Inhoud

De socialistische partijen

Het ontstaan van socialistische partijen was een reactie op de grote armoede, waarin een belangrijk deel van de Nederlandse bevolking in de negentiende eeuw leefde, in de steden, maar vooral ook op het platteland. In het laatste kwart van de vorige eeuw ontstonden vele organisaties van handswerklieden en haven-, land- of industriearbeiders, die onderlinge solidariteit en intellectuele verheffing ten doel hadden. Gezamenlijk noemt men deze organisaties, waarvan het in 1871 opgericht Algemeen Nederlands Werkliedenverbond (ANWV) één van de belangrijkste was, de arbeidersbeweging. De arbeidersbeweging had niet een uitsluitend socialistische signatuur: ook protestantse en katholieke vakverbonden worden er toe gerekend. Het socialisme, zoals dat destijds met name door K. Marx (1818-1883) werd geformuleerd, had in Nederland aanvankelijk relatief weinig aanhang.

Als eerste landelijke partij ontstond in 1882 de Sociaal-Democratische Bond (SDB), waarvan de leider ds. F. Domela Nieuwenhuis in 1888 voor het district Schoterland in de Tweede Kamer werd gekozen. Onder zijn leiding ontwikkelde deze kleine partij zich in anarchistische richting, met een afkeer van het parlementarisme. Toen dit laatste in 1893 door een partijcongres tot officiële lijn was verheven, richtte een twaalftal socialisten in 1894 de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) op, die de parlementaire weg wilde blijven bewandelen. De SDB werd in datzelfde jaar verboden omdat hij strijdig werd geacht met de openbare orde. Onder de naam Socialistenbond bleef hij nog enkele jaren voortbestaan.

De SDAP, die haar programma had ingericht naar dat van de Duitse socialistische partij, stelde zich onder leiding van mr. P.J. Troelstra minder dogmatisch op. In 1902 sprak zij zich zelfs uit voor de subsidiëring van bijzondere scholen, teneinde katholieke en protestantse arbeiders voor zich te winnen. Ook samenwerking met de liberalen, vooral op het punt van het algemeen kiesrecht, schuwde zij niet.

Voor een groep in de SDAP, die rechter in de (marxistische) leer was, ging dit „reformisme” te ver. Zij verenigde zich rondom een eigen tijdschrift De Tribune, maar werd al spoedig op initiatief van Troelstra uit de partij gezet, indien zij althans de uitgave van hun blad niet zou staken. Datzelfde jaar (1909) richtte zij een nieuwe partij op: de Sociaal-Demokratische Partij (SDP), die zich vanaf 1919, na de succesvolle Russische Revolutie, de Communistische Partij Holland (CPH) en vanaf 1935 de Communistische Partij in Nederland (CPN) zou gaan noemen.

De SDAP en de CPN waren in de periode tussen beide wereldoorlogen de voornaamste partijen binnen de socialistische stroming. Daarnaast ontstonden zelfstandig of als afsplitsingen vele andere partijtjes. We noemen hier slechts enkele.

In de CPN leidde een interne strijd in de jaren twintig tot een scheuring. De inmiddels door Moskou gedomineerde Communistische Internationale (Komintern) poogde te bemiddelen, nadat zij overigens zelf mede oorzaak was geweest van de strijd tussen de partijleiding enerzijds en oppositionele syndicalisten en intellectuelen anderzijds. Een tijd lang (1926-1930) bleven echter twee communistische partijen naast elkaar bestaan:

  • 1. de Communistische Partij Holland-Centraal Comité (CPH-CC), die door de geroyeerde voormalige partijleiding, bestaande uit onder andere dr. W. van Ravesteyn en D.J. Wijnkoop, was opgericht;
  • 2. de „officiële” communistische partij, die ter ondercheid toen wel de CPH-Amstel werd genoemd en waarvan L. de Visser de nieuwe voorzitter was. Onder druk van de Komintern hief de oppositionele communistische partij zich in 1930 weer op, zodat er vanaf dat moment weer sprake was van één communistische, nu ook bolsjewistische, partij.

