Inhoud

Ruimtelijke inrichting

In 1997 verscheen: Rijksplanologische Dienst, Discussienota Nederland 2030. Verkenning Ruimtelijke Perspectieven, Den Haag, 1997.

De bedoeling van deze verkenning is een basis te leggen voor de vernieuwing van het nationaal ruimtelijk beleid voor de periode na het aflopen van het VINEX-beleid. De hierin ontwikkelde scenario’s kwamen tot stand via een communicatieve aanpak met andere overheden, marktpartijen, maatschappelijke organisaties en wetenschappers. Van probleemsignalering tot en met de uiteindelijk geproduceerde ruimtelijke perspectieven is ieder product namelijk onderworpen aan maatschappelijke discussie. Ook bij deze verkenning is nauw aangesloten bij die van andere onderdelen van het ministerie van VROM, met name bij de Woonverkenningen, en van instellingen erbuiten, zoals het CPB, RIVM en de ministeries van LNV en V&W. Het startpunt werd gevormd door de identificatie van een zestal grote ruimtelijke opgaven voor de toekomst, namelijk:

  • Duurzame economische ontwikkeling
  • Mobiliteit en infrastructuur
  • Ruimteclaims voor wonen, werken en recreëren
  • Sociale diversiteit
  • Ruimteclaims voor natuur en landschap
  • Sturing en strategie.

De wijze waarop deze opgaven worden tegemoet getreden, is afhankelijk van de toekomstvisie op de gewenste inrichting van Nederland. Er worden vier visies onderscheiden, die verschillen in opvatting over de relatie tussen mens en omgeving: Stedenland, Stromenland, Parklandschap en Palet. Ze kunnen als volgt worden gekarakteriseerd.

Stedenland stelt het contrast tussen stad en land centraal; versterking hiervan brengt zowel de kwaliteit van stad als land op een hoger peil. Stedelijke gebieden herstellen zich als concentratiegebied van wonen, werken en recreëren; het landelijk gebied wordt versterkt door meer ruimte te geven aan water, natuur en landbouw. Burgers hebben vertrouwen in een sterk sturende overheid die door de bestuurslagen heen als een eenheid functioneert.

In Stromenland zijn de netwerken van verkeer en water de basis van de ruimtelijke inrichting. Verstedelijking wordt gebundeld langs vervoersassen en de ontwikkeling van natuur wordt gevoed door schone waterstromen. Economie en ecologie gaan een partnerschap aan. Een investerende en faciliterende overheid schept maximale voorwaarden voor ruimtelijke ingrepen van regionale overheden en marktpartijen.

Parklandschap accentueert het cultuurlandschappelijke karakter van Nederland. Verstedelijking wordt gezien als motor van positieve landschappelijke veranderingen. Het is een culturele opgave om eigentijdse (gebruiks)vormen aan het landschap toe te voegen. Kenmerkend is de afwisseling tussen drukke stedelijke gebieden en gebieden waar rust en stilte de toon zetten. Regionale overheden hebben een cruciale rol in het sturen van ruimtelijke processen om de kwaliteit van het cultuurlandschap te verbeteren.

In Palet dragen burgers en bedrijven zelf de verantwoordelijkheid voor de inrichting van hun leefomgeving. Vele maatschappelijke initiatieven leiden tot een ruimtelijke inrichting met een grote verscheidenheid aan combinaties van stedelijke en landelijke functies. Er treedt spreiding van verstedelijking op en het gebruik van infrastructuur wordt in tijd en ruimte gespreid. Een vangnet van basiseisen op het gebied van sociaal en milieubeleid moet voldoende bescherming bieden. Er is geen sprake meer van een nationaal plan, de inrichting van de ruimte is het resultaat van onderhandelingsprocessen.

Uit de confrontatie van deze visies met de ruimtelijke opgaven volgen de ruimtelijke perspectieven van Nederland in 2030, veelal aan de hand van kaartbeelden.

Wordt in deze benadering de discussie gericht op de ruimtelijke inrichting die men in de toekomst gerealiseerd wil zien om van daaruit terug te redeneren naar nu te nemen beslissingen, in de volgende publicatie wordt de redenering omgedraaid. Er wordt een aantal voor de ruimtelijke inrichting belangrijke tendensen gesignaleerd die consequenties hebben voor het mechanisme van besluitvorming en de door het ruimtelijk beleid te hanteren beleidsconcepten, zie: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Ruimtelijke ontwikkelingspolitiek, Den Haag, 1998.

Bestaande beleidsconcepten als compacte verstedelijking en het openhouden van het landelijk gebied komen steeds meer onder druk te staan. De rol van eertijds „meekoppelende” belangen als volkshuisvesting en landbouw is veel zwakker geworden. Feitelijke ontwikkelingen als het steeds verder uit elkaar gaan liggen van activiteiten van burgers en bedrijven en vele manifestaties van sluipende verstedelijking leiden tot een toenemende druk op de doelstellingen, effectiviteit en legitimiteit van het beleid. Erkenning van deze omgevingsdynamiek noopt tot een heroriëntatie waarbij het streven naar generieke inrichtingsconcepten wordt losgelaten en een veel sterkere nadruk op regionale in plaats van nationale planning. Deze laatste dient veel selectiever te worden dan nu het geval is.

Een geheel ander type informatie is aan te treffen in: Rijksplanologische Dienst, Balans Ruimtelijke Kwaliteit 1999. Beeld op hoofdlijnen, Den Haag, 1999.

Hoewel deze publicatie geen toekomstverkenning is in de zin van een systematisch exploreren van de toekomstige ontwikkelingen op langere termijn, biedt zij wel interessante informatie over de middellange termijn. In een kaart „Nederland in plannen” wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste geplande ruimtelijke functieveranderingen in de ruimtelijke hoofdstructuur tot 2010. In het kaartbeeld zijn opgenomen de juridisch vastgestelde plannen, plannen waarover besluitvorming gaande is en plannen die nog in een verkennende fase verkeren. Het gaat derhalve om een „best guess”.

Scroll naar top