Inhoud

Onderzoek

Waarden en normen zijn afleidbaar uit verbale uitingen en uit het gedrag van personen, groepen of instellingen. Zij kunnen op veel manieren worden achterhaald. Twee benaderingen overheersen, namelijk de inhoudsanalyse van documenten en het vraaggesprek ten dienste van een steekproefonderzoek, het survey.

De inhoudsanalyse van documenten wordt uitgevoerd met behulp van een computerprogramma of door aandachtig en kritisch lezen, waarna de onderzoeker een min of meer impressionistisch oordeel formuleert. Zie hierover: G. Muskens, Documentenanalyse, Tilburg, 1989 (methodencahier nr. 7).

Onderzoekers hebben op verschillende terreinen de berichtgeving in kranten gedurende een bepaalde periode gevolgd en tellingen uitgevoerd van het aantal malen dat begrippen en oordelen voorkwamen.

Zie voor de werkwijze in het algemeen: J.J. van Cuilenburg en G.W. Noomen, Communicatiewetenschap. Muiderberg 1984.

Zie voor afzonderlijke onderwerpen onder meer:

  • I. Elie (m.m.v. S. Kooiker), Medische onderwerpen in de media en de invloed daarvan op het bezoek aan huisartsen, in: S. Kooiker en M. Mootz: Patiënt en professie, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk-Den Haag, 1996
  • J.M. Gutteling, H. Boer, O. Wiegman en J.F. Caljé, Milieurisico’s in de massamedia, in: C.J.H. Midden en C.C. Bartels, Consument en milieu, Houten-Zaventem, 1994
  • J. Kleinnijenhuis, Op zoek naar nieuws. Onderzoek naar journalistieke informatieverwerking en politiek, Amsterdam, 1990
  • O. Scholten, Krant en democratie. Een studie naar politieke informatie in landelijke dagbladen, Amsterdam, 1982
  • A.W.M. Coenen en J.J.M. van Dijk, Misdaadverslaggeving in Nederland. De ontwikkeling van de misdaadverslaggeving in de Nederlandse dagbladen tussen 1966 en 1974, WODC, Den Haag, 1976.

Oppenhuisen heeft de waarden van de Nederlanders onderzocht door gesprekken te houden over foto’s van situaties uit het dagelijks leven, waarbij vooral werd gevraagd waarom mensen iets deden of wilden, zoals „Waarom nemen mensen kinderen? Waarom willen mensen geen kinderen? Waarom willen mensen een groot gezin?” Afzonderlijke gepreksfragmenten werden teruggebracht tot 160 aanduidingen van waarden. Deze werden langs kwantitatief statistische weg samengevat tot een veel beperkter aantal van hoofdrubrieken. De studie gaat vergezeld van een CD-rom, waarmee de lezer de onderscheiden waarden en hun onderlinge relaties op kan zoeken. De studie werd eerder geciteerd.

Er bestaan vele voorbeelden van de impressionistische inhoudsanalyse. Brinkgreve en Korzec bestudeerden de verandering in waarden omtrent huwelijk en gezin, kinderopvoeding en levensproblemen aan de hand van de adviezen uit de rubriek „Margriet weet raad” voor een reeks van jaren. Zeegers leidde uit contactadvertenties die verschenen tussen 1947 en 1985 af hoe de manier waarop mensen zich presenteren, ofwel hun sociale identiteit, in de loop van de tijd veranderd is. Becker en Nauta gebruikten troonredes uit de periode 1945-1980 om de verandering in de waarden achter het welzijnsbeleid op het spoor te komen. Van der Staay deed hetzelfde voor het beleid ten aanzien van arbeid, waartoe hij zich baseerde op het algemene deel van de memories van toelichting uit de jaren tachtig van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De studie van de troonredes is aangevulde met de periode 1981-1997 in het Sociaal en Cultureel Rapport 1998. De precieze titels luiden:

