Reorganisatie

Zoals reeds aangestipt in paragraaf 2.5, raakte de rechterlijke macht in de roerige jaren zestig en zeventig in opspraak. Mede als uitvloeisel hiervan werd een werkgroep herziening rechterlijke organisatie (de commissie-Wiersma) in het leven geroepen, die in haar rapport uit 1972 voorstelde een staatscommissie in te stellen die zich over zowel de organisatie van de rechterlijke macht als de samenstelling ervan zou dienen te buigen. Deze Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie is er in 1976 gekomen en heeft – na eerdere tussenrapportages – in 1984 en 1985 haar tweedelige eindrapport uitgebracht:

  • Eindrapport van de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie, deel II, ’s-Gravenhage, 1985
  • Eindrapport van de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie, deel I, ’s-Gravenhage, 1984.

De zich thans in verscheidene fasen voltrekkende reorganisatie van de rechterlijke macht is grotendeels hierop gebaseerd, al heeft het kabinet-Lubbers II enkele – niet onbelangrijke – wijzigingen in de voorstellen van de Staatscommissie aangebracht.

Zie: Naar een nieuwe structuur van de rechterlijke organisatie. Kabinetsstandpunt over het Eindrapport van de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie, deel 1, ’s-Gravenhage, 1989.

Reeds in het eindrapport van de Staatscommissie werd weinig meer vernomen over wantrouwen jegens de rechterlijke macht. Dit was in zoverre begrijpelijk, dat het in de jaren zestig en zeventig heersende wantrouwen jegens de rechter in de jaren tachtig weer grotendeels leek te zijn verdwenen. In plaats hiervan staan in de voorstellen tot reorganisatie van de rechterlijke macht de bevordering van de rechtseenheid en de overzichtelijkheid van de rechterlijke organisatie centraal.

De vraag die in dit verband rijst, is of voor het verwezenlijken van deze doelstellingen voldoende draagvlak zal blijken te bestaan. Inmiddels heeft het kabinet-Kok de plannen tot integratie van de kantongerechten en de rechtbanken (de tweede fase van de herziening van de rechterlijke organisatie) op een zodanige wijze bijgesteld, dat de essentie van de kantonrechtspraak – de kleinschaligheid – overeind blijft. Verder zijn besluiten met betrekking tot de eventuele creatie van één hoogste rechtscollege (de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie) op de lange baan geschoven.

Voor enkele kritische besprekingen van (aspecten van) de voorstellen tot reorganisatie van de rechterlijke macht, zie:

  • Beroep in herziening. Wenselijkheid en inrichting van (hoger) beroep in bestuursrechtelijke geschillen. Preadviezen van R.W.L. Loeb, H.F. van den Haak, en J.G. de Vries Robbé, in: Handelingen 1997 Nederlandse Juristen-Vereniging, deel I, Deventer, 1997
  • L.E. de Groot-van Leeuwen, 2010: Een brief van de minister van justitie, in: Trema, 15 (1993), pp. 93-97
  • G.J.M. Corstens (red.), Herziening rechterlijke organisatie. Verslag van het symposium van 22 juni 1990 georganiseerd door de Faculteit der Rechtsgeleerdheid Katholieke Universiteit Nijmegen in samenwerking met de Stichting Studiecentrum Rechtspleging, Zwolle, 1990.

Wel voltooid is, per 1 januari 1994, de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie, bestaande uit de integratie van de raden van beroep en de ambtenarengerechten en de arrondissementsrechtbanken en de inwerkingtreding van de eerste twee tranches van de Algemene wet bestuursrecht op 1 januari 1994 (een aanzienlijk deel van het materiële bestuursrecht en het bestuursprocesrecht). Hiertoe zijn binnen de rechtbanken „nieuwe stijl” administratieve kamers ingesteld, die in eerste aanleg rechtspreken in een groot aantal bestuursgeschillen.

Zie voor de achtergronden hiervan:

  • E.J. Daalder, G.R.J. de Groot, en J.M.E. van Breugel, Parlementaire geschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht. Tweede tranche (Stb. 1993, 581, 650, 671, 690), Alphen aan den Rijn, 1994
  • E.J. Daalder, en G.R.J. de Groot (met medewerking van J.M.E. van Breugel), Parlementaire geschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht. Eerste tranche (wet van 4 juni 1992, Stb. 315), Alphen aan den Rijn, 1993.

Naar aanleiding van kritiek op het functioneren van het openbaar ministerie, is eind 1993 door de minister van Justitie een Commissie Openbaar Ministerie ingesteld, die in de zomer van 1994 heeft gerapporteerd.

Zie: Het functioneren van het Openbaar Ministerie binnen de rechtshandhaving. Rapport van de Commissie Openbaar Ministerie, Den Haag, 1994.

Mede op basis van dit rapport is inmiddels een reorganisatie van het openbaar ministerie in gang gezet, die met ingang van 1 januari 1995 heeft geresulteerd in de instelling van een College van procureurs-generaal onder voorzitterschap van de procureur-generaal bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage als landelijke leiding van het openbaar ministerie.

Zie over (de problemen binnen) het openbaar ministerie voorts:

  • Inzake opsporing. Enquêtecommissie opsporingsmethoden, ’s-Gravenhage, 1996
  • H. de Doelder, R.M.G.E. Foqué, en R.A.F. Gerding (red.), Taak en functioneren van het OM, Arnhem, 1994.
Scroll naar boven