Inhoud

Inter/View

Hoewel Inter/View een relatieve nieuwkomer is op het terrein van electorale opinie-onderzoek, is dit bureau van de drie grote onderzoeksbureaus tegenwoordig waarschijnlijk het meest bekend bij het grote publiek. Dit is in niet geringe mate de verdienste van Maurice de Hond, die veruit de bekendste opiniepeiler van Nederland is. “In de Rooie Haan” bekend gemaakte meest recente peilingsresultaten voorpaginanieuws voor de maandagkranten.

De Honds bekendheid vond zijn beginpunt in 1976, toen hij toegang kreeg tot de door het NIPO wekelijks verzamelde ruwe data. Hij was van mening dat deze gegevens systematische afwijkingen en steekproeffluctuaties bevatten en aldus minder accuraat waren dan wenselijk moest worden geacht. Hij ontwierp een procedure – bekend geworden als de methode-De Hond – gericht op het verkrijgen van meer bevredigende resultaten.

De Hond hield zich primair bezig met twee factoren die de precisie van onderzoeksresultaten verkregen op basis van een steekproef beïnvloeden. De eerste factor hangt samen met de problemen die ontstaan als men een steekproef wil trekken op de door de handboeken voorgeschreven wijze. Het is welhaast onmogelijk een steekproefkader te vinden waarin alle kiesgerechtigden zijn opgenomen. En ongeacht het gekozen steekproefkader kunnen niet alle geselecteerden worden bereikt en zijn er mensen die weigeren aan het onderzoek mee te doen. Zo is hiervoor al opgemerkt, dat bij de wekelijkse peilingen van de NSS met mensen die in eerste instantie niet thuis zijn niet nogmaals contact wordt opgenomen; zij worden vervangen door andere respondenten. Om het noodzakelijke aantal vraaggesprekken per week te kunnen realiseren, worden eveneens concessies gedaan aan de door de theorie gestelde eisen. Uiteraard zijn er tevens nog buiten de macht van onderzoekbureaus liggende factoren die de verkregen resultaten beïnvloeden. Zo wees De Hond erop, dat lange tijd liet percentage ondervraagden dat aangaf op de CPN te zullen stemmen lager was dan bij de verkiezingen aan de oppervlakte komende feitelijke steun voor die partij. In later jaren heeft een dergelijk verschijnsel zich vermoedelijk voorgedaan voor kiezers van de Centrumpartij en van de Centrumdemocraten.

Al dergelijke factoren leiden ertoe, dat resultaten van peilingen systematisch afwijken van de werkelijke populatiegegevens. In veel onderzoek zullen zulke systematische fouten niet aan het licht treden, omdat de populatiegegevens nooit te achterhalen zullen zijn en een vergelijking van de steekproefresultaten met de werkelijke populatiegegevens onmogelijk is. Bij verkiezingsonderzoek ligt dit echter anders: de verkiezingsuitslag wordt bekend. De Hond vergeleek de NIPO-gegevens van de weken voorafgaand aan en volgend op de verkiezingen en kwam tot de conclusie dat er inderdaad sprake was van een systematische vertekening.

De eerste stap van de methode-De Hond bestaat dan ook uit een herweging van de ruwe data met als doel het verwijderen van de effecten van dergelijke systematische fouten. In het in Acta Politica (12 (1977), pp. 90-110) gepubliceerde voorbeeld werd de systematische fout van de peilingen van de drie maanden na de tweede-kamerverkiezingen van 1972 bekeken om een herweging uit te voeren op de resultaten van de gemiddelde percentages van de laatste vier weken voor de verkiezing van de provinciale staten van 1974. Uit de gegevens (zie tabel 3) valt op te maken, dat deze procedure resultaten oplevert die dichter dan de ruwe data liggen bij de werkelijke uitslag.

