Inhoud

Sociale klasse

Na en naast religie is de tweede scheidslijn in het Nederlandse maatschappelijke en politieke bestel gevormd door sociaal-economische factoren. Wat betreft de relatie tussen de sociaal-economische positie van de kiezers en hun partijvoorkeur zijn, zeker voor de periode tot 1971, nauwelijks onderling vergelijkbare gegevens voorradig. In de diverse onderzoeken zijn telkens enigszins andere indicatoren voor sociale klasse gebruikt.

Tabel 37. Beroepsgroepen en stemgedrag, 1950

Landarbeiders-

Employés

Boeren

Zelfstandig

Gepensioneerd

PvdA

33

36

6

17

18

KVP

33

35

46

28

29

ARP

14

10

18

17

12

CHU

8

10

12

12

18

VVD

1

7

18

23

6

CPN

10

2

3

18

Totaal

99%

100%

100%

100%

101%

Bron: J. J. de Jong, Overheid en onderdaan, Wageningen, 1956, p. 188.

Tabel 38. Welstand en stemgedrag, 1954

Welgesteld

Midden

B

A

PvdA

21

25

35

40

KVP

26

28

30

30

ARP

11

14

14

10

CHU

8

12

10

8

VVD

25

16

5

2

CPN

1

0

2

5

Overige

8

4

3

4

Totaal

100%

99%

99%

99%

N=

117

410

524

457

Bron: Gebaseerd op De Nederlandse kiezer. Een onderzoek naar zijn gedragingen en Opvattingen, ’s-Gravenhage, 1956, p. 86.

Tabel 39. Welstandsgroep en stemgedrag, 1956

A (hoog)

B

C

D (laag)

Totaal %

KVP

39

30

31

27

30

ARP

7

14

13

14

14

CHU

6

15

10

6

10

PvdA

24

22

35

41

32

VVD

18

15

4

1

7

Andere partij

6

4

6

10

7

Totaal

100%

100%

99%

99%

100%

N=

67

278

356

293

994

Bron: A. Lijphart, The Netherlands: continuity and change in voting behavior, in: R. Rose (ed.), Electoral behavior. A comparative handbook, New York, 1974, p. 243.

Tabel 40. Beroepsgroepen

Arbeiders

Employês

Boeren, landarbeiders

Zelfstandigen, leidinggevenden

Gepensioneerden

PvdA

36

23

18

13

33

KVP

24

28

35

24

26

ARP

11

11

14

10

7

CHU

7

8

16

7

6

VVD

1

8

4

21

8

Overige partijen en geen antwoord

21

22

23

25

20

Totaal

100%

100%

100%

100%

100%

Bron: J.J de Jong, Overheid en onderdaan, Wageningen, 1956, p.187.

Tabel 42. Inkomensgroep en stemgedrag, 1956

Minder dan 6.000

6.000

10.000

Meer dan 10.000

Geen antwoord

Totaal %

KVP

27

20

22

23

25

PvdA

27

22

14

22

24

ARP

13

14

8

11

13

CHU

13

9

6

13

11

VVD

8

27

39

16

16

Kleine partijen

2

2

1

3

2

Niet gestemd, ongeldig, blanco

6

5

8

5

5

Geen antwoord

4

1

2

7

4

Totaal

100%

100%

100%

100%

100%

N =

928

309

167

152

1556

Bron: L. van der Land e.a., Kiezer en verkiezing. Verslag van een onderzoek met betrekking tot de verkiezing van 1956 in Nieuwer-Amstel voor de Tweede Kmer der Staten-Generaal, Amsterdam, 1963, p. 29.

Tabel 41. Beroepsgroep en stemgedrag, 1956

Tabel 43. Inkomensgroep en stemgedrag, 1967

Minder dan 6.000

6.000 – 9.000

9.000 – 12.000

12.000 – 18.000

Meer dan 18.000

Geen mening of geen antwoord

KVP

24

24

26

23

19

19

PvdA

28

29

26

20

10

13

VVD

7

5

9

15

35

14

ARP

9

8

11

10

10

8

CHU

10

8

7

7

7

8

BP

4

4

3

2

2

3

PSP

2

2

2

2

2

0

D66

3

5

7

8

8

6

Overige partijen

16

14

12

10

7

19

Totaal

103%

99%

103%

97%

100%

100%

N =

687

1245

901

601

386

472

Bron: Gebaseerd op De Nederlandse kiezers in 1967, Amsterdam/Brussel, 1967, p.43.