De broederstrijd en de toenemende invloed van Moskou hadden drie jaar tevoren echter reeds geleid tot het uittreden van een syndicalistische groep rondom H. Sneevliet, die de Revolutionair Socialistische Partij (RSP) oprichtte (1929), die op haar beurt in 1935 weer zou opgaan in de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP).

In de RSAP fuseerde de RSP met een groep revolutionair-socialisten, die in 1932 uit de SDAP was gezet en dat jaar de Onafhankelijk Socialistische Partij (OSP) had opgericht. De RSAP zou tot aan de Tweede Wereldoorlog bestaan. Evenals de CPH en de SDAP werd zij terstond door de Duitse bezetter onder curatele gesteld. Na de oorlog keerde zij niet meer terug.

De SDAP en de CPN maakten na de Tweede Wereldoorlog weer hun opwachting op het politieke toneel. Beide partijen waren – weliswaar op verschillende wijze – beïnvloed door het streven naar partijpolitieke vernieuwing. Secretaris P. de Groot van de CPN maakte direct na de bevrijding bekend dat de partij zich zou opheffen en op zou gaan in een socialistische volkspartij. Een partijcongres dat jaar besloot echter tot voortzetting van de partij, die zich mede tooide met de titel Vrienden van de Waarheid. De eerstvolgende verkiezingen (in 1946) brachten de CPN de grootste stemmenwinst uit haar geschiedenis: ruim 10%. Deze populariteit was vooral te danken aan haar verzetsactiviteiten tijdens de bezetting. In de naoorlogse periode heeft de CPN verschillende afsplitsingen en royementen gekend. We noemen hier slechts de ontwikkelingen die tot nieuwe partijvorming hebben geleid. In 1949 verliet een groep communisten onder leiding van G. Roorda de partij. Tezamen met voormalige SDAP-ers en RSAP-ers richtte hij in 1950 de Socialistische Unie (SU) op. Deze partij boekte weinig electoraal succes en stierf in 1956 een stille dood, nadat een deel van de aanhang overstapte naar de PSP-in-oprichting (zie hierna).

In de periode 1956-1958 werd binnen de CPN een strijd gevoerd over onder andere de vraag of de communistisch georiënteerde vakbond, de EVC, al dan niet moest worden opgeheven. De dominante positie van partijleider De Groot werd aangevochten. Uiteindelijk leidde dit tot het uit de partij stoten van de oppositionelen (1958), die zich daarna groepeerden rondom het maandblaadje De Brug. Deze zogenaamde „Bruggroep” richtte in 1960 de weinig succesvolle Socialistische Werkers Partij (SWP) op. In 1965 hief de SWP zich weer op. De overgebleven leden sloten zich aan bij de PSP (zie hierna.)

Eind jaren zestig werden op Peking georiënteerde, maoïstische communisten als lid van de CPN geroyeerd. Na veel splinterstrijd ontstond hieruit in 1970 de Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland (KEN), die een jaar later weer scheurde in de Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland-marxistisch/leninistisch (KENML) en de Socialistiese Partij (SP). De laatste partij boekte in enkele steden bij gemeenteraadsverkiezingen genoeg resultaat om zetels te verwerven. In 1994 lukte dat uiteindelijk ook op nationaal niveau, mede door het grote verlies van de PvdA. Met twee zetels maakte de SP haar entree in de Tweede Kamer. De SP had zich inmiddels wel veranderd. Maoïstische en later ook marxistisch-leninistische uitgangspunten had zij overboord gezet. In 1993 had zij ook de schrijfwijze van haar naam aangepast: Socialistische Partij. Onder leiding van J. Marijnissen voerde de SP oppositie tegen het kabinetsbeleid met een mengvorm van populisme en „ouderwets” socialistische ideeën als een sterke staat, sterk progressieve belastingen, gratis gezondheidszorg en onderwijs. In 1998 leidde dat opnieuw tot aanzienlijke kiezerswinst. De partij ging van twee naar vijf Kamerzetels.

