Inhoud

Joodse immigratie en joods leven vanaf de 16e eeuw tot 1795.

Twee omstandigheden brachten vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw joden naar de Noordelijke Nederlanden, de latere Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden: een push- en een pull-factor. De herovering van het Iberisch schiereiland op de islamitische Moren door katholieke vorsten maakte een eind aan de vrijheid voor joden hun godsdienst uit te oefenen. In 1492 viel Granada, de laatste Moorse stad. Vele joden vluchtten naar Marokko of „bekeerden” zich tot het katholicisme, de zogenaamde Marranen, „nieuwe christenen” of conversos (bekeerden). Velen van hen werden er echter van beschuldigd in het geheim hun joodse godsdienst trouw te zijn gebleven. Vooral na 1580, toen Spanje en Portugal onder Philips II werden verenigd, nam de vervolging van deze Marranen ondraaglijke vormen aan. Tot zo ver de push-factor.

De pull-factor bestond uit de aantrekkelijkheid van de Verenigde Nederlanden als vestigingsgebied. Vooral na de val van Antwerpen in 1585 ging Noord-Nederland een periode van ongekende bloei tegemoet, die later als de Gouden Eeuw gekarakteriseerd zou worden. Het was dus niet verwonderlijk dat veel „nieuwe christenen” en (crypto-)joden uit Portugal en Spanje in de Noordelijke Nederlanden terechtkwamen. Zij vestigden zich – rechtstreeks of via Antwerpen – vooral in Amsterdam, waar zij weer terugkeerden naar hun joodse tradities. Zo ontstond in Amsterdam een bloeiende Portugees-joodse of sefardische gemeenschap (sefarad is de Hebreeuwse benaming voor het Iberisch schiereiland). In 1627 richtte rabbijn Menasseh-ben-Israël een joodse drukkerij op, die een belangrijke impuls betekende en spoedig navolging zou vinden. Deze joodse drukkers-uitgevers publiceerden stichtelijke werken, gebedenboeken, bundels met predikaties, bijbelvertalingen, grammatica’s, leerboeken en geschriften waarin de joodse wet (de Thora) werd verklaard. Men richtte synagogen op, legde eigen joodse begraafplaatsen aan en stichtte eigen instellingen voor ziekenverzorging, armenzorg en onderwijs.

De Republiek had niet alleen aantrekkingskracht voor sefardische joden, ook uit het oosten bereikten vele joden onze streken. De grote instroom van deze asjkenazische joden vond plaats tijdens en na de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), die veel verschrikkingen en vervolgingen veroorzaakte. Zo kwamen Hoogduitse joden in Amsterdam terecht, waar zij in 1635 een joodse gemeente stichtten. De immigratie van Poolse joden had vooral plaats na 1648, in gang gezet door de vervolgingen en moordpartijen van Kozakken in de Oekraïne en Galicië en de oorlogen van Zweden en Rusland met Polen. Met de later gearriveerde Litouwse joden stichtten zij in 1660 een eigen joodse gemeente. Deze gemeente heeft maar kort bestaan. Na verschillende conflicten tussen de Amsterdamse joodse gemeenten onderling verbood het stadsbestuur in 1673 de Poolse gemeente „het houden en frequenteren van aparte vergaderingen of kercken”. Vervolgens ging de Poolse gemeente op in de Hoogduitse. Duitse en Poolse joden hadden hun eigen taal: het Jiddisch, een mengsel van voornamelijk Hebreeuws en Duits.

De asjkenazische joden waren in het algemeen zeer arm, in tegenstelling tot hun sefardische geloofsgenoten, die dankzij hun contacten met Portugal bijdroegen aan en profiteerden van de handel met Portugal. Hoewel getalsmatig in de minderheid domineerde de sefardische gemeenschap de asjkenazische in cultureel en godsdienstig opzicht. Met die van Venetië en Saloniki groeide deze Amsterdamse Portugees-joodse gemeenschap uit tot de meest vooraanstaande van Europa.

