Inhoud

Kabinet Rutte I

beëdigd

14-10-2010

ontslag aangeboden

23-04-2011

VVD, CDA en PVV konden het niet eens worden over extra bezuinigingen. De PVV trok daarop de gedoogsteun in.

afgetreden

05-11-2012

zittingsduur kabinet

753 dagen

Formatie

12-06-2010

Dr. U. Rosenthal

informateur

VVD

25-06-2010

Mr. H.D. Tjeenk Willink

informateur

PvdA

05-07-2010

Dr. U. Rosenthal

informateur

VVD

Drs. J. Wallage

informateur

PvdA

21-07-2010

Drs. R.F.M. Lubbers

informateur

CDA

04-08-2010

Mr. I.W. Opstelten

informateur

VVD

07-09-2010

Mr. H.D. Tjeenk Willink

informateur

PvdA

13-09-2010

Mr. I.W. Opstelten

informateur

VVD

07-10-2010

Drs. M. Rutte

formateur

VVD

(zie hieronder voor bijzonderheden over deze kabinetsformatie)

Samenstelling kabinet

ministers:

6 VVD, 6 CDA

staatssecretarissen:

4 VVD, 4 CDA

Ministers

MP

Drs. M. Rutte

VVD

Vice-MP

Drs. M.J.M. Verhagen (zie EZLI)

CDA

AZ

Drs. M. Rutte  (zie MP)

VVD

BtZ

Dr. U. Rosenthal

VVD

V&J

Mr. I.W. Opstelten

VVD

BZK

Mr. J.P.H. Donner (14-10-2010 – 16-12-2011) Reden aftreden: benoeming tot vicevoorzitter van de Raad van State

Mr Drs. J.W.E. Spies (16-12-2011 – )

CDA

CDA

OCW

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

CDA

Fin

Mr. drs. J.C. de Jager

CDA

D

Drs. J.S.J. Hillen

CDA

I&M

Drs. M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

VVD

EZLI

Drs. M.J.M. Verhagen

CDA

SZW

H.G.J. Kamp

VVD

VWS

mevr. Drs. E.I. Schippers

VVD

ZP

Drs. G.B.M. Leers (immigratie en asiel; sinds 16-12-2011: immigratie, integratie en asiel)

CDA

Staatssecretarissen

BtZ

Dr. H.P.M. Knapen

CDA

V&J

Mr. F. Teeven

VVD

Fin

Mr. Drs. F.H.H. Weekers

VVD

I&M

J.J. Atsma

CDA

EZLI

Dr. H. Bleker

CDA

SZW

Drs. P. de Krom

VVD

VWS

Drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner

CDA

OCW

Drs. H. Zijlstra

VVD

ZETELAANTAL

Het aantal zetels van de regeringspartijen VVD en CDA in de Tweede Kamer bedraagt 52 (34,7%). De PVV verleent met 24 zetels gedoogsteun aan het kabinet. VVD, CDA en PVV hebben gezamenlijk 76 zetels (50,7%).

PORTEFEUILLEVERDELING

Voor de ministers en staatssecretarissen zijn in het constituerend beraad van 14 oktober 2010 de onderlinge portefeuillesverdeling vastgesteld van het kabinet-Rutte. Die verdeling luidt:

Buitenlandse Zaken

Bij het Nederlandse buitenlands beleid, waaronder Ontwikkelingssamenwerking en Europese Zaken, zal sprake zijn van geïntegreerde besluitvorming onder eindverantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken, waarbij de inzet op de verschillende beleidsterreinen door deze wordt gecoördineerd. Dit geldt met name voor het internationale milieubeleid en het internationaal cultuurbeleid.

De staatssecretaris is binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met aangelegenheden betreffende:

  1. En andere aangelegenheden waarvan behartiging door de minister aan hem wordt toevertrouwd
  2. De coördinatie van de ODA-middelen
  3. Ontwikkelingssamenwerking en de OS-coherentie
  4. Het in overleg met de minister en de minister-president vertegenwoordigen van Nederland in de Raad voor Algemene Zaken en Externe Betrekkingen voor wat betreft diens coördinerende taken
  5. Het Europa-gerelateerde deel van de begroting van Buitenlandse Zaken
  6. De bilaterale onderwerpen voor zover deze raken aan het Europees beleid van de regering
  7. De coördinatie van het regeringsbeleid met betrekking tot de Europese Unie met uitzondering van de voorbereiding van de Europese Raad.