Tabel 44. Klasse en stemgedrag, 1968

A (hoog)

B

C

D(laag)

Totaal %

KVP

22

17

25

27

22

ARP

10

16

10

13

12

CHU

9

11

7

5

9

PvdA

14

22

37

38

29

VVD

23

14

4

4

9

D66

18

12

8

5

10

Andere partijen

3

8

10

8

8

Totaal

99%

100%

101%

100%

99%

N =

181

510

672

150

1513

Bron: A.Lijphart, the Netherlands: continuity and changes in voting behavior, in: R. Rose (ed.), Electoral behavior. A comparative handbook, New York, 1974, p.243.

Tabel 45. Subjectieve sociale klasse en stemgedrag, 1971

Hogere klasse

Hogere midden klasse

Gewone midden klasse

Hogere arbeiders klasse

Gewone arbeiders klasse

Totaal %

PvdA

13

10

16

36

46

25

KVP

17

13

25

25

22

23

ARP

8

12

11

6

7

9

CHU

8

6

7

5

6

6

VVD

42

27

12

2

4

10

D66

4

9

11

7

2

8

CPN

1

5

4

3

PPR

4

2

1

1

PSP

4

1

2

1

1

DS70

11

8

6

4

7

SGP

3

2

2

2

2

GPV

2

2

1

2

1

BP/RVP

1

1

1

1

NMP

2

1

1

1

Andere partij

4

1

1

2

1

Totaal

100%

102%

102%

100%

101%

100%

N =

24

164

616

566

54

1424

Bron: Nationaal kiezersonderzoek 1971.

Tabel 46. Subjectieve sociale klasse en stemgedrag, 1972

Hogere klasse

Hogere midden klasse

Gewone midden klasse

Hogere arbeiders klasse

Gewone arbeiders klasse

Totaal %

PvdA

10

16

43

50

26

KVP

6

13

18

17

9

16

ARP

11

8

11

9

14

10

CHU

11

5

6

6

2

6

VVD

50

37

22

2

2

16

D66

7

4

3

5

4

CPN

2

1

5

14

3

DS70

6

8

4

2

4

SGP

2

4

6

3

GPV

3

1

1

2

1

BP/RVP

1

3

2

2

RKPN

2

1

1

PPR

17

5

8

4

6

PSP

1

1

1

_

1

NMP

1

1

Andere partij

1

0

1

Totaal

101%

101%

101%

100%

100%

101%

N =

18

167

571

449

1249

Bron: Nationaal kiezersonderzoek 1972.

Tabel 47. Subjectieve sociale klasse en stemgedrag, 1977

Hogere klasse

Hogere midden klasse

Gewone midden klasse

Hogere arbeiders klasse

Gewone arbeiders klasse

Totaal %

PvdA

21

13

26

41

51

36

CDA

17

22

39

36

33

35

VVD

38

46

20

8

3

15

D66

10

9

8

7

3

6

CPN

1

2

1

PPR

10

1

2

1

2

2

PSP

2

0

1

1

1

DS70

2

1

1

1

SGP

1

2

1

2

2

GPV

1

1

0

1

BP/RVP

0

1

1

1

RKPN

0

0

Andere partij

3

1

1

1

1

1

Totaal

99%

97%

100%

99%

100%

102%

N =

29

82

529

169

392

1201

Bron: Nationaal kiezersonderzoek 1977.

