Inhoud

“Roomsch in alles”

Van het geheel aan organisaties waaruit de katholieke zuil was samengesteld, behoorden die op het gebied van onderwijs, cultuur en recreatie tot de meest aansprekende. In de eerste drie decennia van deze eeuw is een breed scala van organisaties ontstaan, die beoogden vrijwel alle behoeften aan katholieke levensvormen te dekken. Het streven naar een autarkische samenleving die de volkskerkelijke aspiraties van het Nederlands katholicisme behalve op politiek en sociaal-economisch gebied ook in de sfeer van het alledaagse leven wilden verwerkelijken, heeft geresulteerd in een waaier van instellingen en organisaties, bijna zo breed als het toenmalig leefmilieu zelf. L.J. Rogier heeft deze „roomse dadendrang” in verschillende publikaties kleurrijk geschilderd. Slechts op één punt is aan de katholieke zelfstandigheidsverlangens niet tegemoetgekomen, hoewel dit wel min of meer serieus is voorgesteld: aparte kazernes voor de katholieke dienstplichtigen. Helemaal onbegrijpelijk was dat verlangen op zichzelf niet, want nadat de aankomende soldaten vanaf de wieg volledig katholiek waren ingebed, werden ze in de kazernes niet alleen met leeftijdgenoten uit allerlei andere bevolkingsgroepen samengebracht, maar bovendien ook vaak nog in een omgeving die gevaarlijk werd geacht voor geloof en vooral goede zeden. Door middel van een adequate geestelijke verzorging en andere maatregelen ter bescherming van de bedreigde jongeren, heeft men in de behoefte zo goed mogelijk trachten te voorzien.

In deze periode werd voortgebouwd op de grondslagen die in de tweede helft van de negentiende eeuw al gelegd waren. Dit gold voor de activiteiten op het gebied van caritas en gezondheidszorg en welzijnszorg in het algemeen. Op grote schaal werden er ten behoeve van geloofsgenoten eigen gast- en ziekenhuizen, gestichten en verpleeginrichtingen gebouwd, die dankzij de inzet van een sterk groeiende groep religieuzen van toegewijd personeel konden worden voorzien. Daarnaast kwamen er allerlei verenigingen en instellingen voor sociaal-charitatieve doelen van de grond: van reclassering en meisjesbescherming tot drankbestrijding en zorg voor de geestelijke volksgezondheid. Hoewel de betekenis van de Vincentiusverenigingen in deze periode niet meer zo centraal was als in de vorige ontwikkelingsfase, bleven zij actief als „meldposten” van maatschappelijke knelpunten.

De onstuimige organisatiedrang uitte zich ook in het verzinnen van aansprekende namen en/of het construeren van vernuftige afkortingen als de naam van de voetbalclub RAPID, dat stond voor „Roomsche Arbeid Praalt In Deugden”. Een andere sportvereniging was getooid met de naam RIA, en wilde daarmee aan zowel leden als buitenwereld duidelijk maken dat zij ernaar streefde „Roomsch In Alles” te zijn.

Hoe serieus de katholieken ook op het gebied van de snel opkomende vrijetijdsbesteding de invloed van de moderne samenleving hebben getracht onder controle te brengen, blijkt uit de inspanningen voor het ontplooien van een eigen sportleven. Juist ook op het gebied van sport, recreatie en vrije tijd botsten normen en waarden van de traditionele levensbeschouwing op „eisen” en verwachtingen van de moderne tijd. Deels ging het hierbij om activiteiten die gevolgen hadden voor de rechtstreekse kerkelijke interessesfeer (in het bijzonder het bezoek van de godsdienstoefeningen op zondag en andere aspecten van de zondagsheiliging). Voor een nog groter deel had het te maken met de bescherming van vooral de opgroeiende jeugd tegen de zedelijke gevaren die door de priesters werden gezien in de verschillende vormen van vermaak. Een effectief toezicht op de levenswandel van de jeugd werd sterk bemoeilijkt door alles wat er zich buiten de vertrouwde parochiekaders afspeelde. Beducht was men in het bijzonder voor de omgang met „andersdenkenden”, en dan nog weer speciaal van verschillend geslacht, want daar lag niet alleen het gevaar van onzedelijk gedrag op de loer maar wat nog meer te vrezen was, er konden gemengde huwelijken uit voortkomen.

