Inhoud

Kiesrechtcijfers

In onderstaande tabellen is een aantal kerngegevens over het aantal kiezers bij de Tweede Kamer verzameld.

Aantal stemgerechtigden ,absoluut en in percentages van de bevolking en van de mannen, sedert 1853.

Jaar

Absoluut aantal stemgerechtigden

% bevolking 1

% mannen 2

1853

83,561

2,7

10,7

1855

84.501

1858

89.153

1860

89.153

2,8

10,9

1863

96.001

1868

100.110

1869

101.552

1870

103.538

2,9

11,3

1871

104.438

1872

105.380

1873

106.877

1874

108.813

1875

110.485

1876

112.895

1877

115.560

1878

117.898

1879

120.121

1880

122.481

3,1

12,3

1881

124.372

1882

126.290

1883

127.451

1884

128.585

1885

130.410

1886

136.237

1887

134.987

3,1

1888

292.613

6,6

1889

292.680

6,5

1890

295.570

7,4

26,8

1891

299.416

6,6

1892

298.401

6,5

1893

299.391

6,4

1894

298.479

6,1

1895

300.583

6,3

1896

302.015

6,2

1897

577.059

11,7

1898

554.534

11,1

1899

564.292

11,1

1900

569.768

11,2

49,0

1901

609.511

11,8

51,8

1902

624.184

11,7

1903

644.232

11,9

1904

670.250

12,2

1905

750.550

13,4

1906

753.130

13,3

1907

789.290

13,7

1908

811.625

13.9

1909

843.550

14,3

1910

854.539

14,4

63,2

1911

872.536

14,5

63,4

1912

891.279

14,6

64,0

1913

960.676

15,5

68,0

1914

971.477

15,3

67,6

1915

1.016.569

15,8

69,3

1916

1.054.597

16,0

70,7

1917

1.079.475

16,1

70,8

1918 3

1.517.380

1922

3.299.672

1925

3.543.085

97,2

1929

3.821.612

97,1

1933

4.126.430

96,3

1937

4.468.852

97,1

1946

5.275.888

97,1

1948

5.433.663

96,6

1952

5.792.679

96,8

1956

6.125.210

97,5

1959

6.427.864

98,5

1963

6.748.611

98,6

1967

7.452.776

97,9

1971

8.038.726

97,9

1972

8.916.947

97,8

1977

9.506.318

97,7

1981

10.040.121

97,3

1982

10.216.634

97,0

1986

10.727.701

1989

11.112.189

1994

11.455.924

1998

11.755.132

2002

12.035.935

2003

12.076.711

2006

12.264.503

2010

12.524.152

2012

12.689.810

1:

1853-1917: stemgerechtigden in procenten van de totale bevolking;

1918-1937: stemgerechtigden in procenten van het aantal personen van 25 jaar en ouder (zie echter noot 3);

1946-1963: stemgerechtigden in procenten van het aantal personen van 23 jaar en ouder;

1967-1971: stemgerechtigden in procenten van het aantal personen van 21 jaar en ouder;

vanaf 1972: stemgerechtigden in procenten van het aantal personen van 18 jaar en ouder;

2:

1853-1=894: stemgerechtigden in procenten van het aantal mannen van 23 jaar en ouder.

1897-1917: stemgerechtigden in procenten van het aantal mannen van 25 jaar en ouder.

3

In 1918 waren alleen mannen van 25 jaar en ouder stemgerechtigd.

Joh. de Vries, Het censuskiesrecht en de welvaart in Nederland 1850-1917, in Economisch en Sociaal-Historisch Jaarboek. deel 34, ’s-Gravenhage 1971, pp. 178-231 CBS, Statistieken der verkiezingen voor de Tweede Kamer (vanaf 1925).

Bij de eerste directe verkiezing, die van 1853, waren 83.561 mannen van 23 jaar en ouder stemgerechtigd: dat was bijna drie procent van de totale bevolking en bijna elf procent van de mannen van 23 jaar en ouder. Doordat de basis van het kiesrecht de census was (d.i. een bepaalde belastingsom), werd het aantal kiezers steeds meer uitgebreid. De welstand nam immers steeds meer toe en in een aantal opzichten werd de technische uitvoering van het kiesrecht veranderd, waardoor weer nieuwe groepen van de bevolking tot het electoraat gingen behoren.

De uitbreiding van het kiesrecht verliep niettemin langzaam. Tot en met 1887 was het electoraat weliswaar met meer dan 50% toegenomen, maar nog steeds was maar iets meer dan drie procent van de bevolking kiesgerechtigd. De kiesrechtuitbreidingen van 1888 en 1897 deden het electoraat verdubbelen, maar rond de eeuwwisseling beschikte nog steeds de helft van de mannen niet over het kiesrecht. De Kieswet van Van Houten (1896) voegde aan de belastingkiezers een aantal andere categorieën kiezers toe. Voortaan werden ook huur-, loon-, spaar- en examenkiezers tot de stembus toegelaten, maar het overgrote deel van de kiezers baseerde hun kiesrecht toch op de belastingsom die zij betaalden (zie onderstaande tabel).

Aantal stemgerechtigden bij tweede-kamerverkiezingen naar categorieën in percentage van het totaal aantal stemgerechtigden, 1897-1917.

Absoluut

Jaar

aantal

Belasting

Huur

Loon1

Spaar

Examenkiezers

1897

577.059

89,0

1901

609.511

92,6

2,2

4,3

0,5

0,4

1905

750.550

86,6

3,6

8,1

1,0

0,7

1909

843.550

89,0

3,1

6,3

1,0

0,6

1913

960.676

89,0

2,9

6,5

1,0

0,6

1917

1.079.475

91,4

2.3

5,1

0,8

0,4

Tot de loonkiezers behoort eveneens de categorie der pensioenkiezeers.

Bron:  Joh de Vries, Het censuskiesrecht en de welvaart in Nederland, in Economisch- en Sociaal-Historisch Jaarboek. deel 44 ’s Gravenhage 1971, p 218-219.

Sinds de invoering van het algemeen kiesrecht is ruim 90% van de potentieel kiesgerechtigde bevolking ook werkelijk kiesgerechtigd. Zij die niet als kiesgerechtigd worden beschouwd zijn krachtens rechterlijk vonnis uit het kiesrecht ontzet of voldoen om een andere reden niet aan de kiesrechtvereisten.

Zie voor nadere gegevens over kiesrechtcijfers:

  • Joh. de Vries, Het censuskiesrecht en de welvaart in Nederland 1850-1917, in: Economisch en Sociaal-Historisch Jaarboek, deel 34, ‘s-Gravenhage, 1971, pp. 178-231
  • G. H. Scholten en G. Ringnalda, Netherlands, in: S. Rokkan en J. Meyriat, (red.), International guide to electoral statistics, 1 s-Gravenhage, 1969, volume I, pp. 232-260, dat een uitgebreide opgave van statistische bronnen en literatuur op het gebied van verkiezingen bevat
  • Bijlage 170-171, Handelingen Tweede Kamer, 1871-1872, Staatsbegroting voor het dienstjaar 1872, Opgaven omtrent den census van minister J. R. Thorbecke
  • CBS, Statistieken der verkiezingen voor de Tweede Kamer, ‘s-Gravenhage, diverse jaren.
Scroll naar top