Een laatste afsplitsing van de naoorlogse CPN vond plaats in 1984. Enige jaren na het gedwongen vertrek van De Groot, in 1978, die als partijleider jarenlang een dominante rol had gespeeld, brandde een felle meningenstrijd los binnen de partij. Tegenover elkaar stonden de „vernieuwers” en de „horizontalen”. De laatsten wensten vast te houden aan de marxistisch-leninistische principes. De vernieuwers verwierpen deze en streefden onder andere naar hechte samenwerkingsverbanden met andere linkse partijen. Het partijbestuur probeerde een middenpositie in te nemen. Voor sommige vernieuwers ging daardoor het vernieuwingsproces niet snel genoeg; zij verlieten de partij. Voor vele horizontalen was de CPN reeds te ver gegaan in het opgeven van communistische uitgangspunten. Zij richtten in 1984 het Verbond van Communisten in Nederland (VCN) op. Het partijbestuur oordeelde dit onaanvaardbaar en verbood het lidmaatschap van de VCN voor CPN-leden. Het VCN besloot daarop eind 1985 onder dezelfde naam als zelfstandige partij te gaan optreden. Noch het VCN, noch de CPN behaalde bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1986 een zetel, waardoor er voor het eerst sinds 1918 geen communistische afgevaardigde in de Tweede Kamer zou plaatsnemen.

In 1989 lukte dit weer wel, maar niet op een eigen communistische lijst. Dat jaar presenteerden CPN, PSP en PPR een gezamenlijke lijst onder de naam GroenLinks, die een jaar later de basis vormde voor een formele fusie van de onderscheiden partijorganisaties (zie 2.5).

De SDAP gaf direct na de Tweede Wereldoorlog gestalte aan haar streven tot een „doorbraak” van de vooroorlogse partijpolitieke verhoudingen, door op te gaan in de Partij van de Arbeid (PvdA – 1946). De PvdA was het resultaat van besprekingen tijdens en na de oorlog in het gijzelaarskamp St. Michielsgestel en binnen het kader van de Nederlandse Volksbeweging. In de PvdA fuseerden de SDAP, de VDB en de DCU, alsmede enkele groeperingen uit het verzet. Door de heroprichting van de vooroorlogse katholieke en protestantse partijen was het uiteindelijke resultaat, de PvdA, minder breed van opzet dan oorspronkelijk in de bedoeling lag.

Door de overheersende positie van de voormalige SDAP werd de PvdA al gauw gezien als een voortzetting van de SDAP in een naoorlogse jasje, hoewel op ideologisch vlak deze continuïteit niet zonder meer te constateren is. Voor de voormalige leider van de VDB, P.J. Oud, was de overheersende socialistische atmosfeer binnen de PvdA echter reden om reeds na ruim een jaar de partij te verlaten. Met enkele andere voormalige VDB-ers ging hij besprekingen aan met de Partij van de Vrijheid, die in 1948 leidden tot de oprichting van de VVD.

Voor de marxistisch en revolutionair-socialistisch georiënteerde PvdA-ers was evenwel al te veel prijs gegeven van het oorspronkelijke socialistische gedachtengoed. Direct na de oprichting van de PvdA stichtten zij een Sociaal-Democratisch Centrum (SDC), dat echter weinig gehoor vond bij het PvdA-bestuur. Rond 1950 was het min of meer doodgebloed. Enkele leden van het centrum gingen via de SU (zie hiervoor) uiteindelijk over naar de PSP. In de tweede helft van de jaren vijftig werd nogmaals een Sociaal-Democratisch Centrum opgericht. Het partijbestuur, dat de verhouding tot haar coalitiegenoot de KVP, waarmee de PvdA, met als belangrijke politieke leider W. Drees, al sinds 1946 in de regering zat, niet nog meer onder druk wilde laten zetten, reageerde afwijzend op het bestaan van het SDC. In 1959 werd de SDC als „partij in de partij” feitelijk verboden. In 1960 hief het zich op.