  • Sociaal en Cultureel Rapport 1998, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk, 1998, pp. 143-151
  • A.J. van der Staay, Welzijnsdenken in het beleid maakt plaats voor zakelijkheid, in: Staatscourant, d.d. 3-10-1990
  • J.W. Becker en A.P.N. Nauta, Enkele gegevens over waarden na 1945, in: J.W. Becker et al., Normen en waarden. Verandering of verschuiving?, Den Haag, 1983
  • W. Zeegers, Andere tijden, andere mensen. De sociale representatie van de identiteit, Amsterdam, 1988
  • C. Brinkgreve en M. Korzec, Margriet weet raad. Gevoel, gedrag, moraal in Nederland 1938-1978, Utrecht-Antwerpen, 1978.

Ten behoeve van surveys bestaan er vragenlijsten die zich direct op waarden richten. Respondenten geven dan te kennen in hoeverre zij belang hechten aan begrippen als „het goede”, „het schone”, „het ware” of aan begrippen als „materiële welvaart” en „een comfortabel leven”. De Rokeach Value Inventory is een bekend voorbeeld van zo’n lijst. Brandsma heeft deze in Nederland toegepast. Zie:

  • P. Brandsma, Het waardepatroon van de Nederlandse bevolking. Een verkenning naar de plaats van de categorie „waarde” in de sociologische theorie en het onderzoek, Groningen, 1977
  • M. Rokeach, The nature of human value, New York, 1973. 

Het eerder geciteerde onderzoek van Oppenhuisen maakt gebruik van de Rokeach Value Inventory. De studie vermeldt verder soortgelijke indelingen van waarden, die bij marktbureaus gangbaar zijn. Aangezien deze informatie commerciëel wordt geëxploiteerd, is zij niet vrij toegankelijk, zodat Oppenhuisen zo ongeveer de enige recente bron is.

In een vragenlijst kan een beperkt aantal enquêtevragen over min of meer actuele zaken als bij uitstek indicatief voor één of meer waarden worden opgevat. Inglehart vroeg respondenten uit vier uitspraken er twee te kiezen die hun voorkeur hadden. Het ging om de „materialistische” uitspraken over orde handhaven in de samenleving en prijsstijgingen beperken en om de „post-materialistische” uitspraken over de noodzaak burgers inspraak te geven bij belangrijke politieke beslissingen en de noodzaak vrijheid van meningsuiting te beperken (zie paragraaf 3.3 voor meer uitleg over deze begrippen). Aan de hand van hun keuze verdeelde Inglehart de respondenten in drie typen: pure materialisten (de twee materialistische items gekozen), pure post-materialisten (de twee post-materialistische items gekozen) en een gemengd type.

Ingleharts onderzoek is longitudinaal. In 1970 en 1971 gebruikte hij de vier uitspraken. In 1973 begon hij een lijst van twaalf uitspraken te gebruiken, die de respondenten moesten rangordenen. Materialistisch waren uitspraken over de wenselijkheid van ordehandhaving, beperking van prijsstijgingen, sterke economische groei, nationale defensie, stabiele economie en bestrijding van misdaad. Als post-materialistisch golden de wenselijkheid van inspraak, vrijheid van meningsuiting, inspraak op het werk, verfraaiing van steden en landschap, een minder onpersoonlijke samenleving en een grotere invloed van ideeën in plaats van geld op de samenleving. Hoewel de naamgeving van de lijst anders doet vermoeden, is gehechtheid aan het materiële in engere zin slechts één aspect van de waardecomplexen die Inglehart onderscheidt.

