Inhoud

Provincies

De trend in de percentages vrouwelijke statenleden vertoont hetzelfde verloop als die van in paragraaf 5.1 besproken vrouwelijke kamerleden. Bleef het percentage vrouwelijke vertegenwoordigers in de Provinciale Staten vóór 1970 onder de 10, sindsdien is het elke verkiezing met 3 à 4% toegenomen: in de jaren zeventig (van 7,3% naar 11,8% naar 16,0%) en in de jaren tachtig (van 20,6% naar 25,9% naar 29,6%). De provinciale verkiezingen van 1999 laten een vertegenwoordiging van vrouwen van 30,7% zien, slechts een zeer geringe stijging vergeleken met de verkiezingen van 1995.

Tabel 13. Vertegenwoordiging van vrouwen in provinciale en gedeputeerde staten, percentages, 1919 – 1999

Jaar

provinciale staten

gedeputeerde staten (a)

1919

2,7

1923

2,9

1927

3,2

1931

3,4

1935

2,2

1939

1,9

1946

3,6

3,1

1950

4,8

3,0

1954

5,3

3,0

1958

6,8

1,5

1962

6,3

4,5

1966

6,5

3,0

1970

7,3

1,5

1974

11,8

3,0

1978

16,0

7,2

1982

20,6

10,7

1987

25,9

21,5

1991

29,6

23,7

1995

30,6

19,4

1999

30,7

26,0

Bron: M.H. Leijenaar, De geschade heerlijkheid. Politiek gedrag van vrouwen en mannen in Nederland, 1918-1988. ’s-Gravenhage, 1989, pp. 243, 249; Emancipatieraad, Vrouwen in politiek en openbaar bestuur. ’s-Gravenhage, 1991, p. 45, 56, Ministerie van Binnenlandse Zaken, Voortgangsrapportages Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur, 1996, 1999, p. 26, 27.

Het percentage vrouwelijke gedeputeerden steeg vanaf de jaren tachtig. Met name na de verkiezingen van 1987 voor de Provinciale Staten heeft zich een duidelijke stijging voor gedaan in het aandeel van vrouwelijke gedeputeerden: van 10,7 naar 21,5%. Met een uitzondering van de verkiezingen van 1995 toen het aandeel van vrouwelijke gedeputeerden weer wat terugliep, zien wij ook in dit orgaan een opwaartse trend, uitkomend bij 26% vrouwelijke gedeputeerden na de verkiezingen van 1999. Zie figuur 2.

Voor een overzicht over het percentage vrouwelijke statenleden per partij van 1919-1987 en voor het aantal gedeputeerden per partij in 1982, zie:

  • M.H. Leijenaar, De geschade heerlijkheid. Politiek gedrag van vrouwen en mannen in Nederland, 1918-1988, ’s-Gravenhage, 1989, pp. 250
  • M.H. Leijenaar e.a., De helft als minderheid. Verslag van een onderzoek naar vrouwen in politieke functies, deel 1 (Samenvatting) en deel 2 (Eindrapport), ’s-Gravenhage, 1983, p. 10.

Zie voor de cijfers vanaf 1993: Ministerie van Binnenlandse Zaken, Voortgangsrapportage Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur Vrouwen in Politiek en Openbaar Bestuur, 1993; 1994; 1995; 1996; 1997; 1998; 1999. 

Voorts over vrouwelijke statenleden:

  • R. Redmond, Vrouwen, vernieuwing en de Staten. Onderzoeksrapport over de Provincie Utrecht, Emancipatiebureau Utrecht, 1995, pp. 56
  • D. de Wit en S. de Vries, Participatie en transformatie, over vrouwen en de staten, Hippolytushoef, De Beuk, 1994, p. 28
  • C. Kerling-Simons Aantal vrouwen op de kandidatenlijsten voor de Provinciale Staten 1995-1999, Vereniging voor Vrouwenbelangen, Utrecht, 1994, pp. 3.
Scroll naar top