Inhoud

Survey-onderzoek en uitslagenonderzoek

Zoals vermeld in Hoofdstuk A1400 Kiezersonderzoek in Nederland bestaat het onderzoek naar stemgedrag (opkomst en politieke voorkeur) naast het enquête- of survey-onderzoek uit de analyse van de verkiezingsuitslagen. Deze uitslagen zijn alleen in geaggregeerde vorm, dat wil zeggen samengevat per teleenheid, beschikbaar. De kleinste teleenheden zijn in de regel gemeenten. In enkele gevallen wordt ook met grove onderverdelingen van gemeenten gewerkt. Het gebruik van gegevens van afzonderlijke stembureaus is hoogst uitzonderlijk. Kiezersonderzoek via de uitslag wordt bemoeilijkt doordat aan een individuele kiezer te hechten kenmerken niet direct met diens stemgedrag in verband gebracht kunnen worden. Wel kan men voor teleenheden kenmerken vaststellen die met het collectieve stemgedrag binnen die eenheid in totaal kunnen worden verbonden. De uitslag zelf wordt op deze wijze maximaal betrouwbaar, zij het niet op individueel niveau in beschouwing genomen.

Uitslagenonderzoek is vrijwel de enig beschikbare mogelijkheid voor het onderzoek naar verkiezingen van voor de tweede wereldoorlog. Terwijl de meeste politicologen en politiek sociologen vooral het kiezerssurvey als onderzoeksinstrument zijn gaan hanteren sedert surveys in de jaren 1960 meer en meer beschikbaar kwamen, is het verkiezingsonderzoek via uitslagen in deze periode ook het werk geweest van (sociaal-)geografen. Het type gegevens, dat daar aan de orde is, leent zich bij uitstek voor weergave op kaarten.

Bij vergelijking van survey-gegevens met verkiezingsresultaten zijn de laatste jaren steeds opnieuw vragen over de betrouwbaarheid van survey gegevens gerezen. Met name over toenemende discrepantie tussen geneigdheid tot stemmen en feitelijke opkomst bestaat zorgen. Dit leidt tot nieuwe interpretaties, aanvullende wijzen van data-verzameling en dergelijke. Bovendien wordt steeds meer gedacht aan mogelijkheden om surveys en uitslagenonderzoek te combineren. Dit belooft, naast ijking van survey-resultaten, vooral een beter inzicht op te leveren in de wijze waarop van plaats tot plaats verschillende sociale omstandigheden (vastgesteld via geaggregeerde data) de in een electoraat als geheel aangetroffen samenhangen tussen individuele kenmerken van kiezers en hun stemgedrag (vastgesteld in de survey) moduleren. Toepassingen zijn echter schaars.

Zie voor bijdragen aan deze discussie en een overzicht van toepassingen:

  • P. Dekker (red.) Niet-stemmers: een onderzoek naar achtergronden en motieven in enquêtes, interviews en focusgroepen, Sociaal en Cultureel Planbureau, 2002-6, Den Haag, 2002, plus “Actualisering stemgedrag geïnterviewden op 15 mei” via www.scp.nl
  • I. Smeets, Facing another gap: an exploration of the discrepancies between voting turnout in survey research and official statistics, in: Acta Politica 30, 3 (1995), pp. 307-334
  • H. Anker, Peilingsuitslagen als verkiezingsprognoses: mogelijkheden en onmogelijkheden ter verbetering van de kwaliteit van uit opiniepeilingen afgeleide voorspellingen van verkiezingsuitslagen,in: Acta Politica 30, 4 (1995) pp. 429-455
  • P.J. Taylor, The geography of elections, in: M. Pacione (ed.),Progress in political geography, London, 1985, pp. 243-272
  • R.J. Johnston en A.M. Hay, Voter transition probability estimates: an entropy-maximizing approach, in: European Journal of Political Research, 11 (1983), pp. 93-98. 

Het uitslagenonderzoek wordt ook wel als ecologisch onderzoek aangeduid. Dit is correct voorzover het erop gericht is omgevingsinvloeden in het stemgedrag aan de orde te stellen. Het uitslagenonderzoek is hiervoor in het verleden gebruikt en ook geschikt voorzover uitslagen voor teleenheden de mogelijkheid bieden voor het betreffende aggregaat van kiezers relevante omgevingsfactoren vast te stellen (bijvoorbeeld de invloed van een dominante agrarische produktiewijze met zijn eigen sociale organisatie op de kiezersvoorkeur; die agrarische productiewijze kan op zijn beurt weer gebaseerd zijn op de verdeling van bodemkundige kwaliteiten in een streek – het voorbeeld verwijst naar de befaamde Franse studie van A. Siegfried). Nog fraaier is het voor het onderzoek van dergelijke vragen in kiezerssurveys zodanige gegevens aan de respondenten te koppelen (hetzij via directe vragen hetzij via gegevens ontleend aan andere bronnen) dat een ecologisch getinte interpretatie beproefd kan worden. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer men respondenten ordent naar het verstedelijkingsniveau van hun woonplaats of naar de regio waarbinnen die woonplaats zich bevindt. Het probleem daarbij blijft niettemin hoe men in surveys uitgesproken politieke voorkeuren moet interpreteren.