Zes jaar later ontstond een nieuwe radicale, maar ideologisch minder vast omlijnde vleugel binnen de PvdA: Nieuw Links. Zonder zich als permanente, strak georganiseerde groep binnen de partij te manifesteren, slaagde zij er eind jaren zestig wel in grote invloed binnen de partij te verwerven. Deze radicalisering bracht de rechtervleugel tot verzet, eerst onder de naam „Nieuw Rechts”, later in het „Democratisch Appèl”. Haar invloed was echter gering. Teleurgesteld verlieten zij in 1970 de PvdA en richtten de partij Democratisch Socialisten ’70 (DS’70) op, die onder leiding van dr. W. Drees jr. in 1971 en 1972 opmerkelijke electorale successen behaalde. Na een vervalperiode vanaf circa 1975, besloot DS’70 zich in 1983 op te heffen. De PvdA heeft na 1970 geen groepsgewijze afsplitsingen meer gekend.

Dat wil niet zeggen dat er niets veranderde in de PvdA. De deelname aan het roemruchte kabinet-Den Uyl (1973-1977), waarvan de PvdA de premier leverde, werd in 1977 beloond met een klinkende verkiezingsoverwinning. Toch kwam een „tweede kabinet-Den Uyl” er niet, mede doordat de partijorganisatie zich te veeleisend opstelde, terwijl een alternatief kabinet van CDA en VVD numeriek mogelijk was. Dat laatste werd inderdaad tot stand gebracht. Voor de PvdA ving een lange oppositieperiode aan, in 1981-1982 slechts kort onderbroken door het mislukte tweede kabinet-Van Agt (CDA, PvdA, D66). Tijdens de jaren tachtig maakte de PvdA zich langzaam los van een sterk op de „maakbaarheid van de samenleving” gerichte opstelling en gaf zij bovendien de „polarisatiestrategie” op, die in het decennium daarvoor onder invloed van Nieuw Links de partijpolitieke verhoudingen in Nederland op scherp had gesteld. Dit proces werd versneld door de „overwinningsnederlaag” van 1986, toen de PvdA bij de Tweede-Kamerverkiezingen wel won, maar toch niet in de regering werd opgenomen. Vlak daarna droeg drs. J.M. den Uyl het leiderschap van de partij over aan de voormalige vakbondsleider W. Kok. Onder Koks leiding zou de PvdA electoraal voorlopig alleen verliezen leiden, maar Kok slaagde er in 1989 wel in de PvdA weer in het regeerkasteel te loodsen. De PvdA droeg daardoor in 1991 verantwoordelijkheid voor een drastische wijziging van de Wet op de Arbeidsongeschiktheid (WAO). De partij raakte hierdoor in een diepe crisis, hetgeen mede aan de basis lag van de grote verkiezingsnederlaag in 1994, toen de PvdA 12 van de 49 zetels verloor en uitkwam op 37. De pogingen om de partij nieuw leven in te blazen van partijvoorzitter F. Rottenberg, die in 1992 was aangetreden, kregen publicitair de nodige aandacht, maar resulteerden vooralsnog niet in een herstel van de partij. Omdat het CDA in 1994 echter nog meer verloor dan de PvdA, werd de laatste partij ondanks het zware verlies de grootste partij en mocht zij in het nieuwe kabinet zelfs de premier leveren in de persoon van Kok. Het premierschap van Kok in de ongebruikelijke „paarse” coalitie van PvdA, D66 en VVD, begon nu wel op de partij af te stralen. In 1998 maakte de partij een deel van haar verlies van 1994 goed en behaalde zij 45 zetels. Opnieuw – en nu veruit – de grootste partij, mocht de PvdA de premier leveren voor het tweede paarse kabinet.

