Inhoud

De gekozen premier of gekozen formateur

Op basis van een kritiek op de werking van het kiesstelsel en de wijze waarop de kabinetsformatie in Nederland plaatsvindt, heeft J. F. Glastra van Loon in 1964 bepleit over te gaan tot de directe verkiezing van de minister-president. Dit voorstel is door de nieuw gestichte partij D’66 in 1966 overgenomen. Zie:

  • N. J. C. M. Kappeyne van de Coppello, De gekozen ministerpresident, in: Staatsrechtelijke opstellen aangeboden aan prof. H. Krabbe, ’s-Gravenhage, 1927, deel II
  • J. F. Glastra van Loon, Demokratie in Nederland, in: Acta Politica, 3 (1967-1968), pp. 185-213;J. P. A. Gruijters, Daarom D’66, Amsterdam, 1967. Voor een ouder voorstel in dezelfde richting, zie: J. F. Glastra van Loon, Een proeve van weinig zeggen, in: Acta Politica, 2 (1966-1967), pp. 128-135 en J. F. Glastra van Loon, Kiezen of delen, in: Nederlands Juristenblad, 39 (1964), pp. 1133-1142, pp. 1161-1167. 

Na de verkiezingen van 1967, waarbij de nieuwe partij D’66 een grote verkiezingswinst boekte, stelde het kabinet-De Jong een Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet in (de commissie-Cals/Donner). Deze commissie verwierp met overgrote meerderheid de gedachte van een gekozen minister-president maar beval, met de kleinst mogelijke meerderheid, wèl aan te komen tot een gekozen kabinetsformateur: „Bij de verkiezing van de Tweede Kamer wordt tevens gestemd, volgens regels bij de wet te stellen, over de vraag wie zal worden belast met de leiding van het te vormen kabinet. Behaalt een der gestelde kandidaten bij deze verkiezing van de Tweede Kamer de volstrekte meerderheid van de daarbij uitgebrachte stemmen, dan wordt hij door de Koning belast met de vorming van een kabinet, waarvan hij de leiding heeft.” (Tweede rapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet, ’s-Gravenhage, 1969, p. 191 (voor de behandeling van deze voorstellen, zie pp. 170-191)).

Toen bleek dat het kabinet-De Jong dit voorstel niet overnam, dienden de Tweede-Kamerleden E. van Thijn, A. Goudsmit en J. M. Aarden een eigen initiatiefvoorstel tot grondwetsherziening in voor de invoering van een direct gekozen kabinetsformateur, gekoppeld aan een beperkt districtenstelsel. Zie: Bijlage 10.993, Handelingen Tweede Kamer, 1970-1971.

Dit voorstel werd ingetrokken nadat duidelijk was geworden dat er onvoldoende steun voor aanwezig was in de Tweede Kamer. In plaats daarvan aanvaardde de Kamer een motie-Kolfschoten, waarin werd voorgesteld dat de Tweede Kamer na de verkiezingen van 28 april 1971 een voordracht aan de Koning zou doen voor de benoeming van een kabinetsformateur, die in beginsel de leiding van het door hem te formeren kabinet op zich zou nemen (zie: Handelingen Tweede Kamer, zitting 1970-1971, pp. 2801-2819, 2822-2844, 2886- 2907 en 2909-2943).

Het idee de kabinetsformateur door de Tweede Kamer te laten aanwijzen, was eerder bepleit door dr. A. Vondeling (A. Vondeling, Nasmaak en voorproef, Amsterdam, 1968, 4e druk, pp. 212-213). Een debat over een dergelijke voordracht vond op 12 mei 1971 plaats; een voorstel om de fractieleider van de PvdA, drs. J. M. den Uyl, als kandidaat-formateur bij de Koningin voor te dragen behaalde echter geen meerderheid.

In deze tijd deed A. K. Koekkoek het voorstel de minister-president te laten aanwijzen door de Tweede Kamer, zie: A. K. Koekkoek, De aanbeveling van een kabinetsformateur door de Tweede Kamer, in: Nederlands Juristenblad, 46 (197 l), pp. 109-12 1.