Tabel 3. Peiling vóór de provinciale-statenverkiezing van 1974; voor en systematische correctie

Gemiddelde percentages in de peilingen van de laatste vier weken voor de verkiezing

Provinciale-staten-verkiezing van 1974*

zonder correctie

na correctie op de systematische fout die berekend wordt op grond van het “heeft gestemd” in de drie maanden na de verkiezing 1972

PvdA

29,7%

32,1%

29,6%

VVD

19,0%

16,6%

18,5%

KVP

17,6%

17,7%

17,0%

ARP

6,8%

8,7%

8,0%

CHU

6,5%

7,4%

5,0%

PPR

65,2%

5,9%

5,0%

CPN

3,5%

1,1%

2,8%

DS’70

1,5%

1,6%

1,8%

D’66

1,1%

1.4%

1,6%

BP

3,1%

2,5%

3,7%

SGP

2,4%

1,1%

1,8%

PSP

1,4%

1,4%

1,8%

GPV

1,7%

1,8%

2,0%

Overige partijen

0,7%

0,8%

1,4%

Gecumuleerde absoluut verschil

13,3%

8,2%

* Na herbereking waarbij combinaties zijn”uiteengerafeld”.

Bron: M. de Hond, De meting van politieke voorkeur; een methode tot vermindering van fouten, in: Acta, 12 (1977). P. 96

Het tweede door de Hond aangesneden probleem had betrekking op de fluctuaties die zich van week tot week voordeden. Hierbij ging het vooral om de wisselende gegevens die de vraag naar het stemgedrag bij de vorige verkiezingen opleverde: “Op welke politieke partij hebt u gestemd bij de laatste verkiezingen?” Hoewel de resultaten van de vraag naar stemintentie als gevolg van veranderende de voorkeur kunnen variëren, staan de resultaten van de vraag naar stemgedrag in het verleden in principe vast. Afgezien van de mogelijkheid dat kiezers moeite hebben met het herinneren van hun vroegere stemgedrag, zouden de percentages voor de verschillende partijen constant moeten zijn. Echter, deze percentages bleken schommelingen te vertonen. Voor een deel kan dit natuurlijk om redenen van statistiek en steekproeftheorie worden verwacht en worden verklaard vanuit de omvang van de steekproef en de daaraan gekoppelde onzekerheidsmarges. De Hond merkte echter ook op, dat de gegevens van de vraag naar stemintentie gelijktijdig en analoog fluctueerden met die naar het stemgedrag in het verleden. Het duidelijkste voorbeeld is dat van de steun voor de SGP, een partij die bij verkiezingen altijd rond de 2% van de stemmen krijgt. Bij de wekelijkse peilingen zei de ene week 1% en de volgende week 3% bij vorige verkiezingen op deze partij te hebben gestemd, en de huidige steun voor de partij bleek dan eveneens 1% respectievelijk 3%. Deze fluctuaties kunnen worden ondervangen door de steun voor beide weken op 2% voor “heeft gestemd” en voor “zal stemmen” te zetten; de stabiliteit van de resultaten wordt aldus vergroot. Soortgelijke wegingen kunnen worden toegepast voor de andere partijen. Exacte wegingsprocedures en -richtlijnen heeft De Hond niet openbaar gemaakt.

Sinds 1982 werkt De Hond met gegevens van het bureau Inter/View. In het kader van Inter/View’s Aktualiteiten-scanner wordt dagelijks met uitzondering van zondagen, een steekproef van 125 Nederlanders van 15 jaar en ouder ondervraagd over (onder meer) actuele zaken. Het vraaggesprek wordt afgenomen via een computergestuurde telefonische enquête-eenheid; telefoonnummers worden “random” geselecteerd en tot drie maal toe worden de nummers gedraaid, verspreid over de gehele dag. De onderzoeksresultaten worden gebaseerd op de gegevens van minimaal een week, dat wil zeggen op basis van tenminste 750 interviews. Deze ondervragingstechniek werkt snel en levert daardoor actuelere informatie op dan mogelijk is door middel van aan huis afgenomen enquêtes.