De staatsecretaris voert in het buitenland de titel: Minister.

Veiligheid en justitie

De verantwoordelijkheid voor de veiligheid, met inbegrip van de politie, de brandweer, de rampenbestrijding en crisisbeheersing, het beleid inzake nationale veiligheid, de NCTb, wordt belegd bij Veiligheid en Justitie. Onderdelen van het programma Jeugd en Gezin die voor de totstandkoming daarvan op 22 februari 2007 bij Justitie behoorden, worden opnieuw belegd bij Veiligheid en Justitie, met uitzondering van de gesloten jeugdzorg voor niet criminele jongeren.

De staatssecretaris is binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met;

  1. Kansspelen
  2. Erkenningscommissie Gedragsinterventies
  3. Slachtofferhulp incl. schadefonds geweldsmisdrijven
  4. Secr. Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming
  5. Raad voor de Kinderbescherming
  6. Dienst Justitiële Inrichtingen
  7. Dienst Justis
  8. Auteursrecht
  9. Beleid F1
  10. Adoptie
  11. Sanctiebeleid
  12. CBP incl. Wbp
  13. Project herijking executie
  14. Juridische beroepen incl. rechtsbijstand
  15. Adolescentenstrafrecht
  16. Justitieel jeugdbeleid incl. internationale kinderontvoering
  17. Personen- en familierecht
  18. Reclassering
  19. Preventie (persoonsgericht en preventief)
  20. andere aangelegenheden waarvan behartiging door de minister aan hem wordt toevertrouwd.

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De verantwoordelijkheid voor vreemdelingenzaken (incl. de Rijkswet op het Nederlanderschap), de integratie, de volkshuisvesting en de rijksgebouwendienst, wordt belegd bij BZK.

De minister van BZK heeft doorzettingsmacht op het gebied van de organisatorische aspecten van de Rijksdienst en de centralisatie van de bedrijfsvoering van de Rijksdienst.

In deze kabinetsperiode coördineert de minister van BZK de contacten met kerkgenootschappen en vraagstukken betreffende de verhouding kerk en staat.

De minister voor Immigratie en Asiel draagt de zorg voor de aangelegenheden betreffende:

  1. Rijkswet personenverkeer
  2. Grensbewaking in vreemdelingenzaken
  3. Dienst Terugkeer en Vertrek
  4. Centrale Organisatie Opvang Asielzoekers
  5. Immigratie- en Naturalisatiedienst
  6. Vreemdelingen- en asielbeleid
  7. aangelegenheden betreffende integratie, inburgering en coördinatie integratie minderheden (m.i.v. 16-12-2011)

Financiën

Voorbereiding van en deelname aan de Begrotingsraad van de Europese Unie behoort bij de taken van Financiën.

De staatsecretaris is binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met:

  1. fiscale aangelegenheden en alle aangelegenheden de Belastingdienst betreffende;
  2. de aangelegenheden betreffende de financiële verhoudingen tussen het Rijk en de decentrale overheden;
  3. de aangelegenheden betreffende de Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland en de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij;
  4. alle aangelegenheden betreffende het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB);
  5. alle aangelegenheden betreffende Domeinen Roerende Zaken;
  6. andere aangelegenheden waarvan behartiging door de minister aan hem wordt toevertrouwd.

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De staatssecretaris is binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met:

  1. Andere aangelegenheden waarvan de behartiging door de minister aan hem wordt toevertrouwd
  2. Een leven lang leren
  3. Erfgoedinspectie
  4. Cultuur
  5. Lerarenbeleid, lerarenopleidingen arbeidsvoorwaarden onderwijspersoneel en de professionalisering van de onderwijsgevenden in het kader van het beleid passend onderwijs
  6. Wetenschap en kennis
  7. Hoger onderwijs.

Infrastructuur en Milieu

Het ministerie van Infrastructuur en Milieu combineert de taken van het voormalige ministerie van VenW en het voormalige ministerie van VROM voor zover het gaat om de taken op het gebied van de ruimtelijke ordening en milieu.