Een partij, die al verscheidende keren in deze paragraaf is genoemd is de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), opgericht in 1957. Zij kwam voort uit de beweging De Derde Weg, die tijdens de Koude Oorlog niet wilde kiezen tussen Oost en West, maar een eigen niet-militaristische weg opging. Deze groep werd aangevuld met andere politiek daklozen uit onder andere de SU en het Sociaal-Democratisch Centrum binnen de PvdA. Het resultaat, de PSP, stoelde aldus op zowel een meer pacifistische als op een meer socialistisch georiënteerde achterban. In de jaren zestig werd zij versterkt door leden van de zogenaamde „Bruggroep” (zie hiervoor). In het begin van de jaren zeventig woekerde binnen de PSP een richtingenstrijd, die tot tweemaal toe zou leiden tot groepsgewijze uittreding uit de partij. In 1972 verliet de revolutionair georiënteerde actiegroep „Proletaries Links” de partij; in 1974 volgde de zogenaamde „Oosterhesselengroep”, die sterk pleitte voor eenheid van linkse partijen.

Een echte scheuring dwars door de partijtop heen vond plaats in 1985. Evenals andere kleinere linkse partijen had de PSP in het begin van de jaren tachtig een proces van feminisering en vernieuwing doorgemaakt. Voor sommige PSP-ers dreigde het vernieuwingsstreven, dat vooral door nauwe samenwerking met andere linkse partijen gestalte moest krijgen, de principes onder te sneeuwen. Na een felle interne strijd verlieten deze PSP-ers, inclusief de fractieleider in de Tweede Kamer, A.G. van der Spek, in 1985 de partij. In 1986 richtten zij de Partij voor Socialisme en Ontwapening (PSO) op. Nog voor de verkiezingen van mei 1986 verliet Van der Spek de PSO weer. De PSP ging met A.C. van Es als lijststrekster de verkiezingen in en behaalde één zetel. De PSO nam niet deel aan de verkiezingen. Voor de PSP zou het de laatste keer zijn. In 1989 nam de PSP deel aan de verkiezingen met een gezamenlijke lijst van CPN, PPR en PSP onder de naam „GroenLinks”. Een jaar later zou ook de PSP formeel opgaan in de nieuwe partij van dezelfde naam.

Bibliografische informatie over de geschiedenis van socialistische partijen vindt men bij:

  • M. Schrevel en G. Voerman (red.), De communistische erfenis: bibliografie en bronnen betreffende de CPN, Amsterdam, 1997
  • M. Campfens en G. Voerman, Archieven van de Rode Familie, Amsterdam, 1994
  • M. Brinkman, Honderd jaar sociaal-democratie in boek en tijdschrift: bibliografie van de geschiedenis van de SDAP en de PvdA 1894-1994, Amsterdam, 1994
  • P. Denekamp, B. Freriks en G. Voerman (red.), Sporen van pacifistisch socialisme: bibliografie betreffende de PSP, Amsterdam, 1993
  • C. Boet et al., Van bron tot boek: apparaat voor de geschiedschrijving van het communisme in Nederland, Amsterdam, 1988
  • G. Harmsen, Idee en beweging. Bibliografische aanwijzingen bij de studie en het onderzoek van de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland, Nijmegen, 1972. 

Voor algemene literatuur over de socialistische partijen, zie onder andere:

  • Mies Campfens, Margreet Schrevel, Fritjof Tichelman (red.), Op een betere weg; schetsen uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging, Amsterdam, 1985
  • Jaarboek voor het democratisch socialisme, Amsterdam, vanaf 1979
  • Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland, Nijmegen, 1976-
  • H. de Vos, Geschiedenis van het socialisme in Nederland in het kader van zijn tijd, Baarn, 1976, twee delen
  • G. Harmsen, Historisch 33overzicht van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland. Deel I. Van de begintijd tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, Nijmegen, 1972
  • I. Cornelissen, G. Harmsen en R. de Jong, De taaie rooie rakkers: een documentaire over het socialisme tussen de wereldoorlogen, Utrecht, 1965. 

