Inhoud

Overgave aan Allah

Islam betekent letterlijk „overgave” of „onderwerping” aan Allah (= God). De wijze waarop dat dient te geschieden is geopenbaard door de profeet Mohammed (570-632), die in 610 zijn eerste visioen kreeg. De openbaringen van Mohammed zijn later bijeengebracht in de koran, de heilige schrift van de moslims. De koran is verdeeld in soera’s (hoofdstukken), die handelen over de eenheid van God, de verplichting van de mens om hem te danken en te gehoorzamen, de rol die hij speelt in de geschiedenis vanaf de schepping tot het einde der tijden, het laatste oordeel en het hiernamaals. De islam is meer dan een religie, het is een totale levenswijze.

Die levenswijze steunt op vijf belangrijke voorschriften, die de zuilen van de islam genoemd worden:

  • De shahada, de geloofsbelijdenis: „Er is geen god dan Allah en Mohammed is zijn gezant”. Zodra men deze geloofsbelijdenis uitspreekt, is men moslim. Verdere formaliteiten zijn niet nodig
  • De salat, het gebed. Vijfmaal per dag dient de moslim te bidden in de richting van de heilige stad Mekka: bij zonsopgang, op het midden van de dag, in de namiddag, bij zonsondergang en ’s avonds. Dat gebed kan in de moskee worden verricht, maar ook thuis of op het werk. Buiten de moskee dient men over een reine plaats of een gebedsmatje te beschikken. Op vrijdagmiddag wordt een gezamenlijk gebed in de moskee gehouden, voorafgegaan door een rituele reiniging (wudu)
  • De zakat en de sadaqa, het geven van aalmoezen. De nakat is een verplichte gift aan de (geloofs)gemeenschap ter grootte van één veertigste van het inkomen. De sadaqa zijn vrijwillige giften aan arme geloofsgenoten
  • De ramadan, de vastenmaand. Tijdens de ramadan, de negende maand van het islamitisch jaar, vasten alle gezonde, volwassen moslims, behalve zwangere vrouwen, van zonsopgang tot zonsondergang. De moslim dient zich dan te onthouden van eten, drinken, roken en seksuele omgang. Er wordt elke dag uit de koran gelezen. De ramadan eindigt met Eid ul-Fitr, het feest op de eerste dag van de tiende maand, de shawwal. Doel van deze vastenmaand is het tonen van gehoorzaamheid aan Allah en het vergroten van de eenheid van alle moslims, bijvoorbeeld door het versterken van de onderlinge contacten
  • De hajj, de pelgrimstocht naar Mekka. Iedere moslim moet deze tocht, zo mogelijk, eens in zijn leven ondernemen.

Behalve deze vijf voorschriften kent de moslim nog de jihad, de „strijd op Gods weg”, in het westen meestal als „heilige oorlog” aangeduid. De jihad is niet zoals de vijf zuilen een individuele maar een collectieve plicht met als doel de Dar al-islam (het gebied van de islam) te verdedigen tegen aanvallen van buiten. Deze „strijd” kan vele vormen aannemen, zoals intellectuele arbeid en goede daden, en wordt in tegenstelling tot wat men in het westen doorgaans denkt eerder defensief dan offensief opgevat.

In 655 leidde een conflict over het leiderschap van de islam tot het uiteengaan van Sjiieten („volgelingen van de weg van Ali” = de schoonzoon van Mohammed) en Soennieten („volgelingen van de traditie”) en het ontstaan van twee verschillende religieuze culturen. De Soennieten, die in het algemeen als orthodoxer gelden, vormen de meerderheid van de moslims, ook in Nederland.

Voor verdere informatie, zie:

  • P.B. Clarke, Islam, London, 1990
  • P.S. van Koningsveld, De Islam, Utrecht, 1988
  • J. Waardenburg (red.), Islam. Norm, ideaal en werkelijkheid, Houten, 1984 (tweede herziene druk 1987). 
Scroll naar top