De staatssecretaris is binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met de behandeling van de aangelegenheden betreffende:

  1. Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)\
  2. Luchtvaart
  3. Milieu
  4. Water (met uitzondering van de vaarwegen)
  5. Andere aangelegenheden waarvan behartiging door de minister aan hem wordt toevertrouwd

Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Het ministerie van EL&I combineert de taken van de voormalige ministeries van EZ en LNV. Ook zijn de taken op het gebied van innovatie (inclusief TNO en GTI’s) van het ministerie van OCW en het voormalige ministerie van V&W, de taken op het gebied van energie incl. de emissieautoriteit van het voormalige ministerie van VROM en de taken op het gebied van de vermindering van administratieve lasten en regeldruk van het ministerie van Financiën belegd bij het ministerie van EL&I. De ministeries van OCW en EL&I zijn medeverantwoordelijk voor KNAW en NWO, waarbij de minister van EL&I het algemene innovatiebeleid coördineert en doorzettingsmacht heeft.

De staatssecretaris is binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met:

  1. Andere aangelegenheden waarvan behartiging door de minister aan hem wordt toevertrouwd
  2. Post
  3. Toerisme
  4. Maatschappelijk verantwoord ondernemen (nationaal en internationaal)
  5. Internationaal ondernemen*
  6. Handelspolitiek*
  7. Dierenwelzijn
  8. Landbouw, natuur en voedselkwaliteit (minus kennis en innovatie)**de Minister is medeverantwoordelijk voor de hoofdlijnen van het Europese landbouwbeleid, handelspolitiek en het internationaal ondernemen

De staatssecretaris voert in het buitenland de titel: Minister.

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De verantwoordelijkheid voor de kinderopvang, het kindgebonden budget, de kinderbijslag en de tegemoetkoming ouders thuiswonende gehandicapte kinderen wordt belegd bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De staatssecretaris is binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met:

  1. Andere aangelegenheden waarvan behartiging door de minister aan hem wordt toevertrouwd
  2. Fraudebestrijding voortvloeiend uit portefeuille
  3. Handhaving in relatie tot het handhavingsprogramma
  4. Overleg VNG
  5. Internationale aangelegenheden behorend bij de portefeuille
  6. Gelijke behandeling werknemers
  7. Arbeidsomstandigheden en inspectie
  8. Wajong/WSW
  9. Volksverzekeringen excl AOW
  10. Armoede en schuldverdeling
  11. ESF
  12. Bijstandbeleid
  13. Ketenaanpak SUWI
  14. Arbeidstoedeling en re-integratie gemeenten
  15. Werknemersverzekeringen
  16. Regionaal arbeidsmarktbeleid.

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

De verantwoordelijkheid voor de onderdelen van het voormalige programma Jeugd en Gezin wordt belegd bij Volksgezondheid, Welzijn en Sport behoudens het kindgebonden budget en de onderdelen die voor de totstandkoming van het programma behoorden bij Justitie. De gesloten jeugdzorg voor niet criminele jongeren wordt belegd bij het ministerie van VWS.

De staatssecretaris is binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met:

  1. Andere aangelegenheden waarvan behartiging door de minister aan haar wordt toevertrouwd
  2. Integratie indicatiestellingen
  3. AWBZ-delen die betrekking hebben op Jeugd-GGZ, LVG
  4. Zorg in het provinciale domein
  5. Gesloten Jeugdzorg voor niet criminele jongeren
  6. Zorg in het gemeentelijke en preventieve domein
  7. Integraal toezicht jeugd, Inspectie jeugdzorg
  8. Integraal jeugdprogramma
  9. Oorlogsgetroffenen en verzetsdeelnemers
  10. Biotechnologie (exclusief biotechnologisch onderzoek)
  11. Ouderenbeleid
  12. Sociaal Beleid
  13. Voorzieningen op het terrein van verpleging en verzorging, gehandicapten
  14. AWBZ
  15. Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)
  16. zorg en GGZ-zorg langer dan een jaar.

