Inhoud

Jaren negentig: differentiatie en professionalisering

Voor dit decennium is het moeilijk uitspraken te doen over collectieve actie in het algemeen en sociale bewegingen in het bijzonder, vanwege de vergaande differentiatie die zich in het „actiewezen” voltrokken heeft. Vermoedelijk is van een dalende participatie in protest- en pressieorganisaties geen sprake; empirisch onderzoek heeft althans uitgewezen dat het „vrijwilligerswerk” in omvang eerder toe- dan afneemt. Ook stijgen de aantallen leden en donateurs van ideële organisaties in het algemeen nog steeds. Wel is de aard van de participatie waarschijnlijk aan het veranderen.

Al zijn in Nederland nog immer talloze protest- en pressieorganisaties actief, men kan thans met minder recht van sociale bewegingen spreken dan in de voorgaande decennia, om de simpele reden dat de samenhang, samenwerking en saamhorigheid tussen protest- en pressieorganisaties nu geringer lijkt te zijn dan voorheen. Wellicht valt er alleen nog zinvol over een milieubeweging te spreken, waarbij zich overigens in dat geval de vraag voordoet of er vanwege de vergaande institutionalisering en professionalisering van milieugroeperingen nog wel sprake is van een milieubeweging. De „desintegratie” van sociale bewegingen heeft alles te maken met algemene sociaalstructurele en sociaalculturele ontwikkelingen die al eerder op gang gekomen zijn maar in de jaren negentig grote invloed hebben gehad.

Een eerste ontwikkeling is in feite al genoemd, namelijk de voortgaande differentiatie, waaronder Van der Loo en Van Reijen verstaan dat „… individuen, groepen en organisaties in de samenleving zich toeleggen op gespecialiseerde, maar onderling verbonden activiteiten”. Die differentiatie doet zich ook in het actiewezen voor, zodat de verscheidenheid aan door protest- en pressieorganisaties behartigde belangen en gestelde doelen toeneemt.

Differentiatie gaat gepaard met heterogeniteit en pluralisering, waarmee bovengenoemde auteurs bedoelen dat de vele sociale eenheden, sectoren en organisaties in onze gedifferentieerde samenleving hun eigen waarden, normen, symbolen, opvattingen of jargon kennen.

Op individueel niveau leiden differentiatie en pluralisering tot segmentering: we leven steeds meer in verschillende „sferen” die ook uiteenlopende eisen aan ons stellen. Anders gesteld: we bekleden in toenemende mate verschillende rollen en we wisselen veelvuldig van rol. Eén en dezelfde persoon moet bijvoorbeeld de rollen vervullen van liefhebbende partner en ouder, meedogenloos ondernemer, veel vliegvakanties makende consument en met het milieu begane donateur van Greenpeace of het Wereld Natuur Fonds. Met andere woorden: voor veel burgers staat betrokkenheid bij protest- en pressieorganisaties, zoals milieugroeperingen, in toenemende mate los van hun andere activiteiten.

Een tendentie die de jaren tachtig en negentig vooral door zogeheten postmoderne denkers onder de aandacht gebracht is, is die van het einde van de ideologie, of, zoals de Franse postmoderne filosoof Lyotard het noemt, „het einde van de grote verhalen”. De tijd van de grote ideologieën als socialisme en communisme, met hun universele en totaliserende pretenties, is voorbij.

Het „einde van de ideologie” heeft zich niet alleen bij politieke partijen maar ook bij sociale bewegingen doen gelden. In de jaren zeventig en vroege jaren tachtig kenmerkten delen van diverse sociale bewegingen zich nog door een sterk ideologisch karakter. Dat gold onder andere voor onderdelen van de kraak-, milieu- en vrouwenbeweging, die een respectievelijk anarchistische, ecologische en feministische ideologie koesterden, waarbij achtereenvolgens de staat, de technocratie en het patriarchaat het „Kwaad” belichaamden. In de jaren negentig stelden ook (restanten van) sociale bewegingen zich pragmatisch op; net als in de politiek, waarin oude ideologische scheidslijnen vervaagden en de grote politieke partijen zich alle op het „midden” richtten, deed zich in het actiewezen een sterke „veramerikanisering” voor. Het succes van Greenpeace was hier het duidelijkste voorbeeld van. Greenpeace had geen uitgesproken ideologie, richtte zich op één kwestie, wist de massamedia goed te bespelen en was uiterst succesvol in de verwerving van financiële middelen. De jaren negentig stonden niet in het teken van postmaterialisme en nieuwe sociale bewegingen, maar werden gekenmerkt door goed georganiseerde professionele acties à la Greenpeace.