Hetzelfde meetinstrument is een aantal malen gebruikt in het internationale onderzoek de „Eurobarometer” en het is eveneens door onderzoekers in verschillende landen in hun vragenlijsten opgenomen. Aanvankelijk waren er alleen gegevens bekend voor de zes oorspronkelijke lidstaten van de Europese Gemeenschap, maar aan het eind van de jaren tachtig was de vragenlijst van Inglehart in twintig landen één of meer keren in onderzoek gebruikt. Zie verder:

  • R. Inglehart, Modernization and postmodernization. Cultural, economic and political change in 43 societies, Princeton, 1997
  • E. Scarbrough, Materialist-postmaterialist value orientations, in: J.W. van Deth en E. Scarbrough, The impact of values. Beliefs in government volume four, Oxford, 1995
  • P.R. Abrahamson en R. Inglehart, Value change in global perspective, Ann Arbor, 1995
  • R. Inglehart, Cultureshift in advanced industrial society, Princeton, 1990
  • R. Inglehart, The silent revolution. Changing values and political styles among western publics, Princeton, 1977. 

Een onderzoeker kan ten slotte waarden vaststellen aan de hand van een uitgebreid opinieonderzoek dat vele terreinen bestrijkt. In dat geval worden afzonderlijke meningen samengevat tot meer abstracte complexen of waarden. Meningen over de vraag of de overheid meer of minder moet uitgeven aan bepaalde voorzieningen worden met behulp van schaalanalyse samengevat tot de houding ten aanzien van overheidsuitgaven. Deze houding wordt dan weer met andere houdingen jegens de overheid gecombineerd en – vaak met behulp van factoranalyse – samengevat tot de waarde „een sterke overheid” die men in meer of in mindere mate aan kan hangen.

Het werk van Middendorp is een voorbeeld van een werkwijze die waarden vaststelt door losse meningen statistisch te aggregeren, zie:

  • C.P. Middendorp, Ideology in Dutch politics. The democratic system reconsidered 1970-1985, Assen-Maastricht, 1991
  • C.P. Middendorp, Ontzuiling, politisering en restauratie in Nederland. Progressiviteit en conservatisme in de jaren zestig en zeventig, Meppel-Amsterdam, 1978
  • C.P. Middendorp, Progressiveness and Conservatism. The fundamental dimensions of ideological controversy and their relationship to social class, Amsterdam, 1976. 

Over het werk van Middendorp verscheen: H. de Witte en P. Scheepers (red.), Ideology in the low countries. Trends, models and lacunae, Assen, 1999.

Het tweejaarlijks Sociaal en Cultureel Rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau bevat sinds 1976 een hoofdstuk over culturele veranderingen in Nederland dat onderzoeksresultaten voor een groot aantal meningen over vele onderwerpen bevat. De gegevens zijn gepresenteerd als tijdreeksen, zodat de lezer kan zien hoe een mening veranderd is. Het onderzoek overlapt ten dele dat van Middendorp. De statistische bewerkingen gaan echter minder ver dan bij de laatstgenoemde het geval is, zodat dit onderdeel van het Sociaal en Cultureel Rapport door zijn specificiteit en concreetheid dicht bij de belangstelling van een algemeen publiek blijft. Zie: Sociaal en Cultureel Rapport 1976 en volgende jaren, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk 1976 en volgende jaren (verschijnt om de twee jaar).

Sinds 1998 gaat het Sociaal en Cultureel Rapport vergezeld van korte, gepopulariseerde overzichten. Zie:

  • W. Uitterhoeve (red.), Nederland en de anderen. Europese vergelijkingen uit het Sociaal en Cultureel Rapport 2000 met een epiloog van Paul Schabel, Nijmegen, 2000
  • C. van Praag en W. Uitterhoeve, Een kwart eeuw sociale verandering in Nederland. De kerngegevens uit het Sociaal en Cultureel Rapport, Nijmegen, 1999. 

Onderzoek naar meningen wint aan belang als het wordt herhaald. Het wordt dan mogelijk de oordelen van het publiek te vergelijken met die op een eerder moment en het wordt mogelijk verandering vast te stellen. De letterlijke herhaling van enquêtevragen is de belangrijkste voorwaarde om zulke conclusies mogelijk te maken. De verschillende formulering van een enquêtevraag over hetzelfde onderwerp veroorzaakt namelijk een verschil in beantwoording. Kleine afwijkingen in de vraagstelling kunnen al ingrijpende gevolgen hebben. De antwoordcategorie „geen oordeel” trekt bijvoorbeeld veel meer respondenten aan dan de antwoordcategorie „weet niet”. Als een onderzoeker bij herhaald onderzoek tussentijds „weet niet” in „geen oordeel” verandert of omgekeerd, weet hij niet of een verschil in beantwoording tussen twee jaren van onderzoek het gevolg is van een echte meningsverandering of van zijn ingrijpen.

Als onderzoekers met herhaald of longitudinaal onderzoek beginnen, kunnen zij vragen uit reeds uitgevoerd onderzoek overnemen. Als de eerdere resultaten nog bekend zijn, beschikken zij na hun eerste onderzoek reeds over de mogelijkheid verandering vast te stellen. Zij moeten er dan wel genoegen mee nemen dat een bestaande vraag minder gelukkig geformuleerd kan zijn. Zelf kunnen zij immers niets meer aan de vraagstelling veranderen.

Het project Culturele veranderingen in Nederland van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het onderzoek van Middendorp bevatten voor een groot deel enquêtevragen die eerder werden gebruikt. Deze zijn afkomstig van onderzoek dat is opgeslagen in de databank van het Steinmetz Archief, een afdeling van het Sociaal wetenschappelijk informatie en documentatie centrum (SWIDOC) van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) in Amsterdam.

Het is de bedoeling dat resultaten van en bijzonderheden over Nederlands sociaal-wetenschappelijk onderzoek in het Archief worden opgeslagen. Het Archief stelt de resultaten dan weer tegen een geringe vergoeding als computerbestand beschikbaar aan geïnteresseerden. Ook op het gebied van waarden en normen is onderzoek gearchiveerd.

Het Steinmetz Archief publiceert een catalogus: Steinmetz Archive (SWIDOC), Catalogue and guide, Amsterdam, 1993-1996.

De up-date van deze catalogus is uitsluitend via het internet op te vragen (www.niwi.knaw.nl/nl/dd_stat/dd_stat.htm).

Het NIPO verzorgt persberichten over de resultaten van enquêtevragen die dit instituut op eigen initiatief in zijn omnibus-onderzoek opneemt. De resultaten worden opgenomen in het Steinmetz Archief. Zij hebben menigmaal belang voor het terrein van normen en waarden. Incidenteel worden vragen herhaald. Ter gelegenheid van zijn 50-jarig bestaan verzorgde het NIPO een bundel met tijdreeksen. Een eerdere bundel verscheen in 1970, zie: NIPO, Typisch Nederland(s). Vijftig jaar opmerkelijke opinies, Amsterdam, 1995.

Het Instituut voor Toegepaste Sociale wetenschappen (ITS) verzorgde in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek een bundel met uiteenlopende statistische gegevens die goed als achtergrond bij de studie van normen en waarden in Nederland te gebruiken zijn. De reeks wordt niet voortgezet. Zie: M. Metze, De staat van Nederland. Op weg naar 2000, Nijmegen, 1996.

Gadourek voerde een van de eerste survey-onderzoeken in Nederland uit, namelijk „Riskante gewoonten”. Hij combineerde vragen uit dit onderzoek met nieuwe en hield in 1974 een peiling die hij in 1976 herhaalde. Dit project vormde de basis voor een aantal publicaties, waaronder:

  • I. Gadourek, On the variability of social life. A few empirical studies, Groningen, 1998
  • I. Gadourek, Social change as redefinition of roles. A study of structural and causal relationships in the Netherlands of the „Seventies”, Assen, 1982
  • H.R. Knol, Dominante houdingspatronen in een pluriforme samenleving. Een landelijk empirisch onderzoek naar attitude configuraties, Groningen, 1980. 

Het project Secularisering en ontzuiling in Nederland (SOCON) van de Katholieke Universiteit van Nijmegen en de Katholieke Universiteit Brabant richt zich op verandering in de levensbeschouwing van de Nederlanders. Er wordt voornamelijk gebruikgemaakt van enquêtevragen die speciaal voor dit onderzoek zijn opgesteld. De eerste peiling vond plaats in 1979. Het onderzoek is sindsdien herhaald in 1985 en in 1990-1991. Er zijn tabellenboeken van de onderzoeken beschikbaar. De studie De cultuur van de verzorgingsstaat is het meest recente overzicht van de resultaten. Zie:

  • P. Ester en L. Halman (red.), De cultuur van de verzorgingsstaat. Een sociologisch onderzoek naar waardenoriëntaties in Nederland, Tilburg, 1994
  • R. Eisinga, A. Felling, J. Peters, P. Scheepers en O. Schreuder, Religion in Dutch society 90, Steinmetz Archief, Amsterdam, 1992
  • A. Felling, J. Peters en O. Schreuder, Dutch religion. The religious consciousness of the Netherlands after the cultural revolution, Instituut voor Toegepaste Sociologie Nijmegen, 1991
  • A. Felling, J. Peters en O. Schreuder, Geloven en leven. Een nationaal onderzoek naar de invloed van religieuze overtuigingen, Zeist, 1986
  • A. Felling, J. Peters en O. Schreuder, Religion in Dutch society 85. Documentation of a national survey on religious and secular attitudes in 1985, Steinmetz Archief, Amsterdam, 1985
  • A. Felling, J. Peters en O. Schreuder, Burgerlijk en onburgerlijk Nederland. Een nationaal onderzoek naar waardenoriëntaties op de drempel van de jaren tachtig, Deventer, 1983
  • A. Felling, J. Peters en O. Schreuder, Gebroken identiteit. Een studie over christelijk en onchristelijk Nederland, in: Archief voor de geschiedenis van kerkelijk Nederland, Nijmegen, 1982
  • A. Felling, J. Peters en O. Schreuder, Religion in Dutch society. Documentation of a national survey on religious and secular attitudes in 1979, Steinmetz Archief, Amsterdam, 1979. 

Het project European values systems study group (EVS) is internationaal en wordt voor Nederland beheerd door de Katholieke Universiteit van Tilburg. De eerste onderzoeken werden in verschillende landen gehouden tussen 1981 en 1984. Deze onderzoeken zijn inmiddels in 1990 herhaald. Het zogenaamde World Values Survey is nauw aan het EVS-project gerelateerd en wordt uitgevoerd door GALLUP, Londen. Een volledig overzicht van de belangrijkste gegevens is nog niet gepubliceerd. Zie:

  • P. Ester, L. Halman en R. de Moor, The individualizing society. Value change in Europe and North America, Tilburg, 1993
  • J. Kerkhofs et al., De versnelde ommekeer, Tielt, 1992
  • S. Ashford en N. Timms, What Europe thinks. A study of Western European Values, Aldershot, 1992
  • L. Halman, Waarden in de westerse wereld, Tilburg, 1991
  • L. Halman et al., Traditie, secularisering en individualisering, Tilburg, 1987
  • S. Harding en D. Phillips met M. Fogarty, Contrasting values in western Europe. Unity, diversity and change, Londen, 1986. 

Van het World Value Survey, gehouden aan het begin van de jaren negentig, bestaat een uitgebreid tabellenboek. Zie: R. Inglehart, M. Basañez en A. Moreno, Human values and beliefs. A sourcebook. Political, religious and economic norms in 43 societies. Findings from the 1990-1993 World Values Survey, Ann Arbor, 1998.

De projecten SOCON en EVS zijn recent samengegaan met als aanduiding SON.

Het International Social Survey Programme (ISSP) is eveneens internationaal. Onderzoeksinstituten uit een aantal landen, waaronder de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Duitsland en Nederland, houden jaarlijks een korte enquête over een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld de rol van de overheid, sociale ongelijkheid, sociale netwerken, vrouwen en betaald werk, enzovoort. Op den duur zal elk onderzoek worden herhaald. Voor Nederland wordt het project beheerd door het Sociaal en Cultureel Planbureau. Voor informatie over de samengestelde datasets kan men zich wenden tot het Zentralarchiv für empirische Socialforschung, Universität zu Köln. Er is een website beschikbaar (www.gesis.org), daar is naast andere bijzonderheden een bibliografie te vinden. Handzame overzichten van resultaten zijn te vinden in de reeks rapporten van het bureau Social and Community Planning Research (SCPR): British and European social attitudes 1999, Aldershot etc., (en eerdere jaren).

Zie verder: N. Tós, P.Ph. Mohler en B. Malnar (red.), Modern society and values. A comparative analysis based on the ISSP Project, Ljubeljana/Mannheim, 1999.

De Europese Commissie organiseert een opinieonderzoek in de landen van de gemeenschap. De vragen zijn voor de verschillende landen vergelijkbaar. Een aantal vragen, onder meer die over tevredenheid met het leven, het oordeel over de democratie, het oordeel over de samenleving en het oordeel over een Verenigd Europa, worden sinds 1974 gebruikt. Er verschijnen tweemaal per jaar rapporten waarin behalve over een vaste kern van vragen over wisselende onderwerpen wordt gerapporteerd. Er is een website beschikbaar (http://www.europa.eu.int/comm/dg10/epo/).

Hoe komt het dat er in een bevolking andere meningen opgeld gaan doen? In het Sociaal en Cultureel Rapport 1994 werd aandacht geschonken aan de mogelijke verklaring van veranderingen in waarden en opvattingen. De volgende verklaringen vinden aanhang in de literatuur:

  • De diffusietheorie, die over het algemeen wordt toegepast op innovaties, vooral nieuwe technische uitvindingen. Toegepast op het gebied van de meningen zegt deze theorie dat een nieuwe gedachte eerst in een bepaalde geografische locatie of door een bepaalde maatschappelijke categorie wordt aangehangen en zich vervolgens door de hele samenleving verspreidt. Sommige sociale categorieën accepteren de nieuwe opvatting eerder dan andere. Er vallen trendsetters en trendvolgers te onderscheiden. Seksuele permissiviteit bijvoorbeeld, werd aanvankelijk door hoger opgeleiden aangehangen en werd later door lager opgeleiden geaccepteerd. Zij haalden de hoger opgeleiden in. De diffusietheorie brengt deze patronen van verspreiding in kaart, maar geeft meestal geen oorzakelijke verklaring van een verandering
  • Maatschappelijke categorieën verschillen in de mate waarin zij opvattingen onderschrijven. Hun aandeel in de totale bevolking verandert in de loop van de tijd. Er bestaat dan ook een verklaring die met de veranderende samenstelling van de bevolking rekening houdt. De stijging van het gemiddeld opleidingsniveau bijvoorbeeld, zou ervoor kunnen zorgen dat de mening van de bevolking zich steeds meer gaat bewegen in de richting van standpunten die vooral door hoger opgeleiden worden aangehangen. Hun aandeel gaat immers steeds meer overwegen
  • De opeenvolging van generaties, die strikt genomen tot de veranderingen in de bevolkingssamenstelling te rekenen is, zou eveneens verandering in opvattingen teweeg kunnen brengen. Er zou over het algemeen modernisering van meningen optreden, naarmate de jongere generaties de oudere aflossen
  • Veranderingen worden vrij vaak verklaard als een reactie op ontwikkelingen of trends die extern zijn aan het domein van de meningen, maar deze wel beïnvloeden, vooral de ontwikkeling van economische conjunctuur en welvaart. Op een conjuncturele verbetering reageert de bevolking met economisch optimisme en een royalere opvatting over de hoogte van uitkeringen. Op een ander terrein blijkt keer op keer dat een toename van de criminaliteit een roep om strengere straffen veroorzaakt. Een toestroom van buitenlandse migranten gaat samen met een meer negatieve houding jegens deze categorie
  • Opzienbarende en schokkende incidenten hebben hun invloed
  • Het concept van de tijdgeest wordt te hulp geroepen als een verklaring van meningsverandering met de bestaande theorieën onmogelijk is. Het concept verwijst naar de mogelijkheid dat opvattingen zich autonoom wijzigen. Als een verandering eenmaal begonnen is, zou zij zich onder diverse maatschappelijke categorieën op ongeveer dezelfde wijze voordoen. Dit is gebleken bij de toegenomen adhesie voor vrouwenemancipatie. Lager opgeleiden onderschrijven de emancipatie minder dan de hoger opgeleiden. Alle opleidingscategorieën gaan positiever over dit verschijnsel denken, maar de oorspronkelijke verschillen in adhesie blijven gelijk. De ene categorie haalt de andere dus niet in, de oorspronkelijke structuur van de meningsvorming blijft dezelfde.

Hoewel de genoemde verklaringen alle op het oog een hoge mate van plausibiliteit hebben, verschillen zij sterk in de mate waarin zij in de praktijk blijken op te gaan. Zowel uit internationaal onderzoek als uit analyses van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) is gebleken dat van de mogelijke verklaringen vooral die met behulp van externe trends belangrijk is. Verder biedt de opeenvolging van generaties enige verklaring, maar de verandering van de bevolkingssamenstelling gaat als verklaring niet vaak op. De diffusie-benadering is voor meningen evenmin bijzonder succesvol, al blijkt uit een analyse uit het Sociaal en Cultureel Rapport 1996 (hoofdstuk Culturele Veranderingen in Nederland) dat het westen van Nederland lange tijd trendsetter is geweest bij de meningen over huwelijk, gezin en seksualiteit en dat andere landsdelen het westen op den duur hebben ingehaald. De betekenis van autonome verandering – de invloed van de tijdgeest of de tijdsinvloed – moet ten slotte niet worden onderschat. Voor literatuur over verklaringen van veranderende opinies, zie:

  • J.A. Stimson, Public opinion in America. Moods, cycles and swings, Boulder/San Francisco/Oxford, 1991
  • E.M. Rogers, Diffusion of innovations, New York/Londen, 1983 (derde editie)
  • Sociaal en Cultureel Rapport 1978, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk-Den Haag, 1978
  • H.A. Becker, Generaties en hun kansen, Amsterdam, 1992
  • J.W. Becker, „Zijn culturele veranderingen autonoom? Een terugblik op het project Culturele Veranderingen in Nederland”, in: Jaarboek 2000 van de Nederlandse Vereniging voor Marktonderzoek en Informatiemanagement, Haarlem, 2000
  • Sociaal-economische maandstatistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek), Voorburg/Heerlen, diverse jaren
  • Sociaal en Cultureel Rapport 1996, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk-Den Haag, 1996
  • A. van den Broek, Politics and generations. Cohort replacement and generation formation in political culture in the Netherlands, Tilburg, 1996
  • Sociaal en Cultureel Rapport 1994, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk-Den Haag, 1994
  • B.I. Page en R.Y. Shapiro. The rational public. Fifty years of trends in Americans’ policy preferences, Chicago/London, 1992
  • W.G. Mayer, The changing American mind. How and why American public opinion changed between 1960 and 1988, Ann Arbor, 1992. 

De Amerikaanse publicaties zijn in Nederland niet gemakkelijk te vinden. Het Sociaal en Cultureel Rapport 1994, pp. 497-500, biedt een overzicht van de belangrijkste hoofdzaken.

Scroll naar top