Inhoud

Jaren zestig: de oorsprong

De explosie van collectieve actie vanaf 1965 kwam niet helemaal uit de lucht vallen. De vredesbeweging voerde onder de benaming Ban de Bom-beweging, in navolging van de Britse massale Campaign for Nuclear Disarmament, vanaf 1960 acties tegen kernwapens. De met haar verbonden Pacifistisch-Socialistische Partij wist enige verkiezingssuccessen te boeken. Ook acties tegen de oorlog in Algerije en het Portugese kolonialisme in Afrika trokken de aandacht. Niet aan het corps verbonden studenten richtten in 1963 een eigen belangenorganisatie, de Studenten Vak Beweging, op. Het was geen stilte maar een briesje voor de storm.

Eén van de meest gezichtsbepalende bewegingen van de jaren zestig is ongetwijfeld Provo geweest. De term „Provo” is afkomstig van de criminoloog W. Buikhuizen, die in zijn in 1965 verschenen proefschrift Achtergronden van nozemgedrag een provo definieerde als een puber die, onbegaafd en in hoge mate verveeld, uit tijdverdrijf relletjes op straat uitlokt. Enkele Amsterdamse jongeren, onder wie Roel van Duijn, die het anarchisme in een voor die tijd aantrekkelijke vorm wilden propageren, kozen „Provo” als geuzennaam voor het door hen uitgegeven blad.

De vlam sloeg in de pan toen Van Duijn c.s. eind mei 1965 in contact kwam met „antirook-magiër” Robert-Jasper Grootveld, die vanaf juni 1964 „happenings” organiseerde bij het door een sigarettenfabrikant betaalde beeldje Het Lieverdje op het Spui, het „symbool van de Verslaafde Consument van Morgen”. Regelmatig deden zich ongeregeldheden voor tijdens „happenings”; de politie trad hard op tegen de aanwezigen en de rellen trokken steeds meer belangstellenden. Vooral met door republikeinse en anti-Duitse sentimenten geïnspireerde acties tegen „het huwelijk” van prinses Beatrix en Claus von Amsberg trokken de provo’s de aandacht. Maar ook met „ludieke acties”, zoals het uitdelen van krenten, slaagden zij erin het bevoegd gezag te provoceren.

De spanningen liepen in de hoofdstad zo hoog op dat zich op 13 en 14 juni 1966 zeer heftige ongeregeldheden voordeden tijdens het zogenaamde bouwvakkersoproer. Aanleiding tot de rellen was het besluit van de „erkende” vakbonden, die belast waren met de verzilvering van de vakantiebonnen van bouwvakkers, twee procent van het tegoed voor ongeorganiseerde bouwvakkers in te houden ter vergoeding van de administratiekosten. Vele bouwvakkers in Amsterdam hadden sympathie voor de CPN en waren geen lid van een erkende vakbond. Zij protesteerden krachtig tegen het besluit van de vakbonden en raakten in gevecht met de politie, waarbij één bouwvakker om het leven kwam, naar later bleek door een hartaanval. De bouwvakkers gaven de politie de schuld, de politie beweerde aanvankelijk dat de dode gestorven was door een door de bouwvakkers geworpen tegel. Het dagblad De Telegraaf nam de versie van de politie over, waarop woedende bouwvakkers het Telegraafgebouw bestormden en er urenlange gevechten plaatsvonden tussen politie en betogers.

Een officieel onderzoek leidde uiteindelijk tot het vertrek van de burgemeester en de hoofdcommissaris van politie.

Ofschoon het doel van de protesterende bouwvakkers losstond van de Provo-activiteiten, hadden de Provo’s wel opgeroepen de – per slot van rekening tegen „het gezag” gerichte – acties te steunen. Duidelijk bleek dat er een kloof was ontstaan tussen het bevoegd gezag en delen van de bevolking. Nu had Amsterdam al langere tijd de reputatie een „roerige stad” te zijn en er hadden zich dan ook vaker heftige botsingen tussen gezagdragers en delen van de bevolking voorgedaan – zoals bij het Aardappeloproer van 1917 en het Jordaanoproer van 1934 –, maar de gebeurtenissen stimuleerden ook elders in het land acties tegen autoriteiten. De Provo-acties hadden een katalyserend effect.

Was Provo in zekere zin een uniek Nederlands verschijnsel, dat gold niet voor twee andere bewegingen die mede het beeld van de late jaren zestig hebben bepaald: de studentenbeweging en de Vietnambeweging.

