Inhoud

Naoorlogse ontwikkelingen

Het naoorlogse joodse leven stond uiteraard sterk in het teken van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. Vrijwel iedere jood had een groot deel van zijn familie en vrienden verloren. Bij velen bestond een begrijpelijke angst zich bij een joods kerkgenootschap te laten registreren. Slechts een gering aantal personen vond de moed en de energie zich voor de joodse gemeenschap in te zetten.

Die joodse gemeenschap was dusdanig gedecimeerd, dat veel joodse gemeenten geheel of vrijwel geheel verdwenen waren. Van de 139 in 1939 bestaande joodse gemeenten waren er in 1953 nog slechts 58 over. Ook nadien liep het aantal gemeenten terug, vooral in de Mediene. De geestelijke eenzaamheid van de joden aldaar bracht velen ertoe zich in de Randstad en met name Amsterdam te vestigen. Een deel van de joden emigreerde naar Israël.

Van de oorspronkelijke twee Portugees-joodse gemeenten bleef alleen die in Amsterdam over. De intact gebleven Portugees-joodse synagoge – de Snoge aan het Mr. Visserplein – werd het gebouw in Nederland waar de belangrijkste joodse manifestaties plaatsvonden en plaatsvinden. De wederopbouw van deze Amsterdamse gemeente was vooral het werk van de gebroeders S.A. en E.A. Rodrigues Pereira. In 1971 waren er ongeveer 830 joden lid van deze gemeente. Nadien liep het aantal leden terug tot circa 300 volgens de meest recente schatting in 1992. Ook van de beperkte groep liberale joden overleefden slechts enkelen de oorlog. Aanvankelijk kwam alleen in Amsterdam weer een liberaal-joodse gemeente van de grond. In 1954 volgde de heroprichting van de liberaal-joodse gemeente te ’s-Gra-venhage. Met het aantreden van rabbijn Jacob Soetendorp (1914-1976) begon een periode van bloei die leidde tot de stichting van nieuwe liberaal-joodse gemeenten in Rotterdam, Breda, Arnhem en Twente. Deze groei werd mede mogelijk gemaakt door een liberaal toelatingsbeleid, waarbij het geloof belangrijker was dan de joodse afkomst. Het aantal leden wordt geschat op circa 2300 in 1992.

Het meer orthodoxe Nederlands-Israëlitisch kerkgenootschap herbergt nog wel de overgrote meerderheid van de Nederlandse joden, maar zag zijn aanhang in de naoorlogse periode drastisch slinken (zie tabel 3B). Van de ongeveer 45 gemeenten rond 1970 waren er in 1991 nog 33 over. Het aantal leden liep in dezelfde periode terug van 9400 tot ongeveer 5800. Een recente opgave (1999) komt uit op 5139 leden verdeeld over 34 gemeenten. Behalve demografische factoren (lage vruchtbaarheid en ongunstige leeftijdsopbouw) kan de algemene secularisatie hiervoor verantwoordelijk gesteld worden. In het algemeen vindt een verval van de joodse tradities plaats, wel als „ontjoodsing” aangeduid. Men bezoekt minder de synagoge, eet minder koosjer voedsel en sluit minder joodse huwelijken. De geringe omvang van de joodse gemeenten speelt bij dit verval een rol.

Bestuurlijke vernieuwingen, die meestal neerkomen op centralisatie en bundeling van krachten proberen het tij te keren. Toch zijn er – meer recent – ook tekenen die wijzen op een zekere opbloei van de joodse orthodoxie, getuige bijvoorbeeld de belangstelling voor het (orthodox-)joodse onderwijs. Het in 1975 opgerichte Cheider (een Amsterdamse school op ultra-orthodoxe basis) kan in ieder geval op een bloeiend bestaan bogen. In 1991 registreerde men 200 leerlingen.

Tabel 3B. Aantal leden van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap 1951-1991.

1951

1971

1991

Amsterdam

5202

4530

3050

Den Haag

1100

750

388

Rotterdam

780

771

374

Groningen/Friesland/Drenthe

558

298

173

Overijssel/Gelderland

1847

1148

617

N- en Z-Holland (rest)/Utrecht

1713

1263

829

Zeeland/Noord-Brabant/l,imburg

933

612

389

Totaal

12133

9372

5820

Bron: J. Michman e.a., Pinkas.Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland, Ede/Antwerpen, 1992, p. 237.

