Inhoud

Politiek-institutionele dimensie

Deze dimensie is gerelateerd aan de veranderende spelregels rond het elite-gedrag. De oude spelregels van de verzuilde politiek betroffen zakelijke politiek, evenredigheid, topconferenties en dergelijke. Deze veelal informele regels waren afgestemd op het onder controle houden van de tegenstellingen tussen de zuilen. Dit gebeurde meestal dusdanig dat de zuilen erdoor werden versterkt. Tabel 5 geeft een overzicht van de spelregels gedurende en na de verzuiling.

Tabel 5. Spelregels in de Nederlandse politiek, 1917-heden.

Spelregels tot 1917

Spelegels tussen 1967 en 1977

Spelregels na politiek

1. Zakelijke politiek

Ontmaskering van de ideologie van het Establishment: de noodzaak van een kritische maatschappijvisie

Zakelijke politiek

2. Verdraagzaamheid

Contestatie en conflictmodel

Verdraagzaamheid

3. Topoverleg

Zelfbeschikking aan de basis

Selectief topoverleg

4. Evenredigheid

Polarisatie als middel tot het vormen van een exclusieve meerderheid op basis van een eigen vast program

Evenredighied

5. Depolitisering

Politisering

Symbolische politisering

6. Geheimhouding

Openbaarheid

Selectieve openbaarheid

7. De regering regeert

„Heerschappij van de ministerraad”, „De Vierde Macht”, „Onmacht van het Parlement” e.d.

Grote rol regeringsfractie

8. –

Geen wisseling van coalitie zonder verkiezingen

9. –

Grootse regeringpartij levert de minister-president

Bronnen: A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, Amsterdam, 1968 (eerste kolom); H. Daalder, Politisering en Lijdelijkheid in de Nederlandse Politiek, Assen, 1974, p. 38 (tweede kolom); Ph van Praag, Hoe uniek is de Nederlanse consensusdemocratie?, in: Uwe Becker (red.), Nederlandse politiek in historisch en vergelijkend perspectief, Amsterdam, 1993, p 173 (derde kolom).

De snelle veranderingen in de periode 1967-1977 suggereren een radicale breuk van de elites met de verzuiling. Toch is dit maar ten dele waar. In een aantal opzichten wordt het accommodatiegedrag tijdens de verzuiling ook na de verzuiling voortgezet. Accommodatie is een vorm van elitegedrag dat immers onafhankelijk van verzuiling kan bestaan. Hoewel de verzuilde instituties grotendeels zijn verdwenen is het accommoderend elitegedrag in aangepaste vormen gebleven. De belangrijkste reden hiervoor is dat alle partijen ver verwijderd zijn van een meerderheid. Daardoor hebben de partijen geen andere keus dan samenwerken. Deze samenwerking wordt bevorderd door de toenemende convergentie van partijen op de links-rechtsschaal, hetgeen samenwerkingsvormen en coalitievorming ten zeerste vergemakkelijken (zie: hoofdstuk A0500 Ministers, ministerraad en kabinetsformatie). De „nieuwe” regels, zoals die sinds 1977 gelden, zijn dan ook variaties op A. Lijphart’s spelregels van de verzuilde politiek. Deze aangepaste regels geven ruim baan aan een selectief, ad hoc en pragmatisch gebruik van de pacificatieregels op manieren die electoraal winst kunnen opleveren of politiek het meest effectief zijn. Deze aanpassingen zijn begrijpelijk omdat de partijen a. manoeuvreerruimte nodig hebben om kiezers te winnen omdat de vaste achterban verdwenen is en b. omdat de kiezers kritischer en beter geïnformeerd zijn over het partijgedrag en de prestaties. De nieuwe spelregels zijn aangepast aan de open vormen van partijcompetitie en aan het toenemende aantal zwevende kiezers. De aloude vaste regels zijn vervangen door een nieuw type van flexibele responsiviteit dat een snelle aanpassing aan nieuwe situaties mogelijk maakt. Twee nieuwe regels zijn toegevoegd: na 1967 leidt een verandering in de partijsamenstelling van het kabinet altijd tot verkiezingen en de grootste partij levert sinds 1972 altijd de Minister President.

We kunnen concluderen dat in de interactie tussen elites en massa’s veel is veranderd. De passiviteit en lijdzaamheid van de burgers is verdwenen en de elites moeten daar bij hun beleidsvorming rekening mee houden. Belangrijke impulsen voor ontzuiling zijn cultureel bepaald. De culturele revolutie werd op gang gebracht door het ingrijpende proces van individualisering en deed de verzuilde groepen grotendeels uiteenvallen. Op politiek niveau blijft de accommodatie deels gehandhaafd. Dit betekent echter niet dat de politiek daardoor nog steeds verzuild is. Accommodatie als zodanig kan ook bestaan zonder verzuiling. Het verdwijnen van de verzuiling heeft niet geleid tot een systematische toename van politieke polarisatie omdat de vervagende scheidslijnen hebben bijgedragen aan de convergentie van partij- en beleidsposities.

