Inhoud

Organisatie werkgevers

De volgende organisatiecriteria van werkgevers kunnen worden onderscheiden:

  • bedrijfstak, branche of sector
  • ondernemingsgrootte
  • levensbeschouwing
  • regio.

Ondernemers hebben zich wat betreft de sociale belangenbehartiging veelal per branche, sector of bedrijfstak georganiseerd. Werkgevers die per bedrijfstak zijn georganiseerd, worden ook wel bedrijfstakorganisaties of brancheverenigingen genoemd. Deze worden onderscheiden van werkgeverscentrales waarin werkgeversverenigingen zijn aangesloten (naast enkele grote bedrijven die naast hun lidmaatschap van een bedrijfstakorganisatie ook rechtstreeks lid zijn VNO-NCW). Bundeling van bedrijfstakorganisaties in centrales heeft plaatsgevonden op basis van ondernemingsgrootte en economische sector.

Momenteel zijn er drie centrales:

  • VNO-NCW: met name grote werkgevers en verenigingen in industrie, bouw, groothandel, vervoer en financiële dienstverlening
  • MKB-Nederland: met name brancheverenigingen van kleine en middelgrote bedrijven in detailhandel, ambacht, horeca en zakelijke dienstverlening
  • LTO-Nederland: werkgevers(verenigingen) in de land- en tuinbouw.

De grootste bedrijfstakvereniging is FME-CWM, die circa 3.000 lid-ondernemingen telt met werk voor 270.000 werknemers en 65.000 flexkrachten – in de metaal- en electrotechnische industrie. Het jaarbudget van FME-CWM is niet veel minder dan dat van VNO-NCW. Andere grote bedrijfstakverenigingen die aangesloten zijn bij VNO-NCW zijn: het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (koepel en CAO-coördinator van zeven werkgeversverenigingen in de bouw), Bovag, Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen, Koninklijk Horeca Nederland, Transport en Logistiek Nederland, Werkgeversvereniging Energie en Nutsbedrijven, Verbond van Verzekeraars et cetera.

De Algemene Werkgeversvereniging VNO-NCW (AWVN) is één van de weinig pure werkgeversverenigingen in Nederland omdat zij zich beperkt tot het terrein van arbeid. De AWVN heeft circa 900 leden, waarvan ongeveer 45 verenigingen. Als ondersteuner van bedrijven en brancheverenigingen is zij betrokken bij meer dan de helft van het aantal CAO’s in Nederland (540). Traditioneel behartigde haar voorloper (AWV) de belangen van de procesindustrie, maar in de jaren negentig is dat verbreed naar onder meer de transportsector en zakelijke dienstverlening.

De grootste branche-organisaties die zijn aangesloten bij MKB-Nederland is de Metaalunie met circa 10.000 leden en de organisatie van fysiotherapeuten met 8.000 leden.

Voor de ontzuiling was levensbeschouwing in het verleden een belangrijk organisatiecriterium. Katholieke en protestants-christelijke ondernemers legden wat meer nadruk op een harmonieuze relatie met werknemers, op zelfregulering met vakbonden en op “maatschappelijk verantwoord” ondernemen.

Regionale organisatie speelt op het terrein van de sociale belangenbehartiging een relatief kleine rol. Plaatselijke ondernemersverenigingen houden zich met name bezig met overleg met de lokale overheid over vestigingsklimaat, winkelopeningstijden etc. en – in mindere mate – met lokaal arbeidsmarktbeleid.

De interne organisatie van werkgeversverenigingen wordt, misschien nog wel meer dan bij vakbonden, gehinderd door grote heterogeniteit in de achterban. Dit kan al worden afgelezen aan de grote hoeveelheid ondernemersverenigingen en de grote (belangen- en culturele) verschillen tussen de drie werkgeverscentrales. Daar komt bij dat ondernemers vaak individuele vrijheid koesteren en een afkeer hebben van organisatie- of regeldwang, hetgeen de totstandkoming van bindende afspraken en het geven van mandaten aan centrale vertegenwoordigers belemmert. De mate van coördinatie onder werkgevers is sterk afhankelijk van trends als oprukkende overheden en sterker wordende vakbonden. Hiermee fluctueert de samenhang binnen werkgeversorganisaties meer dan die binnen werknemersorganisaties.

