Inhoud

Verschillen tussen typen verkiezingen

In deze derde fase is de Nederlandse burger ook geconfronteerd met nieuwe kiesprocedures. Dat betrof sinds 1979 de samenstelling van het Europese parlement, en op plaatselijk niveau sedert 1990 het toenemend gebruik van referenda over beleidskwesties. In 2002 werden voor het eerst consultatieve referenda gehouden in het kader van de burgemeestersbenoemingen in Vlaardingen en Best. In Amsterdam worden vanaf de jaren tachtig naast de gemeenteraad deelraden gekozen.

Ten tijde van de verzuiling waren er minder verkiezingen en de drie politieke, gekozen vertegenwoordigingen waren op enkele uitzonderingen na in hoge mate met elkaar verbonden. De aangeboden alternatieven (kieslijsten) waren dezelfde, men volgde gelijke voorkeuren, de opkomst was in alle gevallen verplicht. Bijgevolg liepen de resultaten nauwelijks uiteen. Het hoogste niveau dat aan de orde was, was het nationale niveau. Op dat niveau werd de voornaamste voorkeur vastgelegd.

Het einde van de verzuiling, het beëindigen van de opkomstplicht, en de toename van het aantal kiesprocedures zorgen voor een nieuwe situatie. Er bestaan twee perspectieven om de gevolgen te interpreteren. In het eerste perspectief blijft de nationale verkiezing verreweg het belangrijkst. De overige gelegenheden om een stem uit te brengen zijn van lagere orde. De kiezer neemt daartegenover een andere houding in, want de vermoede consequenties van zijn stemgedrag zijn anders. Hij behoeft zich geen zorgen te maken over gevolgen voor de manier waarop hij vanwege de uitslag in feite geregeerd zal worden. Hij kan zijn stem nu ongebruikt laten, omdat zij toch geen gevolgen heeft of haar aanwenden om een signaal naar de machthebbers af te geven (bijv. een meer extreme partij steunen dan hij anders zou doen). In het andere perspectief worden politieke arena’s meer onafhankelijk van elkaar. De aangeboden alternatieven in elk daarvan gaan meer verschillen. De kiezer bepaalt op grond van de merites binnen elke politieke arena per keer zijn voorkeur. In de feitelijke ontwikkeling binnen de verschillende politieke arena’s en in de patronen van uitgebrachte stemmen zijn trekken van beide perspectieven te herkennen. Zij komen in hun gevolgen overeen in zoverre de uitslagen per type verkiezing in beide van elkaar verschillen. Maar de verwachtingen over de ontwikkeling van die verschillen in de tijd lopen mogelijk uiteen. De wijzigingen in de percepties van de rangorde van verkiezingen en de veranderende verschillen tussen de diverse arena’s hebben ieder hun eigen dynamiek.

In het aanbod van keuzen bij lokale verkiezingen trad in de derde fase een reeks belangrijke veranderingen op. De teloorgang van de KVP in het Zuiden bij nationale verkiezingen leidde tot het complementaire verval van de onomstreden dominantie van lokale lijsten bij gemeenteraadsverkiezingen in vele zuidelijke gemeenten. De verschillende nationale lijsten deden hun intrede waar ze tot dan toe zwak vertegenwoordigd waren geweest in de gemeenteraden. Bij de verkiezingen voor de gemeenteraden in de jaren negentig namen de grote landelijke partijen vrijwel overal deel.

In de loop van de jaren negentig kwam nog een andere ontwikkeling op gang. Er was op veel plaatsen een toename van lokaal gebonden lijsten van verschillende soort waar te nemen, ook in gemeenten waar voordien de nationale partijen het op het lokale niveau voor het zeggen hadden gehad. Voormalige actiegroepen, belangenbehartigers (bijv. voor bepaalde kernen in meerkernige gemeenten) en nieuwe politieke amateurs deden hun intrede in die plaatselijke arena’s. In het algemeen werd het aanbod aan de kiezer in lokale verkiezingen heterogener van aard. Ook het aantal lijsten nam toe. In minder gevallen kon een enkele lijst aanspraak maken op de absolute meerderheid in de raad. Er was echter nog steeds sprake van concentratie van aanhang voor lokale lijsten in Noord-Brabant en Limburg. In 1994 ging daar 33,4% van de stemmen naar lokale lijsten tegen 11,4% in de rest van het land. In 1974 bedroegen die percentages 58,9, resp. 8,3%.

De strijd om de gemeenteraadszetels verhevigde vanwege de algemene presentie van nationale lijsten (bij de kleinere waar nodig in combinatie) en de toename van lokaal geïnitieerde lijsten (aan de opkomst was dit echter niet te merken). De verschillen tussen gemeenten namen in dit opzicht af. Maar de verschillen tussen typen verkiezingen namen daarmee toe op grond van veranderingsprocessen, die specifiek zijn voor een bepaalde politieke arena en niet voor andere. De poging van Leefbaar Nederland in 2002 om op basis van een aantal lokale lijsten de betreffende aanhang voor een nieuwe partij te mobiliseren in Tweede-Kamerverkiezingen mislukte grotendeels. Wel waren Leefbaarlijsten in de lokale verkiezingen heel succesvol. Zij kregen ongeveer de helft van de 26% stemmen die in het hele land op lokale lijsten werden uitgebracht. Het ziet ernaaruit dat na 1994 het verschil tussen Noord-Brabant en Limburg enerzijds en de rest van het land anderzijds verder is teruggelopen.