Voor de geschiedenis van de SDB, zie onder andere:

  • F. Dieteren en I. Deeterman, Vrije vrouwen of werkmansvrouwen? Vrouwen in de Sociaal-Democratische Bond (1879-1894), Utrecht, 1984
  • P. van Horssen en D. Rietveld, De Sociaal Democratische Bond. Een onderzoek naar het ontstaan van haar afdelingen en haar sociale structuur, in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, (1) 1975, no. 1, pp. 5-71 en 3 (1977), no. 7, pp. 3-54
  • J. Charité, De Sociaal-Democratische Bond als orde- en gezagsprobleem voor de overheid 1880-1888, ’s-Gravenhage, 1972
  • W.H. Vliegen, De dageraad der volksbevrijding. Schetsen en taferelen uit de socialistische beweging in Nederland, Amsterdam, 1905, twee delen. 

Voor de conflicten binnen de SDB, en de oprichting van de SDAP, zie: D.J. Wansink, Het socialisme op de tweesprong: De geboorte van de SDAP, Haarlem, 1939.

Voor de geschiedenis van de SDAP, zie onder andere:

  • A.P. van Veldhuizen, De partij : over het politieke leven in de vroege S.D.A.P., Amsterdam, Prometheus Bert Bakker, 2015 (ook verschenen als proefschrift Universiteit Leiden)
  • F.A. Zuijdam, Tussen wens en werkelijkheid. Het debat over vrede en veiligheid binnen de PvdA in de periode 1958-1977, Amsterdam, 2002
  • A. Schulte en B. Soetenhorst, De achterkamer. Het drama van de PvdA 1998-2002, Amsterdam, 2002
  • G.J.W. van Oven, E. de Rijk en G. Valk, Tijden van doorbraak en opbouw. De PvdA-fractie van 1948-1952, z.p., 2000
  • M. Brinkman, M. de Keizer en M. van Rossem (red.), Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994, Amsterdam, 1994
  • R. Heyting, Tussen Nationalisme en Internationalisme: de Britse en de Nederlandse sociaal-democratie, de nationale staat en de Europese integratie, Deventer, 1992
  • B. van Dongen, Revolutie of Integratie: de Sociaal Democratische Arbeiders Partij in Nederland (SDAP) tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam, 1992
  • P.J. Knegtmans, Socialisme en Democratie: de SDAP tussen klasse en natie 1929-1939, Amsterdam, 1989
  • H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP: het ontstaan van de Sociaal-Democratische Partij in Nederland (SDP), Amsterdam, 1989
  • J. Jansen van Galen e.a., Het moet, het kan! Op voor het Plan: Vijftig jaar Plan van de Arbeid, Amsterdam, 1985
  • Fr. de Jong Edz., „Wij willen ellende wenden”: een eeuw sociaal-demokratische antwoorden op maatschappelijke uitdagingen, Amsterdam, 1984
  • U. Jansz, Vrouwen ontwaakt: driekwart eeuw sociaal-democratische vrouwenorganisatie tussen solidariteit en verzet, Amsterdam, 1983
  • T. Jansen en J. Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam 1920-1940: Dr. E. Boekman en de socialistische gemeentepolitiek, Nijmegen, 1983
  • L. Hartveld, F. de Jong Edz, en D. Kuperus, De Arbeiders Jeugd Centrale AJC: 1918-1940, 1945-1959, Amsterdam 1982
  • T. van der Meer, S. van Schuppen en Sj. Veen, De SDAP en de kiesrechtstrijd: de ontwikkeling van de Nederlandse sociaal-demokratie 1894-1913, Amsterdam, 1981
  • H. Dona, Sport en socialisme: de geschiedenis van de Nederlandse Arbeiderssportbond 1926-1941, Amsterdam, 1981
  • M.C.M. Michielse, Socialistische vorming. Het Instituut voor Arbeiders Ontwikkeling (1924-1940) en het vormings- en scholingswerk van de Nederlandse sociaal-demokratie sinds 1900, Nijmegen, 1980
  • H.F. Cohen, Om de vernieuwing van het socialisme. De politieke oriëntatie van de Nederlandse-sociaaldemocratie, 1939-1940, Leiden, 1974
  • J. Outshoorn, Vrouwenemancipatie en socialisme: een onderzoek naar de houding van de SDAP ten opzichte van het vrouwenvraagstuk tussen 1894 en 1919, Nijmegen, 1973
  • H. van Hulst, A. Pleysier en A. Scheffer, Het Roode Vaandel volgen wij. Geschiedenis van de Sociaal3-Democratische Arbeiderspartij van 1880 tot 1940, ’s-Gravenhage, 1969
  • W.H. Vliegen, Die onde kracht ontwaken deed. Geschiedenis der Sociaaldemocratische Arbeiderspartij in Nederland gedurende de eerste 25 jaren van haar bestaan, Amsterdam, 1924-1934, drie delen
  • Gedenkboek ter gelegenheid van het vijf en twintig jarig bestaan van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in Nederland, opgericht 26 Augustus 1894. In opdracht van het partijbestuur uitgegeven, Amsterdam, 1919
  • Na Tien Jaar. Gedenkschrift bij het tienjarig bestaan der Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, Amsterdam, 1904. 