FORMATIE

Rosenthal

Na de Tweede-Kamerverkiezingen van 9 juni 2010 ontving de Koningin op 10 juni de voorzitters van Eerste- en Tweede Kamer en de vice-voorzitter van de Raad van State. Een dag later ontving zij de fractievoorzitters. Op 12 juni benoemde zij vervolgens de voorzitter van de VVD-fractie in de Eerste Kamer, Prof. dr. U. Rosenthal, tot informateur. Rosenthal diende op korte termijn te verkennen welke mogelijkheden er op basis van de verkiezingsuitslag aanwezig waren voor de vorming van een kabinet dat mocht rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. Daartoe diende hij als eerste de mogelijkheid de onderzoeken van een kabinet waarvan de grootste partij (VVD) en de grootste winnaar (PVV) deel uit zouden maken.

Op 17 juni moest Rosenthal concluderen dat dit geen begaanbare weg was: het lukte hem niet VVD, PVV en CDA gezamenlijk aan de onderhandelingstafel te krijgen. Het CDA vond dat eerst de andere twee partijen hun onderlinge geschillen dienden te beslechten. De SGP-fractie overigens sloot “gedoogsteun” voor een kabinet van VVD, PVV en CDA niet uit, evenals de fractie van de PvdD. Op 18 juni besloot de informateur daarop tot oriënterende gesprekken met VVD, PvdA, D66 en GroenLinks. Op 21 juni vond het eerste gesprek tussen deze partijen plaats die tot een zogeheten “Paars Plus” kabinet diende te leiden. Een dag later echter mislukte ook deze poging omdat VVD-fractievoorzitter Rutte te weinig perspectief zag om te gaan onderhandelen over een Paars-pluscoalitie. Op 23 juni startte informateur Rosenthal het onderzoek naar een kabinet van VVD, PvdA en CDA. De PvdA weigerde aan een dergelijk kabinet deel te nemen zonder D66 en GroenLinks. Daarop werd de mogelijkheid van een kabinet VVD-PvdA-CDA-D66-GroenLinks onderzocht. VVD en CDA vonden onderhandelingen over een dergelijk kabinet niet zinvol. Rosenthal concludeerde op 25 juni dat vijf partijen uit het brede midden (VVD, PvdA, CDA, D66 en GroenLinks) bereid waren regeringsverantwoordelijkheid te dragen en elkaar niet uitsloten. Daarom stelde hij voor een inhoudelijk onderzoek te doen naar samenwerking tussen meerdere van deze, of alle, partijen. Hij suggereerde de Koningin 2 informateurs te benoemen: “een of twee vooraanstaande personen uit de kringen van VVD en PvdA”.

Zie voor het eindverslag van Rosenthal: Bijlage 32.417, Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, Kabinetsformatie, nr. 2. 

Tjeenk Willink

De Koningin volgde het advies van Rosenthal niet op: op 25 juni benoemde zij Tjeenk Willink (de vice-voorzitter van de Raad van State) tot informateur. Hij diende ‘op korte termijn te informeren over de stappen die moeten worden gezet om te komen tot de vorming van een kabinet dat kan rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal”. Hij voerde op 28 juni gesprekken met de door Rosenthal genoemde vijf partijen en liet de andere partijen weten dat gesprekken met hen minder goed pasten in deze fase van de informatie. Tjeenk Willink achtte een kabinet van VVD, PvdA, D66 en GroenLinks het meest recht doen aan de verkiezingsuitslag, vergeleken met andere combinaties en met inachtneming van het mislukken van de vorming van een kabinet van VVD, PVV en CDA. Op 3 juli kreeg Tjeenk Willink een positief antwoord van de fractievoorzitters van de vier partijen op zijn vraag of zij mee wilden werken aan een onderzoek naar de vorming van een “Paars Plus”-kabinet. Tjeenk Willink adviseerde in zijn eindverslag van 5 juli de Koningin twee informateurs te benoemen: prof. dr. U. Rosenthal (VVD) en prof. drs. J. Wallage (PvdA). Als bijlage bij het eindverslag voegde de informateur een op persoonlijke titel geschreven notitie Wat kan binden in plaats van scheiden. Die notitie gaat over mogelijke gemeenschappelijke uitgangspunten, een lossere relatie van het kabinet tot de Kamer en de kwaliteit van het openbaar bestuur.

Zie voor het eindverslag van Tjeenk Willink: Bijlage 32.417, Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, Kabinetsformatie, nr. 4 met de genoemde notitie als bijlage.