Ook buiten Amsterdam kwamen joden terecht, waar zij voornamelijk via de handel of de door de sefardiem geïntroduceerde tabakscultuur in hun onderhoud trachtten te voorzien. Het toelatingsbeleid verschilde van plaats tot plaats, waarbij men in het algemeen liever sefardische joden met hun lucratieve handelscontacten zag dan de veel armere asjkenazische joden. De instroom van Hoogduitse en Poolse joden was echter veel omvangrijker. In de achttiende eeuw bracht een verslechterende economische situatie in het algemeen een verscherping van het toelatingsbeleid met zich mee. In 1720 bepaalde Friesland bijvoorbeeld dat alle joden die per trekschuit of te voet aankwamen (de armsten dus), niet toegelaten mochten worden.

Behalve toelatingsbeperkingen golden ook restricties voor de uitoefening van bepaalde beroepen. In de Republiek waren allen die niet tot de „heerschende” gereformeerde kerk behoorden uitgesloten van openbare ambten en posities in het onderwijs, dus ook de joden. Verder bestonden er voor joden speciale restricties. Joden werden toch vooral gezien als een „vreemde natie”, die in de Republiek slechts geduld werd. Afgezien van een paar uitzonderingen in Amsterdam, mochten joden geen lid worden van de gilden, waardoor veel stedelijke beroepen voor hen onbereikbaar waren. Het gevolg was dat joden vooral terechtkwamen in de detailhandel, de geldhandel en enkele nieuwe ambachtelijke activiteiten als de diamantbewerking, suikerraffinage, zijderederij, tabaksspinnerij en de boekdrukkunst. Op het platteland kwamen zeer weinig joden voor. Grondgebonden activiteiten waren voor hen vrijwel uitgesloten. Slechts in enkele dorpen kon men joden aantreffen als marskramer, venter of slager. Dat laatste beroep hadden zij te danken aan hun kennis van de speciale door de joodse wet voorgeschreven wijze van slachten.

Door de zeer beperkte beroepsmogelijkheden was de economische positie van de meeste joden zeer kwetsbaar. Toen de economie in de tweede helft van de achttiende eeuw terugliep, kwam het merendeel van de joden dan ook in de bedeling terecht. „Men heeft hun gepermitteerd in het openbaar Psalmen te zingen en… van honger te sterven” typeerde een pamflet uit 1795 de positie waarin de meeste joden terechtgekomen waren.

De joodse gemeenten (kehillot of killes) vormden tamelijk gesloten gemeenschappen bestuurd door een college van parnassiem, rijkere joden van ten minste vijftig jaar, die voor een periode van twee jaar gekozen werden. Hun invloed was aanzienlijk en strekte zich uit tot zaken als de godsdienstige discipline, de zedelijkheid, het gedrag in de synagoge, de armenzorg, de sabbatrust, de beperking van de weelde en het beleid voor de joodse slachterij. Omdat op het vlees armenbelasting geheven werd, vormde de laatste een belangrijke bron van inkomsten voor de armenkas. De joodse gemeenten waren zo betrekkelijk autonoom en bemoeiden zich ook weinig met elkaar. Aanvankelijk hadden ook de rabbijnen een zekere macht gekend, maar hun onafhankelijke positie ging verloren toen zij aangesteld en betaald werden door het college van parnassiem. Alleen in zuiver godsdienstige zaken (bijvoorbeeld het godsdienstig onderwijs) behielden zij bevoegdheden. Omdat veel joden aangewezen waren op de liefdadigheid van hun rijkere geloofsgenoten had de interne gezagsstructuur van de joodse gemeenten een sterk oligarchisch karakter. Een kleine groep parnassiem maakte de dienst uit.