Van nog een geheel andere wijziging in de lokale politieke arena ten opzichte van de andere is sprake door het verlenen van kiesrecht aan allochtonen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. Dit deed zich voor sedert de helft van de jaren tachtig, maar het is de vraag hoe dit verschil zich verder heeft ontwikkeld in het licht van immigratie en verwerving van het Nederlanderschap. De wijze waarop van het stemrecht door allochtonen in het algemeen gebruik is gemaakt in gemeenteraadsverkiezingen heeft de nodige aandacht gekregen. Veelal vindt de analyse plaats op basis van exit polls, korte vraaggesprekken bij de uitgang van het stemlokaal.

Er is eveneens grond voor de gedachte dat de uitslagen van andere dan nationale verkiezingen met name een signaalfunctie hebben ter beïnvloeding van die nationale verkiezingen en daarom een tweede orde karakter hebben. Dit zou eveneens het stemgedrag beïnvloeden in de zin van differentiatie tussen verkiezingen. Een signaal heeft alleen zin als het tijdig aankomt. Daarom zou ook de volgorde hier van belang kunnen zijn. In 1994 was sprake van kort op elkaar volgende verkiezingen voor gemeenteraden, Tweede Kamer en Europees Parlement. Gesuggereerd is dat proteststemmen hier met name bij de gemeenteraadsverkiezingen zijn afgegeven vanwege de kort daarop volgende Tweede-Kamerverkiezingen. Bij de daarop volgende Europese Parlementsverkiezingen hadden die geen functie en zij werden ook inderdaad veel minder uitgebracht. Een en ander is nagegaan voor de gemeenten waar de als protestpartijen aangewezen CD en SP aan alle drie verkiezingen deelnamen. Dit laat uiteraard onverlet dat het totale aanhangpatroon van beide partijen in deze verkiezingen nog sterk of zwak kan verschillen al naar gelang de variatie in steun in andere gemeenten. Wat dat betreft verschilden SP en CP aanzienlijk. De overeenkomsten in het SP patroon voor de drie verkiezingen waren veel groter dan die van de CP.

Sedert 1979 zijn een maal per vijf jaar verkiezingen gehouden voor het Europese Parlement. Tot dat moment was het Europese Parlement als een van de Europese instellingen samengesteld uit afgevaardigden van de nationale parlementen van de lidstaten. Het Europese Parlement verwierf in de loop van de tijd nieuwe bevoegdheden, er kwam enige eigen Europese partijvorming op gang, en het Parlement liet zo nu en dan een krachtiger eigen geluid horen in het samenspel met de andere Europese instellingen.

In de verhouding tot het electoraat wist het Parlement echter zijn legitimiteit klaarblijkelijk niet te vergroten. De opkomst bij verkiezingen, die om te beginnen al niet hoog was, nam geleidelijk af tot 1994 en was opnieuw aanzienlijk lager in 1999. Dit gold ook in Nederland. De opkomst per land hing in 1999 samen met de sterkte van de Europese identiteit, maar lang niet in die mate dat van een afdoende verklaring van opkomst door identiteit sprake is. In Nederland was in 1999 sprake van een betrekkelijk sterke Europese identiteit maar van een lage opkomst. De hoogte van de opkomst hangt behalve met institutionele factoren (zoals een recente traditie van opkomstplicht) mogelijk ook nog samen met verschillen tussen katholiek (supranationaal) en protestants Europa. Op deze manier komt de “conceptuele kaart” die Stein Rokkan in de jaren zeventig tekende ter duiding van de achtergrond van de verschillende partijstelsels in West-Europa opnieuw van pas. Ook daarin speelde het onderscheid tussen de klassieke religieuze zones in West-Europa een hoofdrol.

Bij de interpretatie van de eerste uitslagen van de Europese verkiezingen is het begrip “second-order election” geïntroduceerd. Na die van 1999 is het nut van de duiding van deze verkiezingen als tweede orde verkiezingen wel ter discussie gesteld. Opposanten menen dat in de Europese arena van een eigen dynamiek sprake is in partijvorming en in kwesties die het electoraat verdelen (bijvoorbeeld de respectieve voorkeuren voor verdere Europese integratie). Men kan in deze zienswijze niet volstaan met de interpretatie van de uitslagen als een afgeleide van wat zich op nationaal vlak voordoet. Uiteraard is dit het equivalent van de discussie waarbij het al dan niet bestaande of veranderende onderscheid tussen lokale en nationale arena’s aan de orde is. Het is wenselijk dat verschillende verkiezingen in onderlinge samenhang worden bekeken om deze belangrijke kwestie verder tot een oplossing te brengen. Er is nu een neiging dat onderzoekers zich specialiseren op verkiezingen van een bepaald niveau.