Voor de geschiedenis van de OSP, zie: B. de Cort, Solidariteit in anonimiteit. De geschiedenis van de leden van de Onafhankelijke Socialistische Partij (1932-1935). Een documentaire, Breda, 2004.

Voor de geschiedenis van de PvdA zie onder andere:

  • Th. Niemantsverdriet, De Vechtpartij. De PvdA van Kok tot Samsom, Atlas contact, 2014
  • A. van der Zwan, Van Drees tot Bos. Zestig jaar succes en mislukking. Geschiedenis van de PvdA, Amsterdam, 2008
  • P. Rehwinkel en J. Nekkers, Regerenderwijs: de PvdA in het kabinet-Lubbers/Kok, Amsterdam, 1994
  • M. Brinkman, M. de Keizer en M. van Rossem (red.), Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994, Amsterdam, 1994
  • F. Rovers, Voor Recht en Vrijheid: de Partij van de Arbeid en de Koude Oorlog 1946-1958, Amsterdam, 1994
  • L. Ornstein en M. van Weezel, De verloren erfenis: het slinkend vertrouwen in de sociaal-democratie, Amsterdam, 1992
  • R. Heyting, Tussen Nationalisme en Internationalisme: de Britse en de Nederlandse sociaal-democratie, de nationale staat en de Europese integratie, Deventer, 1992
  • Ph. van Praag, Strategie en Illusie: elf jaar intern debat in de PvdA (1966-1977), Amsterdam, 1990
  • A. Bleich, Een partij in de tijd: veertig jaar Partij van de Arbeid 1946-1986, Amsterdam, 1986
  • F. de Jong Edz., „Wij willen ellende wenden”: een eeuw sociaal-democratische antwoorden op maatschappelijke uitdagingen, Amsterdam, 1984
  • G. Heyne den Bak, Democratie in problemen: participatie en besluitvorming in de Partij van de Arbeid, Deventer, 1982
  • A.P.M. Lucardie, The New Left in de Netherlands (1960-1977), Kingston, 1980. PhD-thesis, behandelt o.a. Nieuw Links in de PvdA
  • W. Gortzak, Alledaags socialisme: ontwikkelingen in de PvdA, Amsterdam, 1980
  • B. Boivin e.a., Een verjongingskuur voor de Partij van de Arbeid. Opkomst, ontwikkeling en betekenis van Nieuw Links, Deventer, 1978
  • J. Bank, Opkomst en ondergang van de Nederlandse Volksbeweging (NVB), Deventer, 1978. Belangrijk voor de ontstaansgeschiedenis van de PvdA
  • H.M. Ruitenbeek, Het ontstaan van de Partij van de Arbeid, Amsterdam, 1955. 

