Inhoud

Overzicht discussie

In 1998 nam de Tweede Kamer de Wet subsidiëring politieke partijen aan. Voor het eerst in de Nederlandse parlementaire geschiedenis is er daarmee zicht gekomen op een wettelijke regeling inzake politieke partijen. In het verleden is hierover wel verschillende malen van gedachten gewisseld. In het begin van de jaren vijftig leek het klimaat gunstig voor een dergelijke regeling. Al in 1950 publiceerde de Wiardi Beckman Stichting van de PvdA het rapport Een Statuut voor Politieke Partijen. De staatscommissie-Van Schaik stelde in 1954 voor om in de Grondwet een artikel op te nemen dat wettelijke regelgeving ten aanzien van politieke partijen mogelijk moest maken. De commissie-Van Schaik oordeelde het „Een anomalie, dat de Grondwet thans in geen enkele bepaling gewag maakt van deze partijen. Het beeld, dat de Grondwet van onze staatsinrichting geeft is daardoor niet reëel”. (Eindrapport van de Staatscommissie tot herziening van de Grondwet, ’s-Gravenhage, 1954, p. 55). De toenmalige regering nam de conclusies van de commissie evenwel niet over. De staatscommissie Donner concludeerde in 1958 dat er niet voldoende aanleiding voor een wettelijke regeling bestond. Een derde staatscommissie-Cals-Donner zei in 1971 hier zelfs ernstige bezwaren tegen te hebben. De wetgever diende ten opzichte van bemoeienis met politieke partijen terughoudendheid in acht te nemen.

In de jaren zeventig heeft het Nederlandse parlement zich een aantal keren met het probleem van een wettelijke regeling van partijen beziggehouden. Aanleiding hiervoor was het verlenen van overheidssubsidies aan wetenschappelijke instituten van partijen en aan politieke scholings- en vormingsinstellingen, gelieerd aan partijen (zie par. 9.5). Juist om overheidsbemoeienis tegen te gaan,werd directe subsidiëring van partijen afgewezen. De toegekende subsidies werden verleend voor specifieke taken, hoewel erkend werd dat „waterdichte schotten” tussen de partijen en de hiermee gelieerde stichtingen op financieel gebied vrijwel onmogelijk waren.

Zie voor een chronologisch overzicht van de (parlementaire) discussie over de wettelijke regelingen inzake politieke partijen de nota: Subsidiëring politiek-wetenschappelijke instituten en instituten voor politieke scholing en vorming, Bijlage 18.543, Handelingen Tweede Kamer, 1983-1984, nrs. 1-2, pp. 6-14.

Ook bij de behandeling van de grondwetswijziging van 1983 achtte het parlement in meederheid het opnemen van een bepaling in de nieuwe Grondwet, die op 17 februari 1983 van kracht zou worden, niet wenselijk. Vrijwel algemeen bestond de vrees dat een dergelijke grondwettelijke bepaling zou kunnen leiden tot nadere, de vrijheid van partijvorming en partijorganisatie inperkende, organieke wetgeving. Tenslotte werd in de hierboven genoemde Nota inzake subsidiëring van aan politieke partijen gelieerde stichtingen van de Minister van Binnenlandse Zaken nogmaals een wettelijke regeling van politieke partijen afgewezen. De eveneens voorgestelde drastische vermindering van de subsidiegelden werd door een kamermeerderheid in een uitgebreide commissievergadering van 18 februari 1985 afgewezen (Handelingen Tweede Kamer, 1984-1985, UCV52, 18 februari 1985, pp. 18-40). Naar aanleiding van deze discussie kondigde het kabinet eind september 1985 aan de subsidieregelingen in de toekomst wel in een wet te gaan regelen.

Het zou echter nog jaren duren voordat een dergelijke wet van kracht zou worden. De aanvaarding in 1998 door de Tweede Kamer van de Regeling van de subsidiëring van politieke partijen („Wet subsidiëring politieke partijen” (Kamerstukken 25 704) bracht dat een stuk dichterbij. Tevoren had de Minister van Binnenlandse Zaken zich door een speciale commissie laten adviseren. Deze commissie bracht in 1991 een rapport uit onder de titel Waarborg van Kwaliteit, waarin onder meer gepleit werd voor één subsidiewet inzake politieke partijen die de grondslag diende te zijn voor een „brede doeluitkering”, die rechtstreeks of indirect (via met partijen verwante stichtingen) zou moeten worden verstrekt. Het uiteindelijk door de Tweede Kamer aanvaarde wetsvoorstel volgt in grote lijnen het voorstel van de speciale commissie, maar bepaalt dat de subsidies voortaan rechtstreeks aan partijen zullen worden verstrekt voor de limitatief opgesomde doelen, waaronder niet de kosten van verkiezingscampagnes vallen (zie verder 9.4).

Algemene literatuur inzake wettelijke regelingen:

  • R.A. Koole, De opkomst van de moderne kaderpartij, Utrecht, 1992, hoofdstuk 6: „De wettelijke positie van politieke partijen”
  • Waarborg van Kwaliteit. Rapport van de Commissie subsidiring politieke partijen, ’s-Gravenhage, 1991
  • D.J. Elzinga, De politieke partij en het constitutionele recht, Nijmegen, 1982
  • H. van den Brink, Recht voor politieke partijen, ’s-Gravenhage, 1982
  • I. Lipschits, Een wet op de politieke partijen? Opmerkingen bij een openbare les, in: Acta Politica, 1 (1969/1970), pp. 75-84 (reactie op Boukema)
  • P.J. Boukema, Vragen van partijrecht, Alphen a/d Rijn, 1968. 
Scroll naar top