Hierdoor is de ideële binding van burgers aan particuliere organisaties afgenomen, in die zin dat waarden en normen minder bepalend zijn voor binding aan organisaties. Dientengevolge neemt de concurrentie tussen organisaties om de gunsten van burgers toe, is de binding van burgers minder hecht en duurzaam en zullen individuen zich jegens particuliere organisaties instrumenteler opstellen.

Soms lijkt het erop dat individualisering de belangrijkste verandering is in de westerse wereld in het algemeen en Nederland in het bijzonder. Door de individualisering zouden mensen zich in hun opvattingen en gedragingen minder dan vroeger laten leiden door religie en klasse en meer door hun eigen, individuele voorkeuren en afwegingen en vooral behoefte hebben aan „persoonlijke ontplooiing”.

Nu blijkt er uit sociaalwetenschappelijk onderzoek nog steeds een duidelijke samenhang te bestaan tussen sociale herkomst (opleiding, sociaal-economische status, geslacht, huidskleur, geboortestreek) enerzijds en allerlei opvattingen en gedragingen anderzijds. Zo is de aanhang voor postmaterialistische waarden niet gelijkmatig onder de Nederlanders verspreid. In de praktijk zijn mensen dan ook minder individualistisch dan het vaak lijkt. Wel is er een duidelijke tendentie aanwezig dat mensen langzaam maar zeker individualistischer worden in die zin dat de relatie tussen sociaal milieu enerzijds en opvattingen en gedragingen anderzijds in ieder geval diffuser, indirecter en minder ondubbelzinnig is dan vroeger. Dat heeft uiteraard alles te maken met de al eerder besproken processen van pluralisering en segmentatie.

Tengevolge van de individualisering zijn allerlei „traditionele” rekruteringsnetwerken voor protest- en pressie-organisaties, zoals de buurt en het bedrijf, vooral in verstedelijkte gebieden van minder grote betekenis dan vroeger; protest- en pressieorganisaties zullen hun potentiële achterban dan ook op een andere wijze moeten mobiliseren. Individuele ontplooiing is thans voor velen een belangrijke drijfveer om te participeren in particuliere organisaties.

Een tendentie die zich bij vele particuliere organisaties voordoet, is die van professionalisering, in tweeërlei zin. In de eerste plaats neemt de invloed van betaalde krachten toe, zeker bij protest- en pressieorganisaties die zich (mede) richten op beleidsbeïnvloeding, waar vrijwilligers/amateurs vaak nog wel uitvoerend werk „mogen” doen maar slechts weinig invloed op de besluitvorming hebben. Vooral in veel organisaties uit de milieubeweging maken betaalde krachten de dienst uit.

In de tweede plaats heeft professionalisering betrekking op deskundigheid. De toenemende complexiteit van allerlei vraagstukken en sociale problemen noopt tot een deskundige, professionele aanpak.

Daardoor verschuift in veel vrijwilligersorganisaties de macht van de leden naar de beroepskrachten, waardoor ook de organisaties zelf van karakter veranderen; in organisatiesociologische termen veranderen ze van min of meer democratische coöperaties in professionele organisaties. Sommige milieuorganisaties, zoals Greenpeace en het Wereld Natuur Fonds, hebben zelfs de rechtsvorm van een stichting en kennen in het geheel geen leden. Andere milieuorganisaties, zoals Natuurmonumenten, zijn formeel een vereniging, maar in feite heeft de overgrote meerderheid van de leden de status van donateur ofwel cliënt; in ruil voor een geldelijke bijdrage ontvangt men een mooi blad en heeft men (gratis) toegang tot de terreinen van Natuurmonumenten.

Had professionalisering aanvankelijk vooral betrekking op de inhoudelijke activiteiten van veel particuliere organisaties, nu worden ook bij de organisatorische kant van het geheel steeds meer deskundigen ingeschakeld. Ook hiervan is Greenpeace een voorbeeld; publiciteit, fondsenwerving, coördinatie en planning: op al deze terreinen zijn beroepskrachten actief.