Veel uitslagenonderzoek heeft het karakter van een benadering van samenhangen op persoonlijk niveau via meting op het niveau van teleenheden. Deze niveausprong bij de interpretatie is bijzonder riskant. Zij is echter bij afwezigheid van gegevens op individueel niveau erg verleidelijk. Dit geldt met name wanneer men overtuigd is van de doorslaggevende betekenis van individuele attributen voor de verklaring van stemgedrag. Men spreekt wanneer geen verdere methodische voorzieningen zijn getroffen van de “ecologische fout”; dit is één van de klasse van mogelijke niveaufouten waarbij in de interpretatie andere niveaus een rol spelen dan die waarop de gegevens zijn verzameld. Er worden telkens opnieuw voorstellen ontwikkeld om de risico’s bij een dergelijke analyse te verminderen. Die blijven omstreden.

Zie verder:

  • S. de Vos, De omgeving telt: compositionele effecten in de sociale geografie, Amsterdam, 1997 (dissertatie UvA)
  • G. King, A solution to the ecological inference problem: reconstructing individual behavior from aggregate data,New Haven, 1997
  • J. Agnew, Mapping politics: how context counts in electoral geography, in: Political Geography, 15,2 (1996), pp. 129-146 (met commentaren van C. Flint, W. Brustein en G. King en een weerwoord van Agnew)
  • K. Jones, R.J. Johnston en C.J. Pattie, People, places and regions: exploring the use of multi-level modelling in the analysis of electoral data, in: British Journal of Political Science, 22 (1992), pp. 343-380
  • A. Przeworsky en H. Teune, The logic of comparative social enquiry, New York, 1977
  • M.T. Hannan, Problems of aggregation and desaggregation in sociological research, Chapel Hill, 1970
  • M. Dogan en S. Rokkan (reds.), Quantitative ecological analysis in the social sciences, Cambridge Mass., 1969
  • A.Siegfried, Géographie électorale de l’Ardèche sous la IIIe République, Paris, 1913. 

Bij het kiezersonderzoek ligt de nadruk op de vraag welke voorkeur de kiezer met zijn stem tot uitdrukking heeft gebracht (selectie van lijsten, kandidaten). Aandacht is echter ook vereist voor de vraag of de kiesgerechtigde zijn stem uitbrengt (opkomst) en of hij bij het uitbrengen een dergelijke selectie achterwege laat (ongeldig, blanco). Voor de analysemogelijkheden van het uitslagenonderzoek in het bijzonder is ook van belang te weten hoeveel mensen hun stem niet bij het eigen stembureau hebben uitgebracht en hoe frequent er bij volmacht gestemd is.

Vrije en geheime verkiezingen worden onder alle mogelijke omstandigheden gehouden. Het kiesgedrag heeft zich in de loop der tijd ook in Nederland onder zeer uiteenlopende politiek-organisatorische omstandigheden afgespeeld. Het kiesrecht, het kiesstelsel en het partijstelsel zijn in de loop der tijd aanzienlijk gewijzigd (zie de hoofdstukken A1100 Politieke partijen en A1200 Kiesstelsel en kiesrecht). Het kiesgedrag wordt bovendien nog beïnvloed door de veranderende betekenis van de vertegenwoordigende lichamen waarop de verkiezingen zich richten en door de communicatie-technologie die zich rond verkiezingen heeft ontwikkeld (met name tot uiting komend in de wijze waarop campagnes worden gevoerd).

Wat volgt heeft in de eerste plaats betrekking op de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Hier en daar wordt ook over verkiezingen voor provinciale staten en gemeenteraden gerapporteerd. In de literatuur wordt nauwelijks enige aandacht besteed aan de verkiezingen voor lichamen als de waterschappen. Deze trekken ook heel weinig publieke aandacht. Bij de verkiezingen voor de verschillende waterschappen in 1979-1999 schommelde de opkomst rond 25%. Sedert 1979 is ook sprake van rechtstreekse verkiezingen voor het Europese Parlement en daarmee van uitslagen die zich voor onderzoek lenen. Tenslotte is vanaf de jaren 1990 sprake van lokale referenda die eveneens uitslagen genereren. Op onderzoek rond Europese verkiezingen en lokale referenda zullen wij ingaan in paragraaf 4, die betrekking heeft op de meer recente periode.

Zie voor internationaal overzicht:

  • R.D. Gastil (red.) Freedom in the world. Political rights and civil liberties, Westport (jaarlijkse survey sedert 1972, voor het eerst in jaarboekvorm 1978 tot zeker 2000)
  • P.J. Taylor en R.J. Johnston, Geography of elections, Londen, 1979. 

Verder staan in elk nummer van het tijdschrift Electoral Studies korte notities over recente verkiezingen.

Zie voor verkiezingen en waterschappen: M. Boogers en P.W. Tops, Waterschapsverkiezingen: over democratie en het bestaansrecht van waterschappen,in: Bestuurswetenschappen, 54, 4 (2000), pp. 288-303.

Scroll naar top