De volgende literatuur bevat de indicatoren die zijn verbonden met één of meer van de bovengenoemde dimensies van ontzuiling:

  • G. Dekker, J. de Hart en J. Peters, God in Nederland, 1966-1996, Amsterdam, 1997
  • P. Dekker en P. Ester, Depillarization, Deconfessionalization, and De-Ideologization: Empirical Trends in Dutch Society 1958-1992, in: Review of religious research: religious values and viewpoints, 37 (1996), pp. 325-341
  • J.W. Becker en R. Vink, Secularisatie in Nederland. De verandering van opvattingen en enkele gedragingen, Sociale en Culturele studies 19, Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk, 1994
  • R. Andeweg en G. Irwin, Dutch government and politics, Basingstoke [etc.], 1993
  • P. Dekker en P. Ester, Social and political attitues in Dutch society. Theoretical perspectives and Survey evidence, Social and Cultural Studies, Rijswijk, 1993
  • K. Gladdish, Governing from the Centre. Politics and Policy-Making in the Netherlands, London/The Hague, 1991
  • G.A. Irwin en J.J.M. van Holsteyn, Decline of the Structured Model of Electoral Competition, in: H. Daalder en G. Irwin, Politics in the Netherlands: How Much Change?, London, 1989, p. 21-41
  • A. Lijphart, From the Politics of Accommodation to Adversarial Politics in the Netherlands: A Reassessment, in: West European Politics, 1989, p. 139-53
  • J.J.M. van Amersfoort en H.H. Van der Wusten, De cultuurgeografie van Nederland na 1945, in: B.C. de Pater, G.A. van Hoekveld en J.A. van Ginkel (red.), Nederland in delen. Een regionale geografie, Houten, 1989, Deel 1, pp. 83-104
  • H. Daalder, The Netherlands: Prototype of Consociationalism?, Ancient and Modern Pluralism in the Netherlands, The 1989 Erasmus Lectures at Harvard University, Harvard, 1989
  • H. Knippenberg en S. de Vos, Onkerkelijkheid en verstedelijking: recente trends in een oude relatie, in: Geografisch Tijdschrift, XXII, (1988), pp. 310-324
  • G.A. Irwin, C. van der Eijk, J.M. van Holsteyn en B. Niemöller, Verzuiling, issues, kandidaten en ideologie in de verkiezingen van 1986, in: Acta Politica, (1987), pp. 129-179
  • J. Peters en B. van Dam, Secularisering in Nederland in de jaren zestig en zeventig: een differentieel proces, in: Jaarboek Katholiek Documentatie Centrum 1986, Nijmegen, 1987, pp. 98-120
  • J. Peters en O. Schreuder, Katholiek en Protestant. Een historisch en contemporain onderzoek naar confessionele culturen, Nijmegen, 1987
  • P. Doorn en Y. Bommelje’, Ontkerkelijking en verzuiling. Een onderzoek naar de invloed van kerken op publieke middelen in Nederland, Utrecht, 1987
  • J.G.A. van Mierlo, Depillarisation and the decline of consociationalism in the Netherlands,1970-1985, West European Politics , 1986, pp. 97-119T. Duffhues, A. Felling en J. Roes, Bewegende patronen. Een analyse van het landelijk netwerk van katholieke organisaties en bestuurders 1945-1980, Nijmegen, 1985
  • J. Peters, Religie en politiek. De relevantie van de religieuze factor in vergelijking met niet-religieuze factoren, in: L. Laeyendekker en O. Schreuder (red.), Religie en Politiek, Kampen, 1985, pp. 97-127
  • P. Doorn en Y. Bommeljé, Maar…men moet toch iets wezen. Nieuwe gegevens over ontkerkelijking in Nederland, Utrecht, 1983
  • J.J.A. Thomassen e.a., De verstomde revolutie: opvattingen en gedragingen van Nederlandse burgers na de jaren zestig, Alphen aan den Rijn, 1983
  • C. van der Eijk en B. Niemöller, Stemmen op godsdienstige partijen sinds 1967, in: Acta Politica, (1983), pp. 169-182
  • R. Andeweg, Dutch Voters Adrift. On explanations of electoral change 1963-1977, Meppel, 1982
  • N.P. Passchier, De deconfessionalisering in geografisch perspectief: de neergang van de KVP 1963-1972, in: J.J.M. van Amersfoort e.a. (red.), Een wereld van staten, Alphen a/d Rijn/Brussel, 1981, pp. 145-156
  • H. Daudt, Ontwikkelingen van de politieke machtsverhoudingen in Nederland sinds 1945, in: G.A. Kooij e.a. Nederland na 1945. Beschouwingen over ontwikkeling en beleid, Deventer, 1980, pp. 178-197
  • W.E. Miller en P.C. Stouthard, Confessional attachment and electoral behavior in the Netherlands, in: European Journal of Political Research, (1975), pp. 219-258
  • H. Daalder, Politisering en Lijdelijkheid in de Nederlandse Politiek, Assen, 1974
  • H. Faber, e.a., Ontkerkelijking en buitenkerkelijkheid in Nederland tot 1960, Assen, 1970
  • A. Lijphart, Kentering in de Nederlandse Politiek, Acta Politica, (1969), pp. 231-247
  • G.H.L. Zeegers, G. Dekker en J.W.M. Peters, God in Nederland. Een statistisch onderzoek naar godsdienst en kerkelijkheid in Nederland, Amsterdam, 1967. 
Scroll naar top