Tekent zich in Europa bij Europese verkiezingen nu ook een kaart van voorkeuren af die meer is dan de optelsom van nationale voorkeuren? Dit is nog niet eenvoudig vast te stellen. In een poging de Europese kaart te tekenen naar aanleiding van de verkiezingen van 1999 (de voortzetting van een eerste poging uit 1984) bleken een aantal lastige beslissingen onontkoombaar. Bij de samenstelling van de “politieke families” meenden de onderzoekers niet alleen af te kunnen gaan op de samenwerking tussen afgevaardigden in het Europese parlement (die in sommige gevallen een puur technisch karakter heeft en die soms nog weinig stabiliteit vertoont), maar daar tevens een eigen lezing van de diverse historische achtergronden en programmatische grondslag aan te moeten toevoegen. Het resultaat behelst drie grote families (links, rechts en extreem rechts) met accenten daarbinnen: negen groeperingen in totaal.

Nederland ligt als onderdeel van de klassieke Europese stedelijke ruggegraat in de rechtse zône (deze ruggegraat speelde eveneens een rol in Rokkans werk ter verklaring van het Europese proces van staatsvorming; meer recent werd zij door de Franse geograaf Brunet herdoopt tot de “blauwe banaan”). Van een uitgesproken rechtse (hier niet bedoeld als een extreemrechtse) signatuur zoals elders in deze zone is echter in Nederland geen sprake. De basis voor linkse politieke families is intussen altijd vrij zwak geweest. Binnen het linkse kamp zijn de “ecologisten” betrekkelijk sterk zoals overal in de meer welvarende stedelijke en suburbane milieus.

Zie verder over lokale verkiezingen en referenda:

  • J.N. Tillie, M. Fennema, A. Van Heelsum, De etnische stem: opkomst en stemgedrag van migranten tijdens gemeenteraadsverkiezingen 1986-1998, Utrecht, 2000
  • J. Slot, Opkomst en stemgedrag, in: P.C. Neijens en P. Van Praag (red.), De slag om IJburg. Strategieen en effecten van de referendumcampagnes, Amsterdam, 1999
  • P. Depla en P.W. Tops, De lokale component bij raadsverkiezingen. De invloed van de gemeentegrootte, in: S.A.H. Denters en P.A.Th.M. Geurts (red.), Lokale democratie in Nederland. Burgers en hun gemeentebestuur, Bussum, 1998, pp. 141-157
  • J.J.M. van Holsteyn, National debates and local experience, in: M. Gallagher en P. Velleri (red.), The referendum experience in Europe, Londen, 1996, pp. 126-138
  • A. Korsten en J. Janssen, Gemeenteraden kiezen, Delft, 1995
  • S. van Velzen en L. Hospers, Referendum. Over of voor de binnenstad, in: Ph. Van Praag (red.) Een stem verder. Het referendum in de lokale politiek, Amsterdam, 1993, pp. 173-198
  • M.F.J. van Tilburg, Lokaal of nationaal? Het lokale karakter van de gemeenteraadsverkiezingen in Nederlandse gemeenten 1974-1990, Den Haag, 1993
  • P. Pennings, Migrantenkiesrecht in Amsterdam. Een onderzoek naar de participatie en mobilisatie van etnische groepen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 1986, Amsterdam, 1987
  • K.L.L.M. Dittrich, Partijpolitieke verhoudingen in Nederlandse gemeenten. Een analyse van de gemeenteraadsverkiezingen 1962-1974, Leiden, 1978. 

Zie verder naar aanleiding van Europese verkiezingen:

  • C. Van der Motten en P.M. Lockhart, Géographie électorale de l’Europe, in: G. Grunberg, P. Perrineau en C. Ysmal (red.), Le vote des quinze. Les élections européennes du 13 juin 1999. Chroniques électorales Paris 2000, pp. 245-294 (eveneens de bijdragen van A.P. Frognier en Chr. Lord)
  • E. Oppenhuis, Voting behavior in Europe. A comparative analysis of electoral participation and party choice, Amsterdam, 1995
  • J. Vanlaer, 200 millions de voix. Une géographie des familles politiques européennes, Société Royale Belge de Géographie, Bruxelles, 1984
  • K. Reif en H. Schmitt, Nine second-order elections, in: European Journal of Political Research, 8 (1980), pp. 3-44. 

Zie over combinatie-effecten van verkiezingen:

  • C. van der Eijk, M. Franklin en M. Marsh, What voters teach us about European-wide elections; what European-wide elections teach us about voters, in: Electoral Studies, 15,2 (1996), pp. 149-166
  • V. Mamadouh, N.P. Passchier en H. van der Wusten, Hetzelfde maar toch verschillend. De verkiezingskaart van Nederland na de “aardverschuiving”, in: Jaarboek Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Groningen, 1995, pp. 149-167
  • C. Van der Eijk, Protest- , strategisch en oprecht stemmen. Observaties naar aanleiding van de verkiezingen in 1994, in: Jaarboek Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Groningen, 1994, pp. 113-122.
Scroll naar top