Voor tweede-kamerverkiezingen stelt Inter/View de volgende vragen:

  • Stel dat er VANDAAG verkiezingen zouden zijn voor de Tweede Kamer, op welke partij zou u dan stemmen?
  • Ik zou nu een paar vragen willen stellen over actuele zaken. Op welke partij heeft u gestemd bij de LAATSTE tweede-kamerverkiezingen in 198-?

Recentelijk lijkt een lichte amendering van de methode-De Hond te hebben plaatsgevonden. Andeweg maakt melding van de in 1986 gebruikte wegingsprocedure van Inter/View, waaruit blijkt dat systematische vertekening van de steekproef door een weging naar geslacht, leeftijd en omvang van het huishouden niet afdoende wordt gecorrigeerd. In tabel 4 staan de resultaten van deze weging en tevens van de weging door middel van de “heeft gestemd”-vraag voor een peiling gehouden op de verkiezingsdag zelf.

Tabel 4. Wegingsprocedure Inter/View voor tweede-kamerverkiezingen van 21 mei 1986

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

(f)

(g)

CDA

33,0%

32,9%

32,3%

33,9%

33,1%

35,7%

35,8%

VVD

18,0%

18,0%

18,5%

18,0%

18,6%

17,4%

17,6%

PvdA

35,3%

35,5%

35,7%

34,8%

35,5%

32,6%

33,1%

Uitleg:

(a) ruwe gegevens peiling 21 mei;

(b) Herwogen naar leeftijd;

(c) herwogen naar sekse;

(d) heroverwogen naar huishouden;

(e) herwogen naar (a), (b) en (c)

(f) herwogen naar “heeft gestemd”;

(g) totaal alle herwegingen.

Bron: R. B. Andeweg, Pech, slecht onderzoek, of wispelturige kiezers?, in: R. B. Andeweg (red.), Tussen steekproef en stembus, Leiden 1988, p.13.

De Hond is een is een van de de weinige opiniepeilers die een prognose van de verkiezingsuitslag geeft. Hoewel wij alle verkiezingsonderzoeken van de commerciële bureaus voorspellingsonderzoek hebben gedoemd, stellen onderzoekbureaus veelal dat het gaat om de weergave van de stand van zaken op het moment van de onderzoek, waarbij overigens zelden of nooit uitgebreid wordt ingegaan op de grootte van dat deel van het electoraat dat nog geen keuze heeft bepaald. Bij het naderen van de verkiezingsdatum tracht De Hond deze personen waarvan de praktijkkeuze nog niet vaststaat inde beschouwing te betrekken, en op basis van de meest recente peilingsresultaten geeft hij een prognose van de uitslag. Bij deze prognose wordt het minimum- en het maxiumpercentage aan het stemmen waarop een partij mag rekenen bij de verkiezingen gegeven. Vervolgens vindt een omrekening plaats mag rekenen bij de verkiezingen gegeven. Vervolgens vindt een omrekening plaats naar het minimum en maxium aantal zetels waarop de politieke partijen mogen rekenen in de nieuw te verkiezen Tweede Kamer.

Zie voor verdere details van de door Inter/View gevolgde procedure, de methode-De Hond discussie over deze methode:

  • M. de Hond, de methoden toegelicht, Amsterdam, 1976
  • M. de Hond, De meting van de politieke voorkeur; een methode tot vermindering van fouten, in:Acta Politica, 12 (1977), pp. 11-138
  • M. de Hond, Antwoord op de kritiek van Foppen, in: Acta Politica, 12 (1977), pp. 139-148
  • De prognose voor de uitslag van de tweede-kamerverkiezingen van 21 mei 1986. Rooie Haan-Inter/View Verkiezingsonderzoek, 17 mei 1986
  • R. B. Andeweg, Pecj, slecht onderzoek, of wispelturuge kiezes?, in: R. B.Andeweg (red.), Tussen steekproef en stembus, Leiden, 1988, pp. 7-26.
Scroll naar top