Tabel 48. Subjectieve sociale klasse en stemgedrag, 1981

Hogere klasse

hogere midden klasse

Gewone midden klasse

Hogere arbeiders klasse

Gewone arbeiders klasse

Totaal%

PvdA

9

10

17

36

42

25

CDA

14

31

40

27

29

34

VVD

37

33

20

8

5

16

D66

17

13

12

14

14

13

CPN

1

2

1

3

2

PPR

9

6

2

1

1

2

PSP

6

4

2

4

1

2

DS70

6

1

1

1

1

SGP

1

2

2

2

GPV

3

1

1

2

1

1

BP/RVP

1

0

RKPN

0

0

RPF

1

1

1

1

1

EVP

1

1

1

CP/CD

0

1

0

SP

0

1

0

0

Andere partij

1

1

0

Totaal

101%

101%

101%

101%

100%

100%

N =

35

150

649

162

417

1413

Bron: Nationaal kiezersondezoek 1981

Tabel 49. Subjectieve sociale klasse stemgedrag, 1982

Hogere klasse

Hogere midden klasse

Gewone midden klasse

Hogere arbeiders klasse

Gewone arbeiders klasse

Totaal%

PvdA

17

16

25

43

50

32

CDA

20

19

30

24

26

27

VVD

53

41

29

19

9

25

D66

3

9

6

4

3

5

CPN

2

1

3

1

1

PPR

3

6

1

3

2

2

PSP

3

5

3

2

3

DS70

1

1

1

1

1

SGP

1

1

3

2

GPV

1

1

1

1

1

BP/RVP

0

0

RPF

1

1

1

1

EVP

1

1

1

1

1

CP/CD

0

1

0

SP

1

0

Andere partij

0

0

Totaal

99%

101%

100%

101%

101%

101%

N =

30

165

635

129

326

1285

Bron: Nationaal kiezersonderzoek 1982

Tabel 50. Subjectieve sociale klasse en stemgedrag, 1986

Hogere klasse

Hogere midden klasse

Gewone midden klasse

Hogere arbeiders klasse

Gewone arbeiders klasse

Totaal %

PvdA

17

16

25

43

50

32

CDA

20

19

30

24

26

27

VVD

53

41

29

19

9

25

D66

3

9

6

4

3

5

CPN

2

1

3

1

1

PPR

3

6

1

3

2

2

PSP

3

5

3

2

3

DS70

1

1

1

1

1

SGP

1

1

3

2

GPV

1

1

1

1

1

BP/RVP

0

0

RPF

1

1

1

1

EVP

1

1

1

1

1

CP/CD

0

1

0

SP

0

0

Andere partijen

0

0

Totaal

99%

101%

100%

101%

101%

101%

N =

30

165

635

129

326

1285

Bron: Nationaal kiezersonderzoek 1982.

Tabel 51. Subjectieve sociale klasse en stemgedrag, 1989

Hogere klasse

Hogere midden klasse

Gewone midden klasse

Hogere arbeiders klasse

Gewone arbeiders klasse

Totaal %

PvdA

10

20

26

44

57

33

CDA

19

29

39

28

23

33

VVD

42

27

14

3

5

14

D66

19

17

10

10

6

10

Groen Links

6

5

6

4

5

SGP

3

1

1

3

2

2

GPV

3

1

2

2

1

2

RPF

3

2

1

1

1

CP/CD

0

1

0

0

Andere partij

1

1

1

1

Totaal

99%

101%

100%

99%

100%

101%

N=

31

199

711

117

290

1348

Bron: Nationaal kiezersonderzoek 1989.

Tabel 51A. Subjectieve sociale klasse en stemgedrag, 1994

Hogere klasse

Hogere midden klasse

Gewone midden klasse

Hogere arbeiders klasse

Gewone klasse arbeiders

totaal %

PvdA

19

19

22

28

38

25

CDA

16

14

23

17

17

20

VVD

42

33

23

15

10

22

D66

16

22

17

21

16

18

GroenLinks

3

8

5

5

4

5

SGP

1

0

0

0

GPV

1

1

0

1

RPF

1

2

2

1

CD

1

1

2

1

AOV/Unie 55+

2

4

7

6

4

SP

1

1

6

2

1

andere partij

3

1

1

2

1

Totaal

99%

102%

100%

101%

99%

99%

N=

31

221

742

91

264

1349

Bron: Nationaal kiezersonderzoek 1994

Tabel 51B. Subjectieve sociale klasse en stemgedrag, 1998.