Van Waarden onderscheidt drie belangrijke machtsfactoren van werkgeversorganisaties:

  • samenhang en coördinatie tussen verenigingen (“cohesie”)
  • representativiteit: afhankelijk van de organisatiegraad en de breedte van de achterban
  • zelfdiscipline: afhankelijk van de mate waarin leden zich laten binden.

Zie hiervoor: F. van Waarden, “Employers and employers” association”, in: J. Van Ruysseveldt e.a. (red.), Comparative industrial & employment relations, Londen/Heerlen, 1995.

Vergeleken met het buitenland, zou de zelfdiscipline en representativiteit van Nederlandse werkgeversverenigingen hoog zijn. De “cohesie” daarentegen zou relatief laag zijn vanwege het grote aantal verenigingen.

Er zijn weinig betrouwbare cijfers over aantallen werkgeversverenigingen en de organisatiegraad van werkgevers. In tegenstelling tot werknemers, registreert het CBS niet het lidmaatschap van ondernemers. In 1981 schatten De Vroom en Van Waarden het aantal ondernemersorganisaties op circa 1660(brede definitie: ook bijv. winkeliersverenigingen worden meegerekend). In 2002 wordt het aantal op ruim 800 geschat, zie: J. Visser en A. Wilts, From liberal-corporatism to corpo-liberalism. Europeanisation and business interests in the Netherlands, Amsterdam, 2002.

Onduidelijk is hoeveel van deze organisaties zich bezighouden met het sociale beleidsterrein.

Momenteel organiseren de drie centrales circa 670 verenigingen. VNO-NCW bundelt 150 brancheverenigingen en (daarmee) 80.000 ondernemingen. Volgens hun eigen informatie vertegenwoordigt zij zo goed als alle ondernemingen met meer dan 500 werknemers, 95% van de ondernemingen met 100-5000 werknemers en 60% van de ondernemingen met 10-100 werknemers. Zij noemt zichzelf representatief voor 80% van de werkgelegenheid in de private sector.

MKB Nederland organiseert circa 30% van de ondernemingen in Nederland en heeft 500 brancheverenigingen en lokale organisaties als lid. Bij deze centrale zijn geen bedrijven rechtstreeks aangesloten. Het functioneert als “spreekbuis” voor het midden- en kleinbedrijf en er werken 100 medewerkers. Binnen LTO-Nederland werken 5 regionale en 13 sectorale land- en tuinbouworganisaties samen (60.000 ondernemers).

Werkgeversverenigingen zijn zeer belangrijk voor de arbeidsvoorwaardenvorming in Nederland, ook in bedrijven die niet zijn georganiseerd. In 2003 vallen meer dan 5,5 miljoen werknemers onder een CAO die door een of meerdere werkgeversverenigingen is afgesloten. Hiervan werken ca. 750.000 werknemers (16% van de werkenden die onder bedrijfstak-CAO’s vallen) in bedrijven die niet zijn aangesloten bij een werkgeversvereniging, maar die middels het wettelijke Algemeen Verbindend Verklaren aan bedrijfstak-CAO’s zijn gebonden. Er zijn echter veel meer dan 16% van de bedrijven onder bedrijfstak-CAO’s niet lid van een werkgeversvereniging: grote bedrijven zijn meer lid dan kleine. Bij AVV-vezoeken hanteert de Minister een meerderheidsvereiste (55%) op grond van de werkgelegenheid van de georganiseerde werkgevers en niet de werkgeversorganisatiegraad.

Scroll naar top