Wilders (PVV) stelde over de notitie van Tjeenk Willink schriftelijke vragen aan de minister-president: hij vond dat Tjeenk Willink niet boven de partijen stond. Zie: Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, nr. 2830.

Rosenthal en Wallage

Op 5 juli benoemde de Koningin prof. dr. U. Rosenthal (VVD) en prof. drs. J. Wallage (PvdA) tot informateur. Zij dienden een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van de spoedige totstandkoming van een kabinet van VVD, PvdA, D66 en GroenLinks (“Paars-Plus”). In betrekkelijke media-stilte vonden de eerste inhoudelijke onderhandelingen van deze gehele kabinetsformatie plaats over hervormen, bezuinigen, investeren, internationale zaken, binnenlands bestuur, veiligheid, energie en klimaat, ruimte en natuur, immigratie en integratie en onderwijs en innovatie. Uiteindelijk bleken de opvattingen over bezuinigingen, de woningmarkt en mobilteit te zeer uiteen te lopen. De VVD wilde bezuinigingen van minimaal € 18 miljard – zonder lastenverzwaring – voor de komende kabinetsperiode, gecombineerd met het handhaven van de hypotheekrenteaftrek en het niet invoeren van de kilometerheffing. D66 achtte € 18 miljard bezuinigingen denkbaar, maar wilde ook hervorming op de woning- en de arbeidsmarkt en investeringen in onderwijs en innovatie. GroenLinks sloot evenmin bezuinigingen van € 18 miljard uit, maar wilde daarnaast afspraken over resultaten in 2015 op het gebied van duurzame economie, verbeteren van participatie en een evenwichting inkomensbeeld. De PvdA was bereid over de bezuinigingen mee te denken, met inachtneming van de uitgangspunten van D66 en GroenLinks, mits er maatschappelijk draagvlak voor zou bestaan. Op 20 juli constateerden de informateurs en de onderhandelaars van de partijen dat er nog steeds een ruimte van verschillende miljaren bestond tussen mogelijke overeenstemming op deelterreinen en een bezuinigingsopgave met zicht op begrotingsevenwicht in 2015. Voorstellen van de informateurs om dit probleem op te lossen leidden niet tot een doorbraak. Uiteindelijk zagen VVD en PvdA geen perspectief meer op het bereiken van een resultaat. D66 en GroenLinks zagen nog wél mogelijkheden. De informateurs concludeerden op 21 juli dan ook dat de spoedige totstandkoming van een kabinet van VVD, PvdA, D66 en GL niet mogelijk was gebleken. Rosenthal en Wallage deden, gelet op hun opdracht, geen voorstellen over het aanstellen van een of meerdere informateurs.

