Inhoud

Self report-enquêtes

De deelnemers aan een bevolkingsonderzoek kan men uiteraard ook vragen opgave te doen van de delicten waaraan zij zich hebben schuldig gemaakt. Dit was de methode waarmee men aanvankelijk heeft geprobeerd inzicht te krijgen in het vraagstuk van de verborgen criminaliteit. De gedachte was eigenlijk heel simpel. Als de politiecijfers onbetrouwbaar zijn omdat veel criminaliteit zich aan de waarneming van de politie onttrekt, wat kun je dan beter doen dan individuen zelf vragen wat voor delicten zij hebben gepleegd. In de praktijk echter is deze methode bijna alleen gebruikt voor het verkrijgen van informatie over lichte en relatief veelvoorkomende misdrijven gepleegd door jongeren. Betrouwbare gegevens over ernstige delicten kunnen er niet mee worden verkregen. En voorts is deze methode ook niet erg geschikt voor ouderen. In tegenstelling tot jongeren zijn ouderen veel minder geneigd openhartig over hun gedrag te spreken.

Het CBS heeft een self report-enquête gehouden onder jongeren van twaalf tot dertig jaar. Het blijkt dat het percentage jongeren, dat zich in het afgelopen jaar aan één of meer delicten heeft schuldig gemaakt, het hoogst is in de leeftijdscategorie van 15-17 jaar. Het bedraagt zo’n 60%. Opgemerkt moet echter worden dat het voor een groot deel gaat om minder ernstige feiten als zwartrijden, vernieling, winkeldiefstal, graffiti en dergelijke. Daarna daalt het percentage. Het is niettemin in de leeftijdscategorie van 27-29 jaar nog ongeveer 40% voor jonge mannen en voor jonge vrouwen ongeveer de helft daarvan.

Het zogenaamde scholierenonderzoek van het WODC geeft enig inzicht in de ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit. Jongeren van 12-17 jaar worden daarin vragen gesteld over door hen gepleegde strafbare feiten in het afgelopen jaar. In tabel 2 staan de percentages jongeren die in het afgelopen schooljaar een delict hebben gepleegd. Het onderzoek is sinds 1988 om de twee jaar gehouden.

Tabel 2. Jongeren van 12–17 jaar die een delict in „het afgelopen jaar” hebben gepleegd, 1988–1996, in %.

Delict (%)

1988

1990

1992

1994

1996

iemand lastig vallen

9,9

12

11,8

14,1

14,6

betrokken bij vechtpartijen/rellen

6.7

8,8

11,6

14,7

iemand met een wapen verwonden

0,6

0,4

0,4

1,1

iemand in elkaar slaan

1,9

2,7

2,7

2,7

3,3

bedreiging om geld te krijgen

0,4

0,3

0,5

heling

3,5

4,1

4

4,2

8,6

fietsendiefstal

2,1

3

2,7

1,3

3,1

inbraak/insluiping

1,5

1,6

1,3

1,6

1,2

diefstal uit telefooncel/-automaat

1,2

1

1,1

2,3

diefstal op school

6,5

8,4

7,2

10,1

winkeldiefstal

5,4

7,4

6,6

7

10

vernieling

8,9

9,9

10,5

9,1

14,6

graffiti

10,3

8,8

8,6

10,1

11,1

brandstichting

3,8

5

3,8

4,3

5,3

Bron: M. M. Schreuders, F. W. M. Huls, W. M. Garnier en K. E. Swierstra, red., Criminaliteit en rechtshandhaving 1999; ontwikkelingen en samenhangen, Den Haag, 1999, p. 76.

Uit tabel 2 blijkt dat bij een klein aantal feiten sprake is van een geleidelijke toename: iemand lastig vallen, vernieling, heling, diefstal op school, en betrokkenheid bij vechtpartijen of rellen. Bij andere feiten is sprake van een grillig verloop. Ten opzichte van 1994 is over de hele linie een stijging te zien.

Scroll naar top