Hogere klasse

Hogere midden klasse

Gewone midden klasse

Hogere arbeiders klasse

Gewone arbeiders klasse

totaal %

PvdA

9

19

28

38

46

30

CDA

23

13

19

16

20

18

VVD

36

29

25

16

6

22

D66

14

19

12

4

5

12

GroenLinks

14

12

7

10

8

8

SGP

5

0

1

1

1

GPV

2

2

1

1

RPF

2

3

3

2

2

CD

0

1

1

0

Unie 55+

0

0

0

AOV

0

1

0

Senioren 2000

2

1

0

SP

3

3

9

8

4

andere partij

0

1

1

1

1

Totaal

101%

99%

101%

101%

100%

99%

N=

22

263

935

118

245

1603

Bron: Nationaal kiezersonderzoek 1998

De gegevens voor 1950 hebben betrekking op de beroepsgroep der kiezer (zie tabel 37). Onder arbeiders blijken KVP en PvdA beide een derde deel der stemmen te behalen, terwijl de VVD electoraal succes boekt onder de zelfstandigen, zij het dat de KVP nog een groter aandeel van deze stemmen trekt. Bij de boeren behaalt de KVP bijna de helft van de stemmen en employées vormden de enige beroepsgroep waarin de PvdA de grootste partij is.

Bij de onderzoeken van 1954 en 1956 werd voor sociale klasse niet zozeer de beroepsgroep gebruikt als wel de mate van de welstand of de hoogte van het inkomen van de kiezer. In het eerste geval (tabel 38 en 39) zien we, dat de PvdA meer stemmen krijgt bij een lagere mate van welstand onder de kiezers, terwijl voor de VVD het omgekeerde het geval blijkt te zijn. De drie grote confessionele partijen behalen ongeveer evenveel stemmen in alle welstandsgroepen.

Voor 1956 bestaan verschillende onderzoeken, met telkens een iets andere indicator van sociale klasse. Het beeld dat gebaseerd kan worden op het inkomen van de kiezer, wijkt in essentie niet af van het beeld van 1954 (zie tabel 42). VVD en PvdA vormen, althans wat de trend betreft, elkaars spiegelbeeld, terwijl met name de KVP onder elke inkomensgroep een zelfde percentage van de kiezers weet te werven. ARP en CHU trekken minder kiezers aan uit de hoogste inkomensgroep. Voor 1956 bestaan ook gegevens voor de relatie tussen beroepsgroep en partijkeuze (zie tabel 40). De PvdA is met 36% de grootste partij onder arbeiders, op geruime afstand gevolgd door de KVP. Onder employées echter is de KVP groter dan de PvdA, zij het dat het verschil vrij klein is. Bij boeren en landarbeiders doet vooral de KVP maar doen ook de twee protestantse partijen het electoraal relatief goed, terwijl de VVD wederom het beste resultaat behaalt onder zelfstandigen en leidinggevenden. Onder gepensioneerden zijn PvdA en KVP de grootste partijen. Een gedetailleerder beeld levert het onderzoek gehouden te Nieuwer Amstel op (zie tabel 41).

De PvdA doet het blijkens deze gegevens electoraal goed onder de geschoolde vakarbeiders, het lagere administratieve personeel en de ongeschoolde arbeiders. In deze laatste groep is de KVP overigens even sterk; de KVP heeft relatief veel succes onder zelfstandige landbouwers en vissers, en landarbeiders. Deze laatste beroepsgroep spreekt ook relatief vaak een voorkeur uit voor de ARP. De CHU behaalt veel stemmen onder mensen die, al dan niet zelfstandig, werkzaam zijn in de landbouw en visserij. De VVD heeft een electoraal sterke positie onder mensen met een hogere betrekking, ondernemers met een vrij beroep, academici en zelfstandige middenstanders. Een grovere indeling in klassen levert geen wezenlijk ander beeld op: naarmate de klasse hoger wordt krijgt de VVD meer en de PvdA minder stemmen, terwijl de KVP in alle klassen een ongeveer even groot deel der stemmen weet te trekken (zie tabel 42). De ARP doet het relatief slecht in de hoogste klassen, de CHU doet het zowel in de hoogste als in de laagste klasse electoraal niet zo goed.