Lubbers

Op 21 juli benoemde de Koningin Minister van Staat drs. R.F.M. Lubbers (CDA) tot informateur. Hij diende de Koningin op zeer korte termijn te informeren over de mogelijkheden voor de vorming van een nieuw kabinet dat mag rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. Het ging daarbij om een onderzoek naar de mogelijkheden voor een parlementair meerderheidskabinet bestaande uit combinaties van de vijf partijen VVD, PvdA, CDA, D66 en GroenLinks (gezien het advies van Tjeenk Willink). Verder moest Lubbers onderzoeken of er daarnaast nog andere meerderheidsvarianten nader inhoudelijk onderzocht moeten worden. Tenslotte diende Lubbers aan te geven op welke wijze deze mogelijkheden konden worden beproefd. De informateur voerde met alle fractievoorzitters gesprekken en ontving ook de oud-informateurs Tjeenk Willink, Rosenthal en Wallage. Uit de gesprekken met de verschillende fractieleiders bleek al snel – op 23 juli – dat eerst de mogelijkheid van politieke samenwerking tussen VVD, PVV en CDA moest worden onderzocht: zowel in de vorm van een kabinet van deze drie partijen als een kabinet van alleen VVD-CDA met gedoogsteun van de PVV. Omdat Lubbers vond dat die laatste gedoogvariant niet binnen zijn opdracht viel vonden de gesprekken tussen de drie partijen niet onder zijn leiding plaats. Op 30 juli rapporteerden de drie fractievoorzitters van CDA, PVV en VVD aan Lubbers over hun onderlinge gesprekken. Op die zelfde 30 juli lieten de drie partijen via een verklaring weten, dat zij onderling verschillen over aard en karakter van de islam: “de scheidslijn zit hem in het karakteriseren van de islam als óf religie óf (politieke) ideologie. Partijen accepteren elkaars verschil van inzicht hierover en zullen hier ook op grond van hun eigen opvattingen naar handelen”. De partijen vonden verder dat in het gedoogakkoord afspraken moeten kom te staan over “de invulling van de maatregelen van de bezuinigingen en harde afspraken over immigratie, integratie en asiel, veiligheid en betere ouderenzorg waarbij duidelijk is dat voor de PVV de bereidheid tot het steunen van bezuinigingen gekoppeld is aan de inhoud van de te maken afspraken op het gebied van immigratie, integratie en asiel, veiligheid en ouderenzorg.” Verder verklaarden de drie partijen dat zij niet beschikbaar waren voor onderzoek naar andere mogelijkheden voor de vorming van een nieuw kabinet. Tenslotte suggereerden de drie partijen om mr. I.W. Opstelten (VVD) tot informateur benoemen Op 3 augustus bood Lubbers zijn eindverslag aan de Koningin aan. Daarin deed hij de aanbeveling te doen onderzoeken of er een minderheidscoalitie van VVD-CDA te vormen is met gedoogsteun van de PVV. Lubbers nam de aanbeveling van de drie partijen om mr. I.W. Opstelten te benoemen tot informateur, over. Opstelten zou dienen na te gaan of er een regeerakkoord tot stand zou kunen komen tussen CDA en VVD en een gedoogakkoord van deze twee coalitiepartijen met de PVV. In de woorden van Lubbers gaat het daarbij om een minderheidskabinet qua samenstelling, dat in de Tweede Kamer kan rekenen op steun van een meerderheid van VVD, PVV en CDA bij de uitvoering van het gedoogakkoord terwijl bij de uitvoering van het regeerakkoord de PVV het kabinet niet naar huis zal sturen.

Zie voor het eindverslag van informateur Lubbers: Bijlage 32.417, Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, Kabinetsformatie, nr. 8. 

Opstelten

Op 4 augustus ontving de Koningin wederom haar vaste adviseurs: de voorzitters van de beide Kamers en de vice-president van de Raad van State. Op diezelfde dag vond op verzoek van D66, GroenLinks, SP en PvdA een kamerdebat plaats over het eindverslag van Lubbers. CDA, PVV en VVD namen geen deel aan het debat. Eveneens op 4 augustus benoemde de Koningin mr. I.W. Opstelten tot informateur. Opdracht: onderzoek te doen naar een stabiel kabinet van VVD en CDA, dat met de steun van de PVV kan rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. Dat onderzoek dient in het bijzonder aan te tonen of het mogelijk is overeenstemming te bereiken over een bezuinigingspakket van € 18 miljard en over een gedoogakkoord met afspraken over immigratie, integratie, asiel, veiligheid en betere ouderenzorg. Een dag later begon Opstelten met zijn werkzaamheden. Op 9 augustus startten de onderhandelingen tussen Rutte (VVD), Wilders (PVV) en Verhagen (CDA) die zich laten bijstaan door respectievelijk drs. E.I. Schippers, B. Madlener en dr. A. Klink. Op dinsdag 31 augustus en woensdag 1 september beraadde de CDA-fractie zich op de formatie. De al langer bestaande verdeeldheid binnen het CDA over de vraag of het CDA met de PVV zou moeten gaan regeren kwam daarin tot uiting. CDA-onderhandelaar Klink verklaarde op 31 augustus samenwerking met de PVV een onbegaanbare weg was. Hij kreeg steun van nog twee fractieleden (Koppejan en Ferrier). Langdurig fractieberaad leidde uiteindelijk tot de uitkomst dat de CDA-fractie unaniem besloot de formatie-onderhandelingen voort te zetten. Klink werd als onderhandelaar vervangen door mw. A.Th.B. Bijveld-Schouten. Op 2 september vonden gesprekken plaats tussen Rutte, Verhagen en Wilders over de problemen bij het CDA. Na intern beraad op 3 september deelde Wilders mee dat het vertrouwen van de PVV in de fractie van het CDA, in het bijzonder de leden Klink, Koppejan en Ferrier, geschaad was. Hij wilde daarom een verklaring dat de uitspraak van het – na afronding van de formatie te houden – CDA-congres voor hen bindend zou zijn. Als zij zich niet met de uitkomsten van dat congres konden verenigen zouden zij hun lidmaatchap van de Kamer dienen te beeindigen. Toen duidelijk werd dat een dergelijke verklaring niet zou worden afgelegd, deelde Wilders mee dat hij niet langer aan de formatie kon meedoen. VVD en CDA zagen nog wel mogelijkheden om de formatie af te ronden. Op 4 september stelde Opstelten zijn eindrapport op. Maandag 6 september legde Klink zijn kamerlidmaatschap neer. De volgende ochtend verklaarde de PVV-fractie daarop weer mogelijkheden te zien om de formatie van het kabinet van CDA en VVD met gedoogsteun van de PVV voort te zetten.  Diezelfde dag vond een kamerdebat plaats over de formatie. Daarin werd duidelijk dat VVD, PVV en CDA de onderhandelingen wilden voortzetten, waarmee de eerdere gesprekken van de Koningin met de fractievoorzitters en haar vaste adviseurs achterhaald waren. In die gesprekken had Rutte de Koningin geadviseerd hem een regeerakkoord te laten schrijven. PVV, CDA en SGP wilden dat eveneens, de PvdA wilde samen met de VVD een dergelijke proeve van een akkoord schrijven. D66, GroenLinks en PvdD wilden een informateur op enige afstand van de politiek. De SP wilde Marijnissen en Wijffels benoemd zien tot informateur om een centrumlinkse coalitie van PvdA, CDA, GroenLinks en SP te onderzoeken.

