamen het college van burgemeester en wethouders, het college van B en W. De burgemeester is ook voorzitter van dit college en als zodanig moet hij de eenheid van het collegebeleid bevorderen. In tegenstelling tot zijn voorzitterschap van de raad, heeft hij in het college van B&W wel stemrecht. Sterker nog: bij onbesliste stemmingen geeft zijn stem de doorslag.

Het voorzitterschap van zowel raad als college biedt de burgemeester de mogelijkheid de zaken intern af te stemmen. Verder dient hij de kwaliteit van het bestuur in de gemeente te bewaken.

De burgemeester is het gezicht van de gemeente. Niet alleen wordt hij door veel burgers zo gezien, maar hij vertegenwoordigt de gemeente ook in (rechtsgedingen) en buiten (passeren van een notariële koopakte) rechte (artikel 171 Gemeentewet). Hij treedt dan niet zelfstandig op, maar namens de gemeente.

De burgemeester is naast dit alles ook nog een zelfstandig bestuursorgaan met eigen bevoegdheden. Artikel 170 Gemeentewet bevat een algemeen geformuleerde taakstelling voor de burgemeester: “De burgemeester bevordert overigens een goede behartiging van de gemeentelijke aangelegenheden”. Sinds 1969 is de burgemeester politiek verantwoordelijk tegenover de gemeenteraad voor de uitoefening van zijn taken die voortvloeien uit de gemeentewet en uit medebewind. Het meest in het oog springende voorbeeld daarvan ligt op het terrein van de openbare orde en de veiligheid. Artikel 175 Gemeentewet formuleert het zo: “In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen en zware ongevallen, dan wel ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de burgemeester bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht”. Het is de burgemeester die, geheel los van het college van B&W, bijvoorbeeld voetbalwedstrijden verbiedt i.v.m. het risico voor de openbare orde. Sinds 1969 dient de burgemeester ook over zijn openbare orde-taken verantwoording af te leggen in de gemeenteraad, zie: Wet van 13 november 1969, Staatsblad 1969, nr. 535).

Ook kan de burgemeester in voorkomende gevallen noodverordeningen vaststellen die algemene voorschriften bevatten die nodig zijn voor de handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar. De burgemeester kan daarbij afwijken van wetten, alleen afwijken van de Grondwet is expliciet uitgesloten. De noodverordeningen moeten door de Gemeenteraad worden bekrachtigd in de eerstvolgende zitting, anders komen ze te vervallen. Verder heeft de burgemeester het bevel over de brandweer, kan hij woningen en lokalen sluiten en heeft hij de bevoegdheid in bijzondere gevallen noodbevelen en noodverordeningen uit te vaardigen. Bestuurlijke ophouding (het gedurende maximaal 12 uur op een bepaalde plaats vasthouden van groepen) behoort ook tot de bevoegdheden van de burgemeester, die ook veiligheidsreisicogebieden kan aanwijzen, waar, zonder aanleiding, gefouilleerd kan worden op wapenbezit. Enkele burgemeesters van grotere steden zijn ook korpsbeheerder van de politie.

Zie: M.A.D.W. De Jong, Orde in beweging. Openbare-ordehandhaving en de persoonlijke vrijheid, Deventer, 2000.

Zie over de lichte bevelsbevoegdheid van de burgemeester: J.G. Brouwer en A.J. Wierenga, “Een ontaarde bevoegdheid. Het lichte bevel van artikel 172 lid 3 Gemeentewet”, in: De Gemeentestem, Volume 2015, No. 7423, p.310-317. Met de lichte bevelsbevoegdheid van art. 172 lid 3 Gemeentewet kan de burgemeester – uitsluitend ter onverwijlde reactie op een zich plotsklaps voordoend actueel en concreet gevaar – tijdelijk de inhoud van het recht veranderen bij een zich plotsklaps voordoende actuele en concrete verstoring van de openbare orde dan wel ernstige vrees hiervoor. De zwakke democratische legitimatie alsmede de beperkte voorzienbaarheid van de lichte bevelen vormen volgens de auteurs redenen om strenge eisen te stellen aan de inhoud van de op basis van deze bevoegdheid getroffen maatregelen.

De 25 regionale politiekorpsen hebben een regionale korpsbeheerder: de burgemeester van de grootste gemeente in de regio (in een enkel geval de burgemeester van de provinciehoofdstad). Deze korpsbeheerder is bevoegd inzake de handhaving van de openbare orde en de hulpverlening door de politie. De Officier van Justitie heeft bevoegdheid over de politie als het gaat om justitiële taken (strafrecht). De korpschef (commissaris van politie, feitelijke leiding van het politieapparaat) maakt eveneens deel uit van deze driehoek. Naast deze dagelijkse leiding kent de politieregio het regionale college. Daarin hebben alle burgemeesters in de regio zitting en de hoofdofficier van justitie. De burgemeester van de grootste stad in de regio is voorzitter van het regionale college.

Zie verder:

  • M.A.D.W. de Jong, H.R.B.M. Kummeling en M.C. Burkens, Het gebruik van gemeentelijke noodbevoegdheden, Zwolle, 1994
  • H.Ph.J.A.M. Hennekens, Handhaving van de openbare orde, ‘s-Gravenhae, 1990.
Scroll naar top