Verzuiling

De voorgaande paragrafen volgden de gebruikelijke indeling van politieke partijen per politieke stroming. De indeling correspondeert met de scheidslijnen die de Nederlandse samenleving lange tijd in vier blokken of „zuilen” verdeelde. Deze periode van de verzuiling laat men doorgaans aanvangen in 1917, toen met de grondwetswijziging de kwesties van het lager onderwijs en het kiesrecht werden opgelost en tevens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging werd ingevoerd.

Na een aanloopperiode vanaf het laatste kwart van de vorige eeuw vond het verzuilde stelsel na 1917 zijn definitieve vorm. Vier zuilen bestonden naast elkaar: de socialistische, de liberale, de katholieke en de protestantse zuilen. Alleen aan de top van deze zuilen vond samenwerking plaats. Hierdoor vertoonde het Nederlandse politieke bestel een stabiel beeld, ondanks de verdeeldheid van de samenleving in strikt van elkaar gescheiden minderheden. De in 1940 opgerichte politieke beweging De Nederlandse Unie wordt ook wel gezien als een eerste poging om aan de politieke verdeeldheid een eind te maken. Direct na de Tweede Wereldoorlog heeft men geprobeerd dit stelsel te doorbreken. De PvdA was het resultaat van deze „doorbraak”-poging (zie paragraaf 2.4). Maar pas in de jaren zestig begon het verzuilde stelsel echt te desintegreren (de zogenaamde „ontzuiling”). De ontkerkelijking, de groei naar de welvaartsstaat en de opkomst van het medium televisie worden hiervoor meestal als de belangrijkste oorzaken aangegeven. Van volledige ontzuiling is echter geen sprake; nog steeds speelt op velerlei beleidsterreinen de verzuilde achtergrond een zekere rol. Maar op partijpolitiek terrein heeft de „ontzuiling” een belangrijk gevolg gehad: de fusie van partijen uit twee verschillende zuilen in het ene CDA.

Buiten de gevestigde zuilen om hebben in de loop der tijd verschillende politieke partijen met wisselend succes een poging gedaan zetels te verwerven in de Tweede Kamer. We noemen hierna slechts enkele. De partij D66, die zich na het ontstaan van het CDA tot „vierde stroming” heeft willen ontwikkelen, was er hier één van. Om inhoudelijke redenen is zij reeds onder paragraaf 2.1 opgenomen. Op lagere niveaus, bijvoorbeeld bij de gemeenteraden, heeft het verschijnsel van niet-verzuilde partijen zich overigens veel vaker voorgedaan.

Zie voor een uitgebreid overzicht van de verzuilingsproblematiek hoofdstuk B1000. Hier noemen we slechts enkele werken:

  • A. Lijphart, „From the Politics of Accomodation to Adversarial Politics in the Netherlands. A Reassessment”, in: West European Politics, 17 (1992), pp. 139-153
  • M.P.C.M. van Schendelen (red.), Consociationalism, pillarization and conflict-management in the Low Countries, in: Acra Politica, 19 (1984), januari. Bevat systematische bibliografie over verzuiling
  • S. Stuurman, Verzuiling, kapitalisme en patriarchaat, Nijmegen, 1983
  • H. Daalder, Politisering en lijdelijkheid in de Nederlandse politiek, Assen, 1974
  • A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, Amsterdam, 1979, derde druk (eerste druk: 1968).

Zie over de Nederlandse Unie: W. ten Have, De Nederlandse Unie. Aanpassing, vernieuwing en confrontatie in bezettingstijd 1940-1941, Amsterdam, 1991. 

Scroll naar boven