Tjeenk Willink

Op dinsdagavond 7 september benoemde de Koningin mr. H.D. Tjeenk Willink tot informateur. Hij diende haar op de kortst mogelijke termijn te informeren “over de thans ontstane situatie en de stappen die genomen moeten worden.” Op 13 september bracht hij zijn eindverslag uit. Daaruit blijkt dat hij het als zijn taak zag twee ontstane “gaten” te vullen. Daarbij gaat het allereerst om de verklaringen van de fractievoorzitters van VVD, PVV en CDA op 7 sepember: die kwamen niet overeen met de conclusie van de informateur op 4 september. Ten tweede constateerde hij verschil tussen de uitkomsten van het debat in de Tweede kamer van 7 september (het hervatten van de werkzaamheden door informateur Opstelten) en de eerdere adviezen aan de Koningin (Rutte benoemen tot informateur). Uit gesprekken bleek Tjeenk Willink dat VVD, PVV en SGP hun advies aan de Koningin niet langer handhaafden: zij wilden nu dat Opstelten doorgaan met de informatie. Het CDA handhaafde weliswaar het advies (benoeming van Rutte tot informateur), maar vond dat die zich in eerste instantie zou dienen te richten op een kabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV. De fractievoorzitters van VVD, PVV en CDA spraken verder hun vertrouwen uit dat de onderhandelingen inhoudelijk tot het beoogde resultaat zullen leiden. Daarom adviseerde Tjeen Willink de benoeming van Opstelten tot informateur.

Tjeenk Willink sprak ook met de voorzitter van de Eerste Kamer omdat de PVV geen zitting heeft in de Eerste Kamer en CDA en VVD daar gezamenlijk geen meerderheid hebben. Daarbij wees Van der Linden er op, dat de Eerste Kamer toetsing van kwaliteit van wetgeving als haar eerste taak ziet. In die toetsing ligt de nadruk op de constitutionaliteit (Grondwet, Europese regelgeving en verdragen), uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Daarbij neemt de Eerste Kamer in acht dat de Tweede Kamer een eigen positie inneemt.