Een nieuwe poging van het kabinet-Den Uyl tot invoering van een gekozen kabinetsformateur werd in 1975 door de Kamer afgewezen, zie:

  • Handelingen Tweede Kamer, zitting 1974-1975, pp. 2275-2326, 2332-2351, 2382-2443 en 2447-2449
  • Bijlage 12.944, Handelingen Tweede Kamer, 1974-1975, Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid, nr. 2 en 3.

Het duurde tot begin jaren negentig voor de discussie over o.a. het al dan niet rechtstreeks kiezen van de minister-president weer op gang kwam. Zie de volgende rapporten over respectievelijk de voorstellen van de commissie-Deetman, de commissie-De Koning en de commissie-Scheltema:

  • Bijlage 21427, nrs. 40-41, Handelingen Tweede Kamer, 1992-1993
  • Bijlage 21.427, nrs. 36-37, Handelingen Tweede Kamer, 1992-1993
  • Bijlage 21.427, nr. 3, Handelingen Tweede Kamer, 1990-1991.

Zie ook: J.P. Rehwinkel, “De minister-president en de commissie-Deetman”, in: De positie van de minister-president, Publikaties van de Staatsrechtkring nr 8, Zwolle, 1994.

In het hoofdlijnenakkoord van het kabinet-Balkenende II werd de volgende passage opgenomen: “De minister-president zal leiding geven aan een regiegroep uit het kabinet, die een grondig en gericht onderzoek zal instellen naar de verschillende modaliteiten van de versterking van de positie van de minister-president, diens bevoegdheden en diens democratische legitimatie, waaronder de argumenten voor en tegen diens rechtstreekse verkiezing. Het kabinet doet daarna zo spoedig mogelijk beargumenteerd verslag van zijn bevindingen aan de Staten-Generaal, waar mogelijk vergezeld van concrete voorstellen.” In het kader van dat onderzoek gaf het Ministerie van Binnenlandse Zaken de Universiteit Maastricht opdracht een kleinschalig onderzoek te doen naar de positie van de minister-president in een aantal landen, t.w.: Duitsland, België, Denemarken, Finland, Ierland, Slovenië en Israël, zie:  J.L.W. Broeksteeg, E.T.C. Knippenberg, L.F.M. Verhey, De minister-president in vergelijkend perspectief, Den Haag, 2004.

Bovengenoemd onderzoek leidde tot nog een aantal publicaties:

  • De werking van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en rechtstreeks gekozen ambtsdragers in Duitsland: een deelonderzoek in aanvulling op het rechtsvergelijkende onderzoek uit 2004
  • Omtrent de minister-president: een bundeling van een drietal historische onderzoeken, te weten Leider in nood?, De traditie van de minister-president; de bestuurlijke en politieke premier in Nederland en In afwachting van de première. Daarin is ook een beknopt verslag van een discussie over het onderwerp opgenomen
  • Over de versterking van de positie van de minister-president. Drie opstellen en het verslag van een colloquium, Nijmegen, 2005. Dit werk bevat de volgende bijdragen:
    • Mr. D.J. Eppink, Minder minister, meer president
    • Mr. R.J. Hoekstra, De minister-president en de coalitie
    • Prof. Mr. P.P.T. Bovend’Eert, De minister-president: een regeringsleider zonder bevoegdheden
  • J.L.W. Broeksteeg en L.F.M. Verhey, Een versterking van de minister-president?, Deventer, 2005. Daarin is onder ander opgenomen: H.R.B.M. Kummeling, De rechtstreeks gekozen minister-president. 

Een aantal politieke partijen heeft in 2004 een standpunt ingenomen over de gekozen premier. Op een partijcongres bepleitte de VVD een sterkere positie van de minister-president en zijn rechtstreekse verkiezing. In het rapport De leidende burger, opgesteld door een commissie over bestuurlijke vernieuwing van de PvdA, wordt de gekozen premier afgewezen, maar wordt een pleidooi gehouden voor een grotere rol van de kiezer bij het aanwijzen van de formateur.

Scroll naar top