Voor de geschiedenis van de CPN zie onder andere:

  • A. Stam, De CPN en haar buitenlandse kameraden. Proletarisch internationalisme in Nederland, Soesterberg, 2004
  • G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale, Amsterdam, 2001
  • J. Morriën, De leiding van de illegale CPN 1940-1943. Het driemanschap Paul de Groot, Lou Jansen en Jan Dieters in de IJsselstreek en Veluwezoom, Amsterdam, 2001
  • G. Verrips, Dwars, duivels en dromend: de geschiedenis van de CPN 1938-1991, Amsterdam, 1995
  • W.F.S. Pelt, Vrede door revolutie: de CPN tijdens het Molotov-Ribbentrop (1939-1941), ’s-Gravenhage, 1990
  • H. Galesloot en S. Legêne, Partij in verzet: de CPN in de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam, 1986
  • T. Blokzijl e.a., De duizend daden: een geschiedenis van het Algemeen Nederlands Jeugd Verbond 1945-1985, Amsterdam, 1985
  • A. Koper, Onder de banier van het stalinisme: een onderzoek naar de geblokkeerde destalinisatie van de CPN, Amsterdam, 1984
  • F. van den Burg, De Vrije Katheder 1945-1950: een platform van communisten en niet-communisten, Amsterdam, 1983
  • G. Harmsen, Nederlands Kommunisme: gebundelde opstellen, Nijmegen, 1982
  • Cahiers over de geschiedenis van de CPN, Amsterdam, 1979-…
  • A.A. de Jonge, Het communisme in Nederland. De geschiedenis van een politieke partij, ’s-Gravenhage, 1972
  • W. Gortzak, Kluiven op een buitenbeen: kanttekeningen bij enige naoorlogse ontwikkelingen van het Nederlandse communisme, Amsterdam, 1967. 

Zie voor de geschiedenis van de PSP onder andere:

  • P. Denekamp et al. (red.), Onstuimig maar geduldig: interviews en biografische schetsen uit de geschiedenis van de PSP, Amsterdam, 1987
  • Bevrijdend Beleid: de visie van de PSP in de Tweede Kamer op bewapening en buitenlands beleid in de periode 1967-1984, Amsterdam, 1984
  • P. Denekamp e.a. (red.), Ontwapenend: geschiedenis van 25 jaar PSP, Amsterdam, 1982
  • A.P.M. Lucardie, The New Left in de Netherlands (1960-1977), Kingston, 1980. Behandelt onder meer de PSP
  • L. van der Land, Het ontstaan van de Pacifistisch Socialistische Partij, Amsterdam, 1962. 

Zie voor de geschiedenis van de SP onder andere:

  • P. Waayers, De SP van binnenuit. De ‘jongensjaren’ van een politieke partij, Leiden, 2009
  • K. Slager, Het geheim van Oss. Een geschiedenis van de SP, Amsterdam, 2009 (3e druk)
  • R. Kagie, De socialisten. Achter de schermen van de SP, Amsterdam, 2006
  • G. Voerman, „Bij het parlementaire debuut van de SP”, in: Politiek & Cultuur, 54 (1998), 2 (april), pp. 3-9
  • Ph. van Praag en E. Couvret, „De kiezers van GroenLinks en de SP”, in: Jaarboek 1997 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Groningen, 1998, pp. 180-195
  • P. van der Steen, „De doorbraak van de „gewone mensen”-partij: de SP en de Tweede Kamerverkiezingen van 1994″, in: Jaarboek 1994 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Groningen 1995, pp. 172-189
  • R. Blom, De oude Socialistische Partij van Harm Kolthek, Delft, 2011;G. Voerman, „De „Rode Jehova’s”: een geschiedenis van de Socialistiese Partij”, in: Jaarboek 1986 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Groningen 1987, pp. 124-150.

Voor de revolutionair socialistische partijen, zie onder andere:

  • Henk Sneevliet, Ab Menist en Will Dolleman, Internationaal socialisme: teksten van Revolutionaire Socialisten 1911-1942, Rotterdam, 1984
  • J.E. Burger, Linkse frontvorming: samenwerking van revolutionaire socialisten 1914-1918, Amsterdam, 1983
  • M. Perthus, Henk Sneevliet, revolutionair socialist in Europa en Azië, Nijmegen, 1976. (CPN, RSP, RSAP)
  • F. Tichelman, Henk Sneevliet 1888-1942, een politieke biografie, Amsterdam, 1974. (CPN, RSP, RSAP). 
Scroll naar top