Voor 1967 kan weer het stemgedrag binnen een aantal inkomensgroepen worden bekeken (zie tabel 43). De drie grote confessionele partijen behalen een vrijwel gelijk percentage stemmen in alle inkomensgroepen. PvdA en VVD vormen weer elkaars spiegelbeeld: voor de VVD neemt het aandeel kiezers toe naarmate het inkomen hoger is, voor de PvdA neemt het aandeel af. D66 doet het electoraal gezien relatief slecht onder de laagste inkomensgroep.

Vanaf 1971 zijn voor de meting van sociale klasse andere vragen gebruikt. Hierbij gaat het om een vraag naar de zogenaamde subjectieve sociale klasse, dat wil zeggen de klasse waartoe de kiezer zichzelf zegt te rekenen. Een voordeel van deze vraag is, dat de aldus verkregen gegevens voor de jaren sinds 1971 met elkaar te vergelijken zijn (zie de tabellen 45 tot en met 51B). Vraagstellingen naar (indicatoren van) objectieve sociale klasse wijken regelmatig enigszins van elkaar af en maken aldus een goede vergelijking onmogelijk. De vraag naar de subjectieve sociale klasse luidt in zijn geheel als volgt:

Er wordt weleens gesproken over het bestaan van verschillende sociale klassen en groepen. Als u uzelf tot een bepaalde sociale klasse zou moeten rekenen, welke zou dat dan zijn?

  • hogere klasse
  • hogere middenklasse
  • gewone middenklasse
  • hogere arbeidersklasse
  • gewone arbeidersklasse.

Als de gegevens van deze vraag voor de periode 1971-l998 worden bekeken, wordt een van de voorgaande periode bekend en stabiel beeld waargenomen. Binnen de hogere klasse, waartoe overigens slechts een gering aantal mensen zich zegt te rekenen, is in alle jaren de VVD de grootste partij. Vooral de PvdA weet onder deze kiezers weinig stemmen te behalen. De confessionele partijen behalen weliswaar iets minder stemmen in de hogere klasse dan in andere klassen, maar dit verschil is beduidend geringer dan voor de PvdA. In verzwakte vorm kan het beeld van de hogere klasse worden teruggevonden in de hogere middenklasse, zij het dat als aanvulling moet worden opgemerkt dat onder deze kiezers D66 het electoraal goed doet.

De gewone middenklasse is in alle jaren de grootste klasse en lijkt tevens in de loop der tijd gestaag groter te worden. Het stemgedrag in deze klasse komt in grote lijnen overeen met het stemgedrag binnen het electoraat als geheel, zij het dat de PvdA in deze klasse telkens wat achterblijft bij haar totaalpercentage. Voor de jaren negentig doen PvdA en CDA (of haar voorgangers) het bij deze groep kiezers beter dan bij de hogere middenklasse, terwijl de VVD het er electoraal slechter doet. In de jaren negentig is het verschil geringer geworden. In 1994 zijn de stemmen van de gewone middenklasse opvallend gelijkmatig verdeeld over de drie grootste partijen, en blijft D66 weinig achter. Vier jaar later boeken CDA en D66 bij deze kiezers een slechter resultaat, terwijl PvdA en VVD ongeveer even groot zijn.