In de tweede helft van de achttiende eeuw raakte een beperkt deel van de joodse elite onder invloed van de ideeën van de Verlichting, onder hen de Portugese jood Isaac de Pinto. Hij ontkende de eenheid van het joodse volk en betoogde dat joden alleen in godsdienstig opzicht van andere naties verschilden. Ook in asjkenazische kring wonnen verlichte denkbeelden veld, onder andere die van Mozes Mendelssohn. Hij verklaarde zich tegen het handhaven van de joodse autonomie en zag voor staat en kerk verschillende taken weggelegd. De staat diende de betrekkingen tussen de mensen onderling te regelen, de kerk diende voor het zieleheil te zorgen. De meerderheid van de joden moest van deze verlichte denkbeelden echter niets hebben. De rijkeren zagen hun macht in gevaar komen en ook de armeren waren in het algemeen anti-Frans en pro-Oranje. De Bataafse omwenteling zou echter juist de verlichte joodse elite de kans geven haar denkbeelden te verwezenlijken.

Voor verdere informatie, zie (zie ook paragraaf 2.1):

  • J.I. Israël, Empires and entrepots. The Dutch, the Spanish Monarchy and the Jews, 1585-1713, London, 1990
  • J. Stoutenbeek, en P. Vigeveno, Joods Nederland. Een cultuurhistorische gids, Amsterdam, 1989
  • J.I. Israël, „Sephardic immigration into the Dutch Republic, 15951672″, in: Studia Rosenthaliana, XXIII (1989) (Special Issue), pp. 45-53
  • J.I. Israël, European Jewry in the Age of Mercantilism 1550-1750, Oxford, 1985
  • J. Michman, „De joden in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden”, in: Portegiezen en Tedescos. Joods leven in Amsterdam 1592-1796, Amsterdam/Tel Aviv, 1982
  • J.C.G.M. Jansen, „Godsdienstig gedrag van joden en zigeuners in de 17de eeuw”, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, Deel 8, Haarlem, 1979, pp. 358-365.

Specifiek over joden in Amsterdam:

  • B.N. Teensma, „De Portugese joden in Amsterdam”, in: J.Everaert en E. Stols (red.), Vlaanderen en Portugal. Op de golfslag van twee culturen, Antwerpen, 1991, pp. 275-289
  • D.S. Swetschinski, The Portugese Jewish merchants of seventeenth-century Amsterdam. A social profile, 2 vol., Ann Arbor, 1991
  • W.Chr. Pieterse, „The Sephardi Jews of Amsterdam”, in: R. Barnett en W. Schwab (red.), The Western Sephardim. The Sephardi Heritage, Vol. II, Grendon, 1989, pp. 75-100
  • Y. Kaplan, „Amsterdam and Ashkenazic migration in the seventeenth century”, in: Studia Rosenthaliana, XXIII (1989) (Special Issue), pp. 22-44
  • R.G. Fuks-Mansfeld, De Sefardim in Amsterdam tot 1795. Aspecten van de ontwikkeling van een joodse minderheid in een Hollandse stad, Leiden, 1989
  • R. Kistemaker en T. Levie (red.), Exodo. Portugezen in Amsterdam 1699-1680, Amsterdam, 1987
  • R.E. van Engelsdorp Gastelaars, J. Vijgen en M. Wagenaar „Jewish Amsterdam 1600-1940. From ‘ghetto’ to ‘neighbourhoods”’, in: Immigration et société urbaine en Europe occidentale, XVIe-XXe siècle, Parijs, 1985, pp. 127-141
  • Y. Kaplan, „The Portugese Jews in Amsterdam. From forced conversion to a return to Judaism”, in: Studia Rosenthaliana, XV (1981), pp. 37-51
  • H.P. Salomon, The „De Pinto” manuscript. A 17th century Marrano family history. Assen, 1975
  • J.S. da Silva Rosa, Geschiedenis der Portugeesche Joden te Amsterdam 1593-1925, Amsterdam, 1925. 

Specifiek over joden in de Mediene:

  • J. Cahen (red.), De Mediene. De geschiedenis van het joodse leven in de Nederlandse provincie, Amsterdam, 1984
  • I. Brasz, De Kille van Kuilenburg. Joods leven in Culemborg, Amsterdam, 1984
  • H. Beem, De verdwenen mediene, Amsterdam, 1950
  • H. Poppers, De Joden in Overijssel van hunne vestiging tot 1814, Amsterdam, 1926\
  • I. Mendels, De joodse gemeente te Groningen, Groningen, 1907. 
Scroll naar top