Tegenwoordig zijn de media van groot belang voor particuliere organisaties. Vergeleken met enkele tientallen jaren geleden is daarbij de televisie inmiddels veel invloedrijker dan kranten, tijdschriften en de radio. Wil een vereniging dus „scoren”, dan is aandacht van een televisie-omroep of -zender essentieel. Met name milieuorganisaties hebben zich dit gerealiseerd en een aantal malen in samenwerking met omroepen uiterst succesvolle, op propaganda en fondsenwerving gerichte programma’s gerealiseerd, waarbij iedere organisatie haar „eigen” omroep had: het Wereld Natuur Fonds werkte samen met de TROS, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten kon terecht bij de VARA en Greenpeace had toegang tot Veronica. In alle gevallen leverden dergelijke programma’s de betrokken organisaties tienduizenden nieuwe leden c.q. donateurs op.

Het gebruik van de media om potentiële aanhang te rekruteren, heeft als niet onbelangrijk effect dat velen bereid zijn om incidenteel of periodiek een bedrag aan een vrijwilligersorganisatie over te maken, maar kan niet meer dan vrijblijvende steun genereren. Een directe, persoonlijke benadering blijkt nog immer noodzakelijk te zijn voor activiteiten die relatief veel tijd, moeite en energie kosten.

Ter afsluiting van dit gedeelte wordt kort weergegeven wat de consequenties van de hier summier geschetste ontwikkelingen zijn voor de in paragraaf 1.2. genoemde aspecten van sociale bewegingen.

Wat de hulpmiddelen aangaat waarover een sociale bewegingsorganisatie kan beschikken, is mankracht (uiteraard) nog steeds van belang, maar het lijkt erop dat de betrokkenheid van de leden bij hun organisatie en haar activiteiten in ieder geval minder duurzaam is en wellicht ook aan het afnemen is. Sociale bewegingsorganisaties komen voor een groot deel aan geld door middel van contributies en donaties, maar de betekenis van inkomsten uit eigen activiteiten en sponsoring wordt groter. Professionalisering impliceert de noodzaak om te beschikken over veel informatie en deskundigheid met betrekking tot zowel inhoudelijke als organisatorische en strategische kwesties. Ook het belang van relaties en contacten, met sleutelpersonen van onder andere het openbaar bestuur en de media, neemt toe. Alleen professionele sociale bewegingsorganisaties die er een groot „netwerk” op na houden, lijken het hoofd boven water te kunnen houden.

Wat de structuur van de sociale bewegingsorganisatie betreft lijkt de democratische, egalitaire coöperatie plaats te maken voor de flexibele, professionele organisatie.

Met betrekking tot de doelen en eisen van sociale bewegingsorganisaties heeft zich een proces van „ontradicalisering” voorgedaan; de gestelde doelen en eisen wijken met andere woorden minder af van de bestaande situatie en het gevoerde politieke beleid dan in de jaren zeventig. De doelen en eisen van een sociale bewegingsorganisatie zijn ook minder gefundeerd in een ideologie.

Ook het regime van sociale bewegingsorganisaties is enigszins veranderd, in die zin dat instrumentele binding belangrijker wordt (taken en activiteiten moeten interessant, „uitdagend” zijn). Ideële binding is nog steeds essentieel, maar de – gepercipieerde – haalbaarheid van doelstellingen is in de jaren negentig van meer gewicht dan een ideologische grondslag.

Ten aanzien van de strategie is demonstreren „uit”, omdat het voor sociale bewegingsorganisaties steeds moeilijker is grote mensenmassa’s op de been te brengen en gezagdragers van demonstraties nog maar weinig onder de indruk zijn. Overhalen is vanwege gebrek aan lokmiddelen ook in de jaren negentig niet aan de orde, zodat het accent ligt op argumenteren en procederen. Favoriete tactieken bij argumenteren zijn lobbyen en inschakeling van de media, terwijl een wetenschappelijke legitimatie van ingenomen standpunten cruciaal is. Ten slotte deinzen sommige organisaties niet terug voor contesteren, maar zijn directe acties tegen gezagdragers vrijwel altijd geweldloos.

Voorzover het nog zinvol is van sociale bewegingen te spreken, zijn de interne relaties sterk verzakelijkt en minder intensief. Men sluit om pragmatische en niet om ideologische redenen bondgenootschappen, zodat samenwerkingsverbanden minder hecht en duurzaam zijn. De keerzijde daarvan is dat heftige, ideologische conflicten die zich in de jaren zeventig en vroege jaren tachtig in diverse sociale bewegingen voordeden, in de jaren negentig voorbij zijn.