De studentenbeweging maakte zich sterk voor „democratisering” van het wetenschappelijk onderwijs en bepleitte „maatschappijkritische” wetenschapsbeoefening. Zij zetten hun eisen kracht bij met onder meer demonstraties, bezettingen van universitaire gebouwen en de oprichting van „kritische universiteiten”. De meeste acties vonden plaats bij de Katholieke Hogeschool in Tilburg, de Katholieke Universiteit in Nijmegen en, minder verrassend, de Universiteit van Amsterdam. De studentenbeweging viel al vrij snel mede door onderlinge verdeeldheid uiteen, maar de effecten van de acties waren toch tamelijk groot in de vorm van een zekere democratisering van het universitair bestuur (vastgelegd in de Wet universitaire bestuurshervorming) en veranderingen in vorm en inhoud van het onderwijs.

De Vietnambeweging keerde zich vanaf ongeveer 1965 tegen de Amerikaanse oorlogsinspanningen in Vietnam; demonstranten betitelden de Amerikaanse president Johnson als „oorlogsmisdadiger” en „moordenaar”. De consternatie was des te groter omdat Nederland lange tijd een zeer loyale en trouwe bondgenoot geweest was van de Verenigde Staten, die de reputatie hadden ons land bevrijd te hebben van de Duitsers en een bolwerk van vrijheid te zijn.

De acties van studenten en Vietnamactivisten waren voor een groot deel geïnspireerd door Amerikaanse voorbeelden; in ieder geval in dat opzicht waren de Verenigde Staten nog steeds toonaangevend. Ook in andere West-Europese landen was het vooral in studentensteden roerig. Ofschoon zich in ons land regelmatig botsingen voordeden tussen politie en demonstranten, verliepen de acties hier tamelijk vreedzaam; afgezien van de genoemde ongelukkige bouwvakker vielen er geen doden. Zowel actievoerders als autoriteiten traden gemeten aan internationale maatstaven gematigd op; Nederland heeft – afgezien van de acties in de jaren zeventig van aanhangers van de R.M.S.-gedachte – in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Bondsrepubliek Duitsland en Italië weinig te maken gehad met terroristische acties.

Een belangrijk effect van de acties van vooral de Provo’s was dat de (geprovoceerde) gezagdragers van hun voetstuk vielen en ernstig gezichtsverlies leden. Op alle denkbare terreinen kwamen burgers in actie tegen „het gezag”, variërend van werknemers die hun bedrijf bezetten via soldaten die zich organiseerden in de Vereniging Van Dienstplichtige Militairen tot acteurs die zich in het kader van de Actie Tomaat verzetten tegen het naar hun mening conservatieve repertoire van gevestigde toneelgezelschappen. De acties waren vaak „ludiek” bedoeld, maar de „slachtoffers” ervan ervoeren dat niet altijd als zodanig.

In de tweede helft van de jaren zestig deed zich tevens een wederopbloei voor van de vrouwenbeweging en de milieubeweging.

 

In de volgende studie staat de „vroege” vredesbeweging centraal: K. Huisman, Ban de bom. De beweging tegen kernwapens 1960-1969, Amsterdam, 1981.

Algemene overzichten van de verwikkelingen in de jaren zestig bieden:

  • H. Righart, De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict, Amsterdam, 1995
  • J.C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig, Amsterdam, 1995. 

Het belangrijkste boek over Provo is: R. van Duijn, Provo: de geschiedenis van de provotarische beweging, Amsterdam, 1985.

Zie ook: V. Mamadouh, De stad in eigen hand. Provo’s, kabouters en krakers als stedelijke sociale beweging, Amsterdam, 1992.

Studies over de Nederlandse studentenbeweging zijn:

  • J. Dohmen en O. Steens, Bevrijding en bezetting. Vijftig jaar Algemene Studenten Vereniging Amsterdam, Amsterdam, 1995
  • H. Kijne, Geschiedenis van de Nederlandse studentenbeweging 1963-1973, Amsterdam, 1978
  • J. Janssen en P. Voestermans, De vergruisde universiteit. Een cultuurpsychologisch onderzoek naar voorbije en actuele ontwikkelingen in de Nijmeegse studentenwereld, Meppel, 1978. 

De Vietnambeweging is in kaart gebracht in: P. van Eekert, D. Hellema en A. van Heteren, Johnson moordenaar! De kwestie Vietnam in de Nederlandse politiek 1965-1975, Amsterdam, 1986.

Scroll naar top