Opstelten

Op 13 september benoemde de Koningin Opstelten tot informateur met de opdracht zijn onderzoek voort te zetten naar de spoedige totstandkoming van een stabiel kabinet van VVD en CDA dat met de steun van de PVV kan rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. Op 28 september werd bekend dat de onderhandelaars Rutte, Wilders en Verhagen een akkoord hadden bereikt over zowel regeer- als gedoogakkoord. Op 29 september bespraken de drie fracties deze akkoorden. VVD en PVV gingen akkoord, het CDA besloot op 30 september de beslissing af te laten hangen van de uitkomsten van het CDA-congres van 2 oktober. Eveneens op 30 oktober werden gedoog- en regeerakkoord gepubliceerd. Het regeerakkoord heeft als motto “Vrijheid en verantwoordelijkheid”. Op 2 oktober vond het CDA-congres plaats. Van de daar aanwezigen stemde 68% vóór deelname aan het kabinet met PVV en VVD terwijl 32% tegen stemde. De twee fractieleden Koppejan en Ferrier stemden daar tegen deelname. Dinsdag 5 oktober stemde de fractie van het CDA unaniem in met regeer- en gedoogakkoord. Op 7 oktober stelde informateur Opstelten zijn eindverslag aan de Koningin op. Daarin stelde hij voor Rutte te benoemen tot formateur. Het kabinet zal, zo staat in het eindverslag, bestaan uit 6 VVD- en 6 CDA-ministers, met Rutte als premier, en 4 VVD- en 4 CDA-staatssecretarissen. Donderdagavond 7 oktober benoemde de Koningin Rutte tot formateur. Op 14 oktober werd het kabinet-Rutte beëdigd.

Zie over de formatie van het kabinet-Rutte I: B. Bukman, Het slagveld. De lange weg naar het kabinet-Rutte, Amsterdam, Meulenhoff, 2011. 

Crisis

In maart en april 2012 vonden in het Catshuis besprekingen plaats tussen VVD, CDA en PVV over extra bezuinigingen die nodig waren om het begrotingstekort terug te dringen. Op 21 april mislukten die besprekingen.

NEVENFUNCTIES

Op 15 oktober 2010 werden de regelingen bekend die zijn getroffen i.v.m. (neven)functies en onverenigbare financiële, zakelijke en andere persoonlijke belangen, zie: Bijlage 32.417, Handelingen Tweede Kamer, 2010-2011, nr. 18.

VERVANGINGSREGELING

Bij Koninklijk Besluit nr. 10.002858 (gewijzigd op 16 december 2011 i.v.m. de vervanging van minister Donner door minister Spies) is de vervangingsregeling voor het kabinet-Rutte vastgesteld. Die regeling geldt voor de vervanging van een minister die tijdelijk afwezig is.

Hoofdregel is, dat een minister vervangen wordt door de staatssecretaris van hetzelfde ministerie voor zover en voor zolang de minister in de gelegenheid is om de staatssecretaris aanwijzingen te geven. De staatssecretaris kan in die gevallen met raadgevende stem aan de vergadering van de ministerraad deelnemen. Als de staatssecretaris niet als vervanger kan optreden (doordat ook hij afwezig is, of het ministerie geen staatssecretaris heeft, of de minister geen aanwijzingen kan geven aan de staatssecretaris) dan wordt de minister vervangen door een andere minister. Daarbij geldt de volgende regeling:

Minister

Vervanger

Minister-President, Minister van Algemene Zaken

drs. M.J.M. Verrhagen

Buitenlandse Zaken

drs. J.S.J. Hillen

Veiligheid en Justitie

mr. drs. J.W.E. Spies (tot 16-12-2011: mr. J.P.H. Donner)

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

mr. I.W. Opstelten

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

mw. drs. E.I. Schippers

Financiën

drs. M.J.M. Verhagen

Defensie

dr. U. Rosenthal

Infrastructuur en Milieu

H.G.J. Kamp

Economische Zaken, Landbouw en Milieu

mr. drs. J.C. de Jager

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

mw. drs. M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

mw. J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

Immigratie en Asiel (sinds 16-12-2011: Immigratie, Integratie en Asiel)

mw. mr. drs. J.W.E. Spies (tot 16-12-2011: mr. J.P.H. Donner)

Als deze regeling niet kan worden toegepast doordat ook de vervanger afwezig is, dan wordt de minister vervangen door de Minister-President.

Als die er ook niet is vervangt drs. M.J.M. Verhagen de minister.

Als ook die afwezig is, dan vervangt de oudst aanwezige minister in jaren.

Scroll naar top