Ook de externe relaties van sociale bewegingen zijn „verzakelijkt”. Dat geldt zeker voor betrekkingen met de doelwitorganisaties, die het mikpunt vormen van de invloedspogingen van sociale bewegingen. De ontwikkelingen in de verhouding tussen openbaar bestuur en protest- en pressieorganisaties zijn de volgende. In de eerste plaats is er sprake van een „onderhandelingsrelatie” tussen openbaar bestuur en maatschappelijke organisaties. Als burgers en milieugroeperingen actie voeren tegen de aanleg van grootschalige infrastructurele projecten, ziet men niet van de aanleg af (want „economische groei” en „vooruitgang” staan niet ter discussie), maar koopt men letterlijk de onrust af door geld beschikbaar te stellen voor extra voorzieningen. In de tweede plaats experimenteert men mede met behulp van geavanceerde technologische apparatuur hier en daar met „nieuwe”, „interactieve”, netwerk-achtige vormen van sturing, vooralsnog met weinig resultaat. In de derde plaats stelt de sinds de jaren tachtig „terugtredende” overheid maatschappelijke organisaties in bepaalde sectoren in de gelegenheid tot een zekere mate van zelfsturing.

De doelgroepen van sociale bewegingen zijn minder ondubbelzinnig aanwijsbaar dan voorheen. Aan de ene kant is het mobilisatiepotentieel daardoor groter dan voorheen, aan de andere kant hebben sociale bewegingen nauwelijks meer een „natuurlijke achterban” en moeten zij meer moeite doen om potentiële aanhangers te mobiliseren, waarbij zij op een steeds professionelere manier te werk gaan.

Ook de externe relaties met bondgenoten zijn verzakelijkt. De concurrentie tussen protest- en pressieactoren neemt toe, om de werving van aanhangers, de aandacht van de media en de toegang tot de politieke gezagdragers.

Van tegenbewegingen is in ons land in de jaren negentig geen sprake meer. Aan het toegenomen belang van de media is al aandacht besteed.

Zie voor een overzicht van de ontwikkeling van het vrijwilligerswerk in Nederland: Sociaal en Cultureel Planbureau, Sociaal en Cultureel Rapport 1996, Rijswijk, 1996, pp. 541-552.

Hieruit blijkt onder meer dat in de jaren tachtig en negentig ongeveer vijf procent van de volwassen bevolking zegt actief te zijn in organisaties met politieke en ideële doeleinden. Gemiddeld zijn vrijwilligers in het algemeen ongeveer vijf uur per week actief.

Van de volgende bundel zijn diverse bijdragen gewijd aan de kenmerken, inzet en betrokkenheid van vrijwilligers: P. Dekker (red.), Civil society. Verkenningen van een perspectief op vrijwilligerswerk. Civil society en vrijwilligerswerk I, Rijswijk, 1994.

De schets van sociaalstructurele en socioculturele ontwikkelingen is gedeeltelijk gebaseerd op: H. van der Loo en W. van Reijen, Paradoxen van modernisering. Een sociaalwetenschappelijke benadering, Bussum, Derde druk, 1997.

Zie voor de resultaten van onderzoek naar de verbreiding van postmaterialistische waarden:

  • N.D. de Graaf, Postmaterialisme, sociale stratificatie en de politieke strijd, in: J. Dronkers en W.C. Ultee (red.), Verschuivende ongelijkheid in Nederland. Sociale gelaagdheid en mobiliteit, Assen, 1995, pp. 202-222
  • J. van Deth, De stabiliteit van oude en nieuwe politieke oriëntaties, in: J.J.M. van Holsteyn en B. Niemöller (red.), De Nederlandse kiezer 1994, Leiden, 1995, pp. 126-141
  • A. van den Broek en F. Heunks, Politieke opvattingen na de ontzuiling: herschikking of fragmentatie?, in: P. Ester en L. Halman (red.), De cultuur van de verzorgingsstaat. Een sociologisch onderzoek naar waardenoriëntaties in Nederland, Tilburg, 1994, pp. 39-64.

Zie voor een samenvatting van de bevindingen van Klandermans c.s. met betrekking tot participatie in sociale bewegingen: P.G. Klandermans, Management van sociale bewegingsorganisaties: Het verwerven en aanvaarden van middelen, in: L. W. Huberts en W. J. van Noort (red.), Sociale bewegingen in de jaren negentig. Stand van zaken en vooruitblik, Leiden, 1989, pp. 17-32.

Scroll naar top