Het meest recente onderzoek dat inzicht biedt in de omvang en godsdienstige beleving van de joodse bevolkingsgroep is:

  • H. van Solinge en M. de Vries (red.), De joden in Nederland anno 2000. Demografisch profiel en binding aan het jodendom, Amsterdam, 2001.

     

Dit onderzoek levert het volgende beeld op. In Nederland wonen naar schatting 30.000 joden volgens het halachisch criterium (dat wil zeggen geboren uit een joodse moeder). Voegt men daar de personen met alleen een joodse vader aan toe, dan komt men in totaal uit op ongeveer 43.000 joden. De overgrote meerderheid van hen (74%) beschouwt zichzelf niet-religieus, waaruit blijkt dat zij sterker geseculariseerd zijn dan de Nederlandse bevolking als geheel. Van de religieuze joden duidt 44% zich als liberaal-religieus aan, 33% als traditioneel-religieus en 22% als orthodox-religieus. Van degenen die zich als liberaal definiëren is overigens slechts de helft lid van het Verbond van Liberaal Religieuze joden in Nederland. Circa 16% is lid van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, dat ook de overgrote meerderheid van de traditioneel- en orthodox-religieuze joden herbergt.

Voor de joodse identiteit zeer belangrijk was de oprichting van de staat Israël. Deze gebeurtenis vormde als het ware de tegenpool van Holocaust, een teken van hoop en van veiligheid. In 1999 zegt 57% van de (etnische) joden (inclusief vader-joden) een zeer sterk gevoel van verbondenheid te voelen met Israël, terwijl 62% weleens in Israël is geweest. De verbondenheid met Israël komt ook tot uiting in het feit dat in de naoorlogse periode circa 10.000 Nederlanders naar Israël zijn geëmigreerd. Toch kent Nederland geen sterke zionistische beweging. De Nederlandse Zionisten Bond had in 1947 ongeveer 2800 leden, dat wil zeggen 10% van de Nederlandse joden. Daarna daalde dit ledental echter, mede doordat een relatief groot aantal zionistische joden naar Israël emigreerde. In 1990 bedroeg het ledental circa 1300. In 1974 leidde een initiatief van de Israëlitische kerkgenootschappen en de Zionisten Bond tot de oprichting van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI), dat in de openbare meningsvorming over zaken die op enigerlei wijze met Israël te maken hadden een steeds belangrijker rol is gaan spelen. Daarmee ontwikkelde het CIDI zich tot de belangrijkste woordvoerder van joodse organisaties in Nederland.

Voor verdere informatie, zie (zie ook paragraaf 2.1):

  • F. Chaya Brasz, “Na de tweede wereldoorlog: van kerkgenootschap naar culturele minderheid”, in: J.C.H. Blom, R.G. Fuks-Mansveld en I. Schöffer (red.), Geschiedenis van de joden in Nederland, Amsterdam, 1995, pp. 351-403
  • L.B. van de Kamp, Het was maar kort. Over de joodse gemeenten in Nederland, Amsterdam, 1994
  • E. Gans, Gojse nijd & joods narcisme. Over de verhouding tussen joden en niet-joden in Nederland, Amsterdam, 1994
  • J.S. Fishman, „Three recent studies of postwar Jewish life in the Netherlands”, in: Studia Rosenthaliana, XVII (1993), pp. 94-96
  • V. Brilleman, „Joods Nederland (1951-1991)”, in: Groniek 25 (1991), pp. 64-85
  • Ph. van Praag, Demografie van de Joden in Nederland. Uitkomsten en evaluatie van een telling van de Joden in Nederland per 1 januari 1966, Assen, 1971
  • W.F. Klein, en M. Kopuit, De joden in Nederland. Een beeld van hun leven na 1945, Assen, 1969
  • S. Wijnberg, De joden in Amsterdam, Assen, 1967
  • De joden in Nederland na de Tweede Wereldoorlog: een demografische analyse, (Commissie voor Demografie der Joden in Nederland), Amsterdam, 1961. 
Scroll naar top