Het stemgedrag binnen de arbeidersklasse wijkt aanzienlijk af van dat binnen de middenklasse. Het verschil is nog het kleinst voor het CDA, hoewel de christen-democraten bij sommige verkiezingen terrein verliezen onder de kiezers die zichzelf zeggen te rekenen tot de arbeidersklasse. Met uitzondering van 1994 is de PvdA onder zowel de hogere als de gewone arbeidersklasse met 40% à 50% der stemmen de grootste partij. In 1994 blijkt met name D66 het relatief goed te doen onder deze groep kiezers; de partij trekt ongeveer evenveel kiezers uit alle naar subjectieve sociale klasse onderscheiden groepen. In 1998 keert voor D66 het oude patroon terug, dat wil zeggen dat relatief meer stemmen worden getrokken uit de middenklasse dan uit de arbeidersklasse. De VVD trekt in de regel slechts een gering aantal stemmen in de arbeidersklasse. Onder de kiezers die zich tot de arbeidersklasse rekenen hebben de gevestigde partijen overigens in 1994 een nieuwe concurrent in de ouderenpartijen, terwijl de SP er in 1998 in slaagt een aanzienlijk aandeel van deze kiezers voor zich te winnen. De stemmen van GroenLinks komen, veel meer dan die van de SP, in ongeveer gelijke mate uit alle sociale klassen.

Informatie over de relatie tussen sociale klasse en stemgedrag is onder meer te vinden in:

  • P. Nieuwbeerta en W. Ultee, Class voting in Western industrialized countries, 1945-1990: Systematizing and testing explanations, in: European Journal of Political Research, 35 (1999), pp. 123-160
  • A. Need, The Kindred Vote. Individual and Family Effects of Social Class and Religion on Electoral Change in the Netherlands, 1956-1994, z. p., 1997
  • P. Nieuwbeerta, The Democratic Class Struggle in Twenty Countries 1945-1990, Amsterdam, 1995
  • P. Nieuwbeerta en N. D. de Graaf, Intergenerationele klassenmobiliteit en politieke voorkeur in Nederland tussen 1970 en 1986, in: Mens en Maatschappij, 67 (1992), pp. 255-272
  • C. van der Eijk en K. Niemöller, The Netherlands, in: M. Franklin et al, Electoral Change. Responses to evolving social and attitudinal structures in Western countries, Cambridge, etc, 1992, pp. 255-283
  • G. A. Irwin en J. J. M. Van Holsteyn, Decline of the structured Model of electoral competition, in: H. Daalder en G. A. Irwin (eds.), Politics in the Netherlands. How much change. London, 1989, pp.21-41
  • C. Van der Eijk en B. Niemöller, The Netherland, in: I. Crewe en D. Denver (eds.), Electoral change in western democracies: Patterns and sources of electoral instability, London, 1985, pp. 342-371
  • G. A. Irwin en K. Dittrich, And the walls came tumbling down. Party dealignment in the Netherlands, in: R. J. Dalton, P. A. Beck en S. C. Flanagan (eds.), Electoral change in advanced Industrial democracies: realignment or dealignment. Princeton, 1984, pp.267-297
  • R. B. Andeweg, Dutch voters adrift. On explanations of electoral Change, 1963-1977, Leiden, 1983
  • G. A. Irwin, Patterns of voting behaviour in the Netherlands, in: R. T. Griffiths (ed.), The economy and politics of the Netherlands Since 1945, The Hague,1980, pp. 199-222
  • A. Lijphart, The Netherlands: continuity and change in voting Behavior, in: R. Rose (ed.), Electoral behavior. A comparative Handbook, New York, 1974, pp. 227-268
  • T. Bertrand e.a., Political opinion and class identification in the Netherlands, in Sociologica Neerlandica, 10 (1974), pp. 121-143
  • A. Lijphart, Class voting and religious voting in the EuropeanDemocracies, a preliminary report, in: Acta Politica, 6 (1971), pp.158-171
  • L. van der Land e.a., Kiezer en verkiezing. Verslag van een onderzoek met betrekking tot de verkiezingen van 1956 in Nieuwer-Amstel voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Amsterdam, 1963
  • J. J. de Jong, Overheid en onderdaan, Wageningen, 1956
  • De Nederlandse kiezer. Een onderzoek naar zijn gedragingen en opvattingen, Den Haag, 1956
  • Verkiezingen in Nederland. De ontwikkeling en verspreiding van politieke voorkeuren en hen betekenis voor de P.v.d.A., Amsterdam, 1951.

Zie verder voor informatie rond de Tweede-Kamerverkiezingen van 1971 tot en met 1998 de onder paragraaf 6.4 genoemde literatuur.

Scroll naar top