Vooral jongere zielzorgers hebben zich al vroeg ingespannen voor het vinden van compromissen tussen de twee tegengestelde krachten. Het belangrijkste middel bestond erin zoveel mogelijk katholieke organisaties op te richten, zodat in eigen kring in de behoefte aan vermaak en ontspanning kon worden voorzien. Aldus is voor katholiek gebruik een groot deel van de organisaties en verenigingen gekopieerd die op „neutraal” terrein bestonden. Een van de extreme voorbeelden van het streven naar zelfvoorziening was een eigen katholieke voetbalcompetitie die men getracht heeft op te zetten, door het organiseren van wedstrijden in (inter)diocesaan verband met heuse bisschoppelijke bokalen en al. Dergelijke uitwassen van roomse sportfolklore hadden echter weinig toekomst, zulks in tegenstelling tot de katholieke verenigingen zelf. De geschiedenis van de katholieke sportbeweging levert trouwens toch interessante aanwijzingen voor opvallende paradoxen binnen de processen van verzuiling en ontzuiling. Enerzijds worden de sportverenigingen naar de aard van hun activiteiten gewoonlijk tot de marginale organisaties van de zuil gerekend; anderzijds behoren zij opmerkelijk genoeg niet alleen tot de vroegste organisaties, maar blijken zij ook een veel taaier leven te leiden dan de meeste verzuilingsdeskundigen voor mogelijk hadden gehouden.

In dat perspectief gezien, is vooral op het sportveld het leven sterker dan de leer gebleken en bestaat er een opmerkelijk verschil tussen de sportverenigingen en de jeugdorganisaties, hoewel in beide gevallen de doelgroep – de jeugd – voor een belangrijk deel dezelfde was. Het „apostolaat van de jeugd” zoals dat in de specifieke jeugdorganisaties beoefend werd (bij voorbeeld Katholieke Verkenners, Jonge Wacht, Kruisvaart, Jonge Werkman, Eucharistische Kruistocht, De Graal), had van meet af aan een intrinsieke waarde. Dit apostolaat behelsde niet alleen het negatieve streven om de jeugd van de straat te houden, maar mikte ook op het positieve doel om de jongeren te vormen tot strijdbare krachten voor de katholieke zaak. Een dergelijke doelstelling vergde een voortdurende mobilisering, waarvoor de priesters zichzelf in de eerste plaats verantwoordelijk achtten. Het hield tegelijk een zodanige intensivering van de zielzorg in, zowel inhoudelijk als organisatorisch, dat de uitvoering van de taken aan de eisen van plaats en tijd gebonden waren, met alle beperkingen vandien. Door de grootscheepse inspanningen die in deze periode zijn geleverd, hebben de katholieke jeugdorganisaties een groei en bloei bereikt, waarvan het onmogelijk is gebleken deze langere tijd vol te houden.

Ofschoon het ook op het gebied van onderwijs en opleiding tot wetenschapsbeoefening in belangrijke mate om de jeugd gaat, hebben zich hier weer andere ontwikkelingen voorgedaan. Voor behoud en versterking van de identiteit is de schoolstrijd gevoerd. Dank zij de mogelijkheden van de financiële gelijkstelling is het hele katholiek lager onderwijs in een paar decennia bewust en stelselmatig van bovenaf „verbijzonderd”, ook in die plaatsen in Brabant en Limburg waar de facto reeds katholiek onderwijs werd gegeven. Voorzien van de uitdrukkelijke bisschoppelijke zegen reikten de macht en invloed van het nieuw opgerichte R.K. Centraal Bureau voor Onderwijs en Opvoeding (1920) tot in de verste uithoeken van het land en voor elke vorm van onderwijs en organisatie. Voor het basisonderwijs (bewaar-, kleuter- en lagere scholen) is in deze periode een dusdanig dekkend apparaat ontstaan, dat tot ver in de twintigste eeuw aan het overgrote deel van de katholieke kinderen bijzonder onderwijs werd gegeven, ook toen ouders en onderwijzers met de kerk zelf een meer afstandelijke relatie waren gaan onderhouden.

Dat de „identiteitsstichtende” waarde van het onderwijs op eenzame hoogte staat in de geschiedenis van het Nederlands katholicisme, blijkt ook wel uit het feit dat al vroeg ernaar is gestreefd – en met groeiend succes – alle vormen van onderwijs op katholieke leest te schoeien: middelbaar onderwijs, beroepsonderwijs, speciaal onderwijs, lerarenopleidingen en, weliswaar het laatst maar niet in de laatste plaats, het wetenschappelijk onderwijs. Als de „kroon op het werk” in de toenmalige omstandigheden werd dan ook de stichting van een R.K. Universiteit te Nijmegen (1923) gezien. Andere sectoren van hoger onderwijs die van de grond kwamen waren de R. K. Leergangen en de R. K. Handelshogeschool in Tilburg, en niet te vergeten natuurlijk de talrijke priesteropleidingen, die in deze tijd een zeer florerend bestaan leidden. Behalve de jongemannen die daadwerkelijk tot priester werden gewijd, hebben deze seminaries als een kweekvijver voor jong talent buiten het priesterambt gediend. Zeker in de katholieke pers is het aantal ex-seminaristen decennia lang uitzonderlijk hoog geweest.

Pers en communicatiemedia vormen een hoofdstuk apart in de geschiedenis van het Nederlands katholicisme. Aan de „ups and downs” van katholieke dag- en weekbladen laten zich de lotgevallen van het katholieke volksdeel op een treffende manier aflezen. De belangen die aan het demonstreren van de katholieke identiteit verbonden waren, of juist niet (meer), bepaalden het aanzien van de katholieke pers. Om die reden is het ook geen toeval dat de katholieke pers in eerste instantie voor een belangrijk deel in handen was van priesters. Zulke directe zegeningen van de pers waren echter slechts van tamelijk korte duur. Mede ten gevolge van de proliferatie van de pers kwam in een volgende fase een pluriformiteit op gang, die enerzijds leidde tot onderlinge concurrentie tussen de verschillende bladen en anderzijds de rol van de leken versterkte. De geschiedenis van de landelijke kranten (De Tijd, De Maasbode, Het Centrum en de Volkskrant) laat deze verschuivingen het duidelijkst zien, maar in de ontwikkeling van de lokale en regionale pers is deze trend ook steeds aanwezig, evenals in ontspanningsbladen als de Katholieke Illustratie of Beatrijs, of in de jeugd- en cultuurbladen. Een bijzondere plaats in dit geheel neemt de geschiedenis van de Katholieke Radio Omroep (KRO) in, die in 1925 werd gesticht om meteen deel te hebben aan de ontwikkeling van dit moderne communicatiemiddel, allereerst voor apostolische en apologetische doeleinden, maar gaandeweg steeds meer als boegbeeld van de katholieke zuil als zodanig.

Uit een oogpunt van vernieuwing hebben de katholieken hun grootste bloei in deze periode bereikt op het gebied van de kunst, met name de letterkunde, de beeldende kunst en de bouwkunst. Rond tijdschriften als Van Onzen Tijd (1900), De Beiaard (1916), Roeping (1922), en De Gemeenschap (1924) hebben zich vooral katholieke jongeren gegroepeerd die elk op hun manier een bijdrage hebben geleverd aan de culturele ontplooiing van het Nederlands katholicisme. Op het gebied van de bouwkunst konden jonge architecten voortbouwen op het prestige van katholieke bouwmeesters als Pierre Cuypers. Diens zoon Joseph, maar vooral Stuyt, Kropholler en Valk, en in later jaren M.J. Granpré Molière waren architecten die naam maakten en in de loop van deze periode zorgden voor een grondige vernieuwing van de kerkebouw, mede onder invloed van de liturgische beweging sinds de jaren twintig. Wat verder opvalt, is de relatief grote rol die een aantal bekeerlingen heeft gespeeld in de katholieke kunstgeschiedenis van deze tijd. De bekendste onder hen zijn de schilder Jan Toorop en de schrijver Pieter van der Meer de Walcheren.

Een merkwaardige paradox heeft zich tenslotte nog voorgedaan in de rol die door katholieke jongeren in de jaren dertig is gespeeld in de vernieuwing van het Nederlandse katholicisme. Enerzijds zijn zij de eersten geweest die zich gewaagd hebben aan verzet tegen de sterke clericale macht in eigen kring en vanuit die houding ook zware kritiek hebben geleverd op de uiterlijkheid van het georganiseerde katholicisme. Van de andere kant beoogden zij juist als kunstenaars een soort apostolaat van de kunst te bedrijven. Als een soort „hogepriesters van de kunst” hebben zij zich opgeworpen als critici van het heersende katholieke bestel, in het bijzonder ook op partijpolitiek gebied. Het is dan ook niet toevallig, dat er onder deze jongeren velen zijn geweest die op avontuur zijn gegaan. Bij gebrek aan geloofwaardige alternatieven zijn de meesten van hen in rechts vaarwater terechtgekomen.

Literatuur

  • M. Sanders, Het spiegelend venster. Katholieken in de Nederlandse literatuur, 1870-1940, Nijmegen, 2002
  • Plas, M. van der, Daarom mijnheer, noem ik mij katholiek. Biografie van Anton van Duinkerken (1903-1968), Tielt/Amsterdam, 2000
  • J. Brabers en O. Schreuder, Proeven van eigen cultuur. Vijfenzeventig jaar Katholieke Universiteit Nijmegen, 1923-1998, Nijmegen, 1998
  • C. Mommers en G. Janssen, Zwijsen, een passie voor uitgeven. Geschiedenis van een educatieve uitgeverij, Tilburg 1997
  • P. Selten, Het apostolaat der jeugd. Katholieke jeugdbewegingen in Nederland, 1900-1941, Amersfoort, 1991
  • M. Derks en M. Budel, Sportief en katholiek. Geschiedenis van de katholieke sportbeweging in Nederland in de twintigste eeuw, Nijmegen, 1990
  • M. de Coo-Wijgerinck, O. Lankhorst en J. Roes (red.), De gezegende pers. Aspecten van de katholieke persgeschiedenis in Nederland tijdens de 19e en 20e eeuw, Zeist, 1989
  • A. Holtkamp, Van begijnen en schoolmeesters tot leraren basisonderwijs. Bronnen en bouwstenen voor de geschiedenis van de katholieke onderwijzersopleidingen in Nederland, Nijmegen’s-Gravenhage, 1988
  • G.E.M. Struyker Boudier, Wijsgerig leven in Nederland, België en Luxemburg, 1880-1980, Baarn, 1985-1991, 8 delen
  • A.F. Manning, Zestig jaar KRO. Uit de geschiedenis van. een omroep, Baarn, 1985
  • H. Bornewasser, In de geest van Thijm, 1904-1984. Ontwikkeling in de verhouding tussen geloof en wetenschap, Baarn, 1985
  • J. van Vugt, „De verzuiling van het lager onderwijs in Limburg, 1860-1940”, in: Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum, 10 (1980), pp. 17-60
  • G. Knuvelder, „Opstandige zonen. Terugblik op de jaren twintig”, in: W. Goddijn en G. Knuvelder, Hervorming zonder schisma, Hilversum, 1980, pp. 7-32
  • H. Bornewasser, Katholieke Hogeschool Tilburg, Deel 1, 1927-1954. Economie – ethiek – maatschappij, Baarn, 1978
  • J.A. Bornewasser, Vijftig jaar katholieke leergangen, 1912-1962, Tilburg, 1962
  • Gerard Brom, Romantiek en katholicisme in Nederland. Eerste deel: Kunst. Tweede deel: Wetenschap en staatkunde, Groningen-